[verzoekster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.C. Ozinga),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Dit verzoek richt zich tegen het besluit van gedeputeerde staten om het herhaalde verzoek van verzoekster tot intrekking dan wel opschorting van de op 30 juni 2025 aan haar opgelegde last onder dwangsom af te wijzen (de afwijzing). Verzoekster is het niet eens met de afwijzing en heeft hiertegen bij gedeputeerde staten bezwaar ingediend.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat tegen de afwijzing bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Ook moet wat verzoekster met haar verzoek wil bereiken betrekking hebben op de inhoud van de afwijzing (materiële connexiteit).
4. Naar aanleiding van de aan haar opgelegde last onder dwangsom heeft verzoekster het gebruik van de mestvergistingsinstallatie op haar bedrijf aan de [adres] in [plaats] voor het verstrijken van de aan haar gegeven begunstigingstermijn gestaakt en gestaakt gehouden. Dit gestaakt houden van het gebruik van de installatie leidt tot het uitblijven van inkomsten en als de installatie langer gesloten blijft moet deze weer geheel worden opgestart wat tot aanzienlijke kosten voor verzoekster leidt.
5. In haar verzoek om een voorlopige voorziening vraagt verzoekster de voorzieningenrechter om vervangende toestemming om haar bedrijf/installatie weer op te starten, omdat er inmiddels concreet zicht op legalisatie is.
6. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit verzoek niet voldoet aan het onder 3 genoemde vereiste van materiële connexiteit, omdat wat verzoekster wil bereiken geen betrekking heeft op de inhoud de afwijzing.
7. Met het verzoek om een voorlopige voorziening kan uitsluitend worden bereikt dat de afwijzing wordt geschorst tot gedeputeerde staten op het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing hebben beslist. Maar als de voorzieningenrechter tot schorsing van de afwijzing zou overgaan, brengt dat geen wijzigingen in de bestaande (juridische) situatie. Zo’n schorsing van de afwijzing heeft immers geen invloed op de werking van de eerder aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom en de eerdere afwijzing van het verzoek tot intrekking dan wel opschorting van de last onder dwangsom. Deze blijven dan gewoon van kracht. Het verzoek van verzoekster om vervangende toestemming om haar bedrijf/installatie weer op te kunnen starten is feitelijk een verzoek om schorsing van de last onder dwangsom. Als verzoekster haar bedrijf weer had willen opstarten had zij dus hangende het bezwaar tegen de last onder dwangsom een verzoek om een voorlopige voorziening moeten doen, maar dat heeft verzoekster niet gedaan. In die procedure had, anders dan bij een verzoek om intrekking van een last onder dwangsom, ook de vraag aan de orde kunnen komen of er concreet zicht is op legalisatie. Het verzoek om een voorlopige voorziening kan dus niet tot het door verzoekster beoogde doel leiden.
Conclusie en gevolgen
8. De conclusie van het voorgaande is dat de materiële connexiteit ontbreekt en het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: