RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/608304 / KL ZA 26-62
Vonnis in kort geding van 28 april 2026
in de zaak van
1. [eisende partij sub 1] ,
te [woonplaats ] ,2. [eisende partij sub 2],
te [woonplaats ] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij c.s.] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. A. van der Schee,
tegen
1. [gedaagde partij sub 1] ,
te [woonplaats ] ,2. [gedaagde partij sub 2],
te [woonplaats ] ,3. [gedaagde partij sub 3],
te [woonplaats ] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partij c.s.] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. K. Horstman.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 maart 2026 met 7 producties;
- de aanvullende productie 8 van [eisende partij c.s.] ;
- de producties 1 en 2 van [gedaagde partij c.s.] ;- de mondelinge behandeling van 14 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling op 14 maart 2026 waren [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. Van der Schee. Namens gedaagden waren [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 3] aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. Horstman. Mr. Van der Schee en mr. Horstman hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De voorzieningenrechter heeft die spreekaantekeningen aan het dossier toegevoegd.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak doet.
2. De kern van de zaak
[eisende partij c.s.] en [gedaagde partij c.s.] zijn buren. [eisende partij c.s.] stelt dat [gedaagde partij c.s.] al jaren ernstige overlast veroorzaakt. [eisende partij c.s.] wil dat [gedaagde partij c.s.] daarmee stopt en vraagt de voorzieningenrechter [gedaagde partij c.s.] een gedragsaanwijzing op te leggen die – kort gezegd – inhoudt dat hij geen overlast meer mag veroorzaken, op straffe van een dwangsom.
[gedaagde partij c.s.] is het daar niet mee eens. Volgens [gedaagde partij c.s.] is sprake van een geëscaleerde burenruzie. [gedaagde partij c.s.] vindt dat zijn gedragingen niet los kunnen worden gezien van de context waarin zij hebben plaatsgevonden. Het gaat volgens [gedaagde partij c.s.] telkens om een actie-reactie. [gedaagde partij c.s.] concluderen tot afwijzing van de vordering.
[eisende partij c.s.] krijgt van de voorzieningenrechter gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
3. De beoordeling
Spoedeisend belang
In dit kort geding moet de voorzieningenrechter allereerst beoordelen of [eisende partij c.s.] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eisende partij c.s.] niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. [gedaagde partij c.s.] meent dat [eisende partij c.s.] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen in kort geding nu de burenruzie al in 2021 ontstond. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisende partij c.s.] wel een spoedeisend belang heeft.
[eisende partij c.s.] stelt dat [gedaagde partij c.s.] ernstige overlast veroorzaakt. [eisende partij c.s.] heeft eerst samen met hulp van de gemeente en politie naar een oplossing gezocht, maar dat is niet gelukt. Op 1 september 2025 is [gedaagde partij sub 3] aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen wegens een verdenking van drugshandel. De voorzieningenrechter ziet dat het aantal incidenten (zoals dat blijkt uit het overgelegde logboek) vanaf dat moment verder toeneemt. Ook zijn er na de aanhouding van [gedaagde partij sub 3] meerdere incidenten geweest (zie ook hierna) waarbij [gedaagde partij c.s.] bedreigende uitlatingen heeft gedaan richting [eisende partij c.s.]
Het spoedeisende belang is volgens de voorzieningenrechter voldoende aangetoond. De situatie is voor [eisende partij c.s.] en zijn gezin onhoudbaar geworden. Bij de mondelinge behandeling heeft [eisende partij c.s.] nader toegelicht dat hij in angst leeft en soms ook bang is om de woning te verlaten, omdat hij daarbij mogelijk [gedaagde partij c.s.] tegenkomt. Gelet op de aard, de ernst van de overlast en de impact die het heeft op [eisende partij c.s.] , kan niet van [eisende partij c.s.] worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Beoordelingskader
[eisende partij c.s.] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde partij c.s.] zich tegenover hem onrechtmatig gedraagt. [eisende partij c.s.] doet een beroep op artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond (artikel 6:162 lid 2 BW). In dit geval komt het er op neer dat moet worden beoordeeld of de door [gedaagde partij c.s.] veroorzaakte overlast naar objectieve maatstaven zodanig ernstig van aard is dat die overlast als onrechtmatig moet worden beschouwd en, of gelet op de aard en ernst van de (onrechtmatige) overlast, een gedragsaanwijzing op straffe van een dwangsom gerechtvaardigd is. Het gaat hierbij om een voorlopig oordeel; gekeken moet worden of aannemelijk is dat een bodemrechter zal oordelen dat van onrechtmatige overlast al dan niet sprake is.
Oordeel: er is sprake van pestgedrag door [gedaagde partij c.s.]
[eisende partij c.s.] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat [gedaagde partij c.s.] jarenlang structureel onrechtmatig tegenover hem handelt door overlast te veroorzaken. De overlast bestaat onder meer uit het uitschelden, bedreigen en beledigen van [eisende partij c.s.] Daarnaast wordt de auto van [eisende partij c.s.] steeds in de openbare parkeervakken op straat klemgezet door een auto van [gedaagde partij c.s.] Ook wordt er laat in de avond zonder reden door [gedaagde partij c.s.] bij [eisende partij c.s.] aangebeld. De voorzieningenrechter vindt het dan ook aannemelijk dat een rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat er sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde partij c.s.] tegenover [eisende partij c.s.]
[eisende partij c.s.] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat [gedaagde partij c.s.] onrechtmatig handelt verwezen naar een logboek. Dit is een zeer omvangrijk logboek, bijgehouden vanaf 2022, met in een separate bijlage tientallen video-opnames. [gedaagde partij c.s.] heeft tijdens de mondelinge behandeling de verschillende door [eisende partij c.s.] gestelde overlastgevende gedragingen niet voldoende (overtuigend) betwist. Er is enkel aangegeven dat de overlast moet worden gezien in een context en dat er sprake is van actie-reactie.
De voorzieningenrechter heeft [gedaagde partij c.s.] op zitting bij verschillende video-opnames om een reactie gevraagd. Hierbij is ook specifiek gevraagd naar de (relevante) context, dan wel wat de zogeheten ‘actie-reactie’ zou zijn. Hierop is geen enkel bevredigend antwoord gekomen. Bij geen van de voorgehouden incidenten is gebleken dat er sprake was van enige context dan wel een ‘actie’ van [eisende partij c.s.] waarin het handelen van [gedaagde partij c.s.] , zoals dat zichtbaar was op de video-opnames, op enige manier gerechtvaardigd is. Uit een groot deel van de video-opnames lijkt er sprake te zijn van (structureel) pestgedrag door [gedaagde partij c.s.] tegenover [eisende partij c.s.] dat vele facetten aanneemt.
Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken – zeker in onderling verband en samenhang bezien – staat dan ook vast dat [gedaagde partij c.s.] zich onrechtmatig tegenover [eisende partij c.s.] gedraagt. Daarbij weegt ten nadele van [gedaagde partij c.s.] mee dat er sprake is van een jarenlang (en dus) structureel karakter van de overlast. Ondanks meldingen bij de politie, gemeente en het proberen van mediation duurt de overlast voort. Bovendien lijkt [gedaagde partij c.s.] zich nog steeds niet te realiseren in hoeverre zijn gedragingen overlast veroorzaakt bij [eisende partij c.s.] Kenmerkend hiervoor is dat [gedaagde partij c.s.] tijdens de mondelinge behandeling bij voorgehouden incidenten heeft aangegeven dat er sprake zou zijn van ‘een grapje’. De noodzaak om met de overlastgevende gedragingen te stoppen lijkt bij [gedaagde partij c.s.] niet door te dringen. Goed voorstelbaar is dan ook dat [eisende partij c.s.] geen vertrouwen heeft in verbetering en ordemaatregelen wenst op straffe van een dwangsom.
Hieronder zal de voorzieningenrechter kort ingaan op de verschillende gebleken onrechtmatige gedragingen van [gedaagde partij c.s.] waarvoor een ordemaatregel gerechtvaardigd is.
De auto klemzetten
Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde partij sub 3] door de voorzieningenrechter bevraagd naar een incident waarbij zij op 23 oktober 2023 bij [eisende partij c.s.] aanbelt en verzoekt of [eisende partij c.s.] zijn auto weg wil halen. Uit het videobestand blijkt dat [gedaagde partij sub 3] dit (kennelijk) zegt ‘zodat zij er kan staan’. Hiernaar bevraagd gaf [gedaagde partij sub 3] ook op zitting aan dat het een al langer bestaande afspraak in de buurt is dat iedere bewoner voor zijn eigen deur kan parkeren. Niet in geschil is dat het hier gaat om openbare parkeerplaatsen waar iedereen zou mogen parkeren.
De voorzieningenrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [gedaagde partij c.s.] kennelijk meent dat hij recht heeft op het parkeervak (of: de parkeervakken) voor zijn huis. Uit het logboek volgt dat de auto van [eisende partij c.s.] jarenlang en herhaaldelijk vast wordt gezet wanneer hij die parkeert in een (openbaar) parkeervak voor zijn huis. Het gevolg hiervan is dat [eisende partij c.s.] niet meer met zijn auto kan vertrekken, soms in het geheel niet en soms alleen wanneer hij voor een deel met de auto over de stoep rijdt. De incidenten hiervan starten in 2023 en duren onverminderd voort in 2026.
Het perceel betreden en aanbellen zonder reden
[eisende partij c.s.] heeft tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak verklaard dat hij de deur soms niet meer open doet, omdat hij dat niet durft. Op enig moment heeft [eisende partij c.s.] ook gemerkt dat [gedaagde partij c.s.] bij hem aanbelt zonder enige reden. De voorzieningenrechter stelt vast dat hier in ieder geval sinds december 2025 met enige regelmaat en soms ook in de latere avonduren sprake van is geweest. Bij één incident op 14 februari 2026 wordt daarbij zelfs door [gedaagde partij sub 1] opgemerkt ‘kijken of ze thuis zijn’, waarna hij direct na het aanbellen het perceel van [eisende partij c.s.] verlaat en richting zijn (klaarstaande) auto loopt. Tijdens de mondelinge behandeling is gevraagd wat nou de reden hiervan is geweest. Hierop is geen bevredigend antwoord gekomen. Het staat buiten kijf dat dit gedrag overlastgevend is voor [eisende partij c.s.]
Beledigende/bedreigende mededelingen doen
Ook moet de voorzieningenrechter vaststellen dat [gedaagde partij c.s.] beledigende en zelfs bedreigende uitlatingen doet tegen [eisende partij c.s.] [gedaagde partij c.s.] meent zelf dat het ‘stevige uitlatingen’ zijn, maar dit dekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de lading. Zo lijkt [gedaagde partij sub 1] op 5 maart 2023 richting het huis van [eisende partij c.s.] te zeggen ‘kanker homo dat je er bent’. Hier blijft het niet bij. Een absoluut dieptepunt lijkt te zijn bereikt wanneer [eisende partij sub 1] op 4 juni 2025 lijkt te worden bespuugd door mevrouw [gedaagde partij sub 2], omdat bezoekers van [eisende partij c.s.] op de openbare parkeerplaatsen parkeren. Ook wordt er ‘klootzak’, ‘vieze homo’ gezegd en wordt de heer [eisende partij sub 1] een ‘pedo’ genoemd, waarvan de laatste uitspraak – gelet op de stem hoorbaar op de video – lijkt te zijn gedaan door mevrouw [gedaagde partij sub 2] . [eisende partij sub 1] heeft over dit laatste incident tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat dit hem diep heeft geraakt en dat dit ook schadelijk is nu hij werkzaam is als directeur van een basisschool.
Tevens is gebleken dat nadat [gedaagde partij sub 3] is opgepakt, er (min of meer) is gezegd ‘ja we weten dus dat jij de beller bent’ en ‘dat jij een snitch bent, dat wisten we al’. Nadat [gedaagde partij sub 3] onder voorwaarden wordt geschorst uit haar voorlopige hechtenis, lijkt zij op 1 november 2025 met haar moeder [gedaagde partij sub 2] bij [eisende partij c.s.] voor de deur te staan. Naar het zich laat aanzien opnieuw omdat zij op dat moment niet op ‘hun plek’ in de openbare parkeervakken kunnen parkeren. Wanneer er niet wordt opengedaan door [eisende partij c.s.] merkt [gedaagde partij sub 3] op: ‘zal ik dingetje even bellen’, waarop [gedaagde partij sub 2] antwoord: ‘ja bel je criminele vrienden maar’. Ook wordt er die dag nog een bericht door [gedaagde partij sub 3] gestuurd naar [eisende partij c.s.] waarin staat: ‘Goedendag [eisende partij sub 2] , laat mij heel duidelijk zijn, test mij niet! Je hebt regels waaraan je je hebt te houden. Eén daarvan is auto’s om de hoek. Regel jij dit niet, regel ik dit voortaan op mijn manier’. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze uitlatingen – gelet op de context van de situatie - onmiskenbaar bedreigend voor [eisende partij c.s.] zijn.
Ordemaatregelen zijn nodig
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het zeer waarschijnlijk is dat ordemaatregelen tegen de hierboven genoemde gedragingen van [gedaagde partij c.s.] nodig zijn en in een bodemprocedure zullen worden opgelegd. Van [eisende partij c.s.] kan niet worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Dit betekent dat de vordering tot oplegging van ordemaatregelen vooruitlopend op de bodemprocedure, toewijsbaar is. De voorzieningenrechter realiseert zich dat dit de verhoudingen op scherp zet. Daar staat echter tegenover dat sprake is van (jarenlang) ernstig intimiderend gedrag en van zwaarwegende belangen van [eisende partij c.s.]
[gedaagde partij c.s.] heeft nog aangevoerd dat de gedragsaanwijzingen te ruim geformuleerd is. Dit leidt volgens [gedaagde partij c.s.] tot executieproblemen. Daarnaast meent hij dat de voorzieningenrechter bij het opleggen van een gedragsaanwijzing niet het mindere kan toewijzen. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde partij c.s.] hierin niet. Zij is echter wel van oordeel dat de formulering “ mededelingen te doen en/of te herhalen van welke aard dan ook, in het bijzonder beledigende/bedreigende mededelingen, tegenover eisers, hun familieleden en Bezoekers” te ruim geformuleerd is. Wel toewijsbaar is een gedragsaanwijzing die [gedaagde partij c.s.] verbiedt beledigende en/of bedreigende mededelingen te doen en/of te herhalen tegenover [eisende partij c.s.] en zijn familieleden.
De overige gedragsaanwijzingen worden afgewezen
[eisende partij c.s.] vordert verder nog om [gedaagde partij c.s.] te verbieden om onjuistheden over hem te verspreiden en zijn eigendommen te vernielen. De rechtbank kan aan de hand van het dossier en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende vaststellen deze gedragingen kwalificeren als onrechtmatige hinder. Hoewel dit soort incidenten buitengewoon vervelend zijn, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat deze incidenten een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisende partij c.s.] opleveren. Er bestaat naar oordeel van de rechtbank daarom geen grond om hierover op dit moment een gedragsaanwijzing op te leggen.
Dwangsommen
[eisende partij c.s.] heeft een gedragsaanwijzing gevorderd op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft deze vordering zo begrepen dat iedere afzonderlijke gedaagde zich dient te onthouden van het hierboven onder 3.5 tot en met 3.17. genoemde gedrag. Daarnaast begrijpt de voorzieningenrechter dat [eisende partij c.s.] gemeend heeft om iedere afzonderlijke gedaagde daarin persoonlijk aan te sporen. Dit betekent dat gedaagden op eigen titel dwangsommen verbeuren als zij zich niet aan de opgelegde gedragsaanwijzing houden.
De voorzieningenrechter zal de gedragsaanwijzing opleggen op straffe van een dwangsom. Tot op heden hebben de eerdere gesprekken en sommaties niet tot een afname van de overlast geleid. Bovendien is tijdens de zitting niet gebleken dat [gedaagde partij c.s.] inziet dat zijn gedragingen onbehoorlijk en onrechtmatig zijn. Een dwangsom is bedoeld om [gedaagde partij c.s.] te bewegen om zich aan de opgelegde gedragsaanwijzing te houden. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is een dwangsom van € 500,00 per overtreding in dit geval passend. De dwangsommen zullen op eigen titel worden verbeurd met een maximum van € 25.000,00 per gedaagde.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eisende partij c.s.] vordert een bedrag van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op een van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De voorzieningenrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Uit de door [eisende partij c.s.] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele sommatie, het hebben van incidenteel contact of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eisende partij c.s.] vergoeding vordert vallen naar oordeel van de voorzieningenrechter onder de proceskosten.
Proceskosten
[gedaagde partij c.s.] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij c.s.] worden begroot op:
- dagvaarding € 204,68
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.911,68
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter in kort geding:
verbiedt [gedaagde partij c.s.] om, gedurende een periode van 12 maanden na betekening van dit vonnis:
de auto of enig ander voertuig of voorwerp van [eisende partij c.s.] te blokkeren of klem te zetten;
het perceel van [eisende partij c.s.] te betreden zonder toestemming;
aan te bellen bij de voordeur van [eisende partij c.s.] ;
met enig voorwerp te bonken op of tegen de woning van [eisende partij c.s.] ;
beledigende/bedreigende mededelingen te doen en/of te herhalen tegenover [eisende partij c.s.] en zijn familieleden;
bepaalt dat [gedaagde partij sub 1] , [gedaagde partij sub 2] en [gedaagde partij sub 3] ieder afzonderlijk en op eigen titel dwangsommen verbeuren van € 500,00 per overtreding van voormelde verboden onder 4.1. met een maximum van € 25.000,00 per persoon;
veroordeelt [gedaagde partij c.s.] in de proceskosten van € 1.911,68, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde partij c.s.] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
BS/43497