[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. H. van Gellekom).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen).
Inleiding
Op 20 augustus 2019 heeft het college eiser onder bestuursdwang gelast de achtergevel van het pand op het adres [adres] in [plaats] (het pand) voor 1 oktober 2019 in originele staat te (laten) herstellen en hersteld te (laten) houden. Eiser was het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen rechtsmiddelen ingesteld. De zaak ligt nu in hoger beroep ter beoordeling voor aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser van 25 juli 2024 om de bestreden last onder bestuursdwang in te trekken. Met het besluit van 20 augustus 2024 heeft het college dit verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] , belanghebbende [belanghebbende 1] en de gemachtigde van belanghebbende.
Beoordeling door de rechtbank
2. In het verzoek van eiser staat zowel het woord intrekken als het woord opheffen van de last. Op de zitting heeft eiser verduidelijkt dat zijn verzoek is gericht op het met terugwerkende kracht intrekken van de last onder bestuursdwang, omdat het besluit evident onjuist is en de last niet uitvoerbaar was.
3. Uit zijn toelichting op de zitting en zijn schriftelijke reactie op het verweerschrift blijkt dat eiser om intrekking heeft verzocht, omdat hij het niet met de last onder bestuursdwang eens is. Als je het niet eens bent met een besluit, kun je daartegen rechtsmiddelen instellen. Dat heeft eiser ook gedaan. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de last onder bestuursdwang en hiertegen beroep en hoger beroep ingesteld. Als tijdens die (hoger)beroepsprocedure blijkt dat de last onder bestuursdwang onjuist is en/of onrechtmatig is genomen, dan zal de rechter deze vernietigen. Dit is dus geen reden voor een bestuursorgaan om het besluit op verzoek van degene die het daar niet mee eens is in te trekken.
4. Onder bijzondere omstandigheden kan overigens een verzoek om intrekking van een last onder bestuursdwang gerechtvaardigd zijn. Bijvoorbeeld in een situatie waarin na het verloop van de begunstigingstermijn de feitelijke toepassing van bestuursdwang door het bestuursorgaan lange tijd uitblijft. Maar hier doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet zo’n bijzondere omstandigheid voor. De bestuursdwang is hier overigens door het college toegepast en daarmee is het besluit inmiddels geëxpireerd.
5. Dat je het niet eens bent met de last onder bestuursdwang is niet zo’n bijzondere omstandigheid. Daarvoor staat immers – zoals vermeld onder 3 – de mogelijkheid van bezwaar, beroep en hoger beroep open. In die procedure kan ook aan de orde worden gesteld dat de last niet uitvoerbaar is. Een verzoek om intrekking is niet bedoeld om de procedure die je al hebt gevoerd, of in dit geval nog wordt gevoerd, omdat je het niet eens bent met het besluit voor een tweede keer over te doen. De gronden die eiser tegen de last onder bestuursdwang en/of het daarmee samenhangende kostenverhaal naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen, kan hij niet met succes nogmaals naar voren brengen bij een verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang.
6. Alleen hierom al is de rechtbank van oordeel dat het college het verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang terecht heeft afgewezen. De door eiser op 8 december 2025 nader overgelegde stukken kunnen hem in deze procedure dan ook niet baten. Deze worden daarom door de rechtbank niet in de beoordeling van het geschil betrokken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang in stand blijft.
8. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.