RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3119
1. [eiseres sub 1] B.V.gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2. [eiseres sub 2]gevestigd in [vestigingsplaats]
3. [eiser sub 3] , h.o.d.n. [handelsnaam] , te [plaats] ,
samen eisers
(gemachtigde: mr. P.J.G. Poels),
en
(gemachtigden: mr. M. Beumer en mr. S.S. Rijksen).
Procesverloop
1. Met het besluit van 4 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college besloten om 8 parkeerplaatsen aan de [straat] in Utrecht op grond van artikel 9 van de Wegenwet aan het openbare verkeer te onttrekken.
Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eisers hebben op 19 november 2025 een aanvullende reactie ingediend en nadere stukken overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers: [A] , [eiser sub 3] en de gemachtigde van eisers, namens het college: de gemachtigden, mr. F.V. van der Bilt en [B] , adviseur.
Beoordeling door de rechtbank
Het toetsingskader
2. Een beslissing om op grond van artikel 9 van de Wegenwet een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken, behoort tot de bevoegdheid van de raad, die daarbij een grote mate van beleidsruimte heeft. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank in het kader van een beroep tegen een wegonttrekking (slechts) beoordeelt of de wegonttrekking in strijd is met de wet en of de raad de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig heeft afgewogen dat hij in redelijkheid niet kon overgaan tot de wegonttrekking.
Op de zitting is besproken dat de bevoegdheid van de raad om op grond van artikel 9 van de Wegenwet een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken is gedelegeerd aan het college.
Achtergrond en doel van het besluit tot onttrekking
3. Uit het besluit maakt de rechtbank het volgende op.
De [straat] in Utrecht is een doodlopende, ontsluitende erftoegangsweg voor een aantal percelen, waaronder een jachtwerf, een speelbos en een scoutingvereniging. De weg wordt alleen bereden door bestemmingsverkeer of doorgaand fietsverkeer. De [straat] is belangrijk voor het bestaansrecht van de jachtwerf, om schepen uit het water te kunnen halen en over de weg te vervoeren. Hiervoor moet de weg geschikt zijn voor zwaar en breed verkeer. Parkeren gebeurt momenteel aan beide zijdes van de [straat] . Hiervan hebben de 19 parkeerplaatsen langs het terrein van de scouting een informele status en de 14 parkeerplaatsen langs het speelbos een formele status.
De aanleiding van het besluit is erin gelegen dat het college het Niftarlakepark, dat nabij de [straat] is gelegen, wil uitbreiden en verbinden met de Vecht. Daarvoor wil het college het gebied aan de [adres] herinrichten en ontwikkelen tot een groene plek om in een natuurlijke omgeving te kunnen verblijven en te recreëren. Langs het water aan de Vecht worden wadi’s aangelegd en natuurvriendelijke oevers met vlonders gecreëerd, zodat daar een bio-diverse plek ontstaat. Ook worden nieuwe bomen geplant. Daarnaast maakt het college ruimte voor verblijf en spelen. Hiermee wordt de groenblauwe structuur in Noordwest Utrecht versterkt en wordt bijgedragen aan een gezond stedelijk leven voor iedereen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken wil het college 8 parkeerplekken op de [straat] opheffen om de uitbreiding en aantrekkelijkheid van het speelbos mogelijk te maken. Op de [straat] blijven dan nog 6 formele parkeerplekken over. Op zitting is namens het college toegelicht dat hierdoor ook meer ruimte ontstaat voor het veilig oversteken van de buitenschoolse opvang naar het speelbos. Verder wordt met de opheffing van de parkeerplekken het gebruik van de fiets naar het speelbos (en de scouting) in plaats van de auto gestimuleerd. Ook leidt het besluit er volgens het college toe dat de nachtelijke overlast vanuit de auto’s verder afneemt en de sociale veiligheid toeneemt.
Is het onderzoek naar de parkeerdruk zorgvuldig en actueel?
4. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. De parkeerdrukmeting uit 2022 waarop het besluit is gebaseerd, is gedateerd. Gelet op de ruimtelijke wijzigingen in de omgeving van de [straat] is deze meting volgens eisers onvoldoende actueel voor de parkeersituatie en voor de conclusie dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn op de [straat] . Ook wijzen zij er op dat geen leesbare parkeerdrukmeting is overgelegd en daar geen toelichting van een verkeerskundige bij is gevoegd. Daardoor was het voor hen niet mogelijk om een contra-expertise op te laten stellen. Voor zover het college nog heeft verwezen naar de recente parkeerdrukmeting uit 2024 voeren eisers aan dat ook deze meting niet ter verificatie aan eisers is voorgelegd.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het college heeft in 2022 een onderzoek laten uitvoeren naar het gebruik van de parkeerplaatsen op de [straat] . Uit dat onderzoek blijkt dat de parkeerdruk op de [straat] gemiddeld onder de 40% ligt en dat alleen wordt geparkeerd op formele parkeerplekken aan de zuidzijde en niet op de 19 informele parkeerplekken op de noordzijde. Verder blijkt uit het onderzoek dat het piekmoment ligt op zaterdag tussen 8.00 en 12.00 uur met een bezetting van 50% van de 7 formele parkeerplaatsen in verband met de scouting en het speelbos. Elders in de wijk is de parkeerdruk 78%, waarbij het college een parkeerdruk van 80% aanvaardbaar vindt.
Op de zitting heeft de adviseur van de gemeente uitgelegd hoe de bezettingspercentages van de parkeerplaatsen en het percentages van parkeerdruk tot stand zijn gekomen. De adviseur heeft toegelicht dat er is gemeten hoeveel auto’s op een bepaald moment staan geparkeerd en hoeveel formele en informele parkeerplaatsen bezet zijn. Daarbij zijn alleen de informele parkeerplaatsen meegeteld die feitelijk als parkeerplaats zijn gebruikt. Plekken waar nooit auto’s staan, zijn dus niet meegenomen. De metingen zijn gedaan op dinsdagnacht, donderdagmiddag en zaterdagmiddag. Dinsdagnacht is juist in woongebieden het drukste moment, omdat dan veel mensen thuis zijn.
De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee het onderzoek naar de parkeerdruk uit 2022 en de daarin opgenomen resultaten voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Eisers hebben geen contra-expertise overgelegd, waarin de juistheid van de resultaten van het onderzoek parkeerdrukmeting 2022 van het college zijn betwist. De stelling van eisers dat het onderzoek niet inzichtelijk en controleerbaar was, omdat zij niet beschikten over de bijbehorende analyse van de parkeerdrukmeting, leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel het zorgvuldiger was geweest als het college deze analyse aan het dossier had toegevoegd, had dat eisers niet hoeven te weerhouden om tijdig een tegenonderzoek te laten uitvoeren. Eisers waren al in december 2024 op hoogte van de onderzoeksresultaten en – naar zij op de zitting hebben verklaard – van het feit dat zo’n onderzoek ook door een verkeerskundige van de gemeente wordt beoordeeld. Niettemin hebben eisers op dat moment geen actie ondernomen om van het college een nadere onderbouwing of uitleg van de onderzoeksresultaten te verkrijgen. Evenmin hebben eisers na het verkrijgen van de onderzoeksresultaten actie ondernomen om deze resultaten door een eigen verkeerskundige te laten bekijken. Daarnaast hebben eisers ook niet op andere wijze onderbouwd dat de onderzoeksresultaten niet juist zijn en/of dat sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen op de [straat] . De enkele stelling is daarvoor onvoldoende. Dat geldt evenzeer voor de overgelegde foto’s van de [straat] en de erven van de bedrijven. Die foto’s geven hooguit een beeld van de situatie op het moment dat de foto is genomen en geven geen inzicht in het door eisers gestelde structurele tekort aan parkeerplaatsen.
Dat de parkeerdrukmeting uit 2022 niet actueel is en het college het onderzoek daarom niet aan het besluit ten grondslag mocht leggen, volgt de rechtbank ook niet. Niet aannemelijk is geworden dat de parkeersituatie in de [straat] in de tussenliggende periode significant is gewijzigd. Het college heeft in dat verband in deze procedure mogen verwijzen naar de parkeerdrukmeting uitgevoerd in 2024. Hoewel het college die meting niet bij het bestreden besluit heeft betrokken, blijkt daaruit wel dat de verkeerssituatie op de [straat] stabiel is gebleven. Daarbij weegt de rechtbank mee dat, zoals hiervoor onder punt 4.3. is overwogen, eisers ook niet zelf hebben onderbouwd dat sprake zou zijn van een tekort aan parkeerplaatsen en dat het college daarom niet langer van het onderzoek uit 2022 mocht uitgaan.
Het voorgaande leidt ertoe dat er geen grond is om aan te nemen dat het onderzoek naar de parkeerdruk op de [straat] onzorgvuldig is geweest of niet actueel is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom het onderzoek aan het besluit ten grondslag mogen leggen.
Is een juiste belangenafweging gemaakt en is de onttrekking evenredig?
5. Eisers voeren aan dat het college geen juiste belangenafweging heeft gemaakt en dat het bestreden besluit gelet op de voor haar nadelige gevolgen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens eisers is bij het onttrekken van de parkeerplaatsen geen sprake meer van voldoende parkeergelegenheid binnen een acceptabele loopafstand voor kortdurende bezoeken aan de bedrijven op de percelen van eisers. Het college gaat uit van een acceptabele loopafstand van 250 meter, maar volgens eisers wijkt dit af van de acceptabele loopafstand volgens het CROW. Verder heeft het college bij het bepalen van de parkeerbehoefte onvoldoende rekening gehouden met de extra parkeerbehoefte als gevolg van de geplande uitbreiding van het Niftarlakepark en het speelbos. Door het vervangen van grasland aan beide zijden van de [straat] door wadi’s, worden ook parkeerplaatsen onttrokken, waardoor de gebruiks- en herontwikkelingsmogelijkheden van de percelen aan de [straat] worden beperkt. Er zijn dan bovendien minder uitwijkmogelijkheden voor vrachtverkeer en er is minder ruimte voor het laden en lossen bij de bedrijven zelf. Verder is het college er volgens eisers aan voorbij gegaan dat er onvoldoende parkeergelegenheid op eigen terrein is door erfdienstbaarheden voor de bereikbaarheid van de gevestigde bedrijven en de roeivereniging en door de noodzakelijke bereikbaarheid voor de hulpdiensten. Daarnaast wijzen eisers erop dat het college ten onrechte heeft gewezen op het uitganspunt dat bedrijven moeten parkeren op eigen terrein. Volgens eisers geldt dit alleen voor nieuwe bouwontwikkelingen en bij een toename van de parkeerbehoefte, maar volgens eisers niet voor bestaande tekorten.
De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat na het onttrekken van de openbare parkeerplaatsen geen sprake meer is van een acceptabele loopafstand voor de bedrijven op de percelen van eisers. De loopafstand vanaf de jachtwerf tot de overgebleven 6 parkeerplaatsen is maximaal 125 meter en de loopafstand tot en met het Vechtplantsoen is 180 meter. Eisers hebben niet onderbouwd waarom dit niet zou passen bij de CROW-normen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de CROW verschillende afstanden hanteert voor verschillende situaties. Eisers hebben niet naar een van deze situaties verwezen en daarmee niet concreet gemaakt waarom deze loopafstanden niet acceptabel zouden zijn. Daarbij overweegt de rechtbank dat het college bij de beoordeling van de loopafstand aansluiting heeft mogen zoeken bij de Beleidsregel parkeernomen auto 2021 en bijbehorende parkeernormen (Beleidsregel). Op de zitting heeft het college toegelicht dat volgens de Beleidsregels een loopafstand van 250 meter voor bewoners en 500 meter voor bezoekers acceptabel is en dat parkeerplaatsen voor de auto op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Ook bij nieuwe ontwikkelingen moeten ondernemers met deze strengere eisen rekening houden. Voor zover eisers in dit kader hebben beoogd te wijzen op de parkeerruimte die mogelijk voor toekomstige ontwikkelingen nodig is, en dat rekening had moeten worden gehouden met de omgevingsrechtelijke aspecten daarvan, wijst de rechtbank er op dat het hier gaat om een besluit op grond van de Wegenwet en dat – zo is door het college opgemerkt – de omgevingsvergunning die aan het inrichtingsplan is verbonden al onherroepelijk is. Bovendien gaat eiser bij zijn standpunt over de toetsing van nieuwe ontwikkelingen ervan uit dat nu sprake zou zijn van een tekort aan parkeerplaatsen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is niet aannemelijk geworden dat van een tekort sprake is of zal zijn.
Eisers hebben verder gesteld dat het onttrekken van de parkeerplaatsen impact heeft op hun bedrijfsontwikkeling en/of bedrijfsvoering (laden en lossen), zonder dat zij die stelling met bewijsstukken hebben onderbouwd. Evenmin hebben eisers aangetoond dat de parkeerbehoefte op hun percelen aan de [straat] dermate groot is dat door de onttrekking van de 8 openbare parkeerplaatsen voor hen een tekort aan parkeerplaatsen zou ontstaan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat het college er, onder andere op basis van de parkeerdrukmeting, op heeft gewezen dat er ook in de omgeving van de [straat] voldoende openbare parkeerplekken voor ondernemingen beschikbaar zijn. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat de impact van de onttrekking van de parkeerplaatsen op de bedrijven aan de [straat] zodanig is, dat het college niet tot deze onttrekking mocht overgaan. Ook in het geval sprake zou zijn van enige impact op de bedrijfsactiviteiten van eisers, dan maakt dat niet dat de onttrekking van de parkeerplaatsen aan het openbaar verkeer onevenwichtig is. In dat kader heeft het college er terecht op gewezen dat het gaat om openbare parkeerplaatsen waar particulieren of bedrijven geen recht op hebben. De openbare ruimte kan voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt maar de openbare parkeerplaatsen waar deze procedure betrekking op heeft zijn niet bedoeld voor structureel gebruik van laden en lossen door bedrijven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door eisers niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van nadelige gevolgen van het besluit die zwaarder zouden moeten wegen dan de door het college genoemde belangen, zoals verwoord onder 2. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken dat het college de betrokken belangen zodanig onevenwichtig heeft afgewezen dat hij in redelijkheid niet tot de wegonttrekking kon overgaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.