ECLI:NL:RBMNE:2026:2013

ECLI:NL:RBMNE:2026:2013

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 16.079291.20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Veroordeling wegens verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd. Aan de verdachte wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf opgelegd voor de duur van 120 uren. Bij de hoogte van de straf is rekening gehouden met het feit dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte wordt ook veroordeeld tot betaling van € 80.510,22 aan materiële schade.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.079291.20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1964] in [geboorteplaats] (Suriname),

wonende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 april 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

in de periode van 13 april 2016 tot en met 23 juni 2016 in Almere in dienstbetrekking als boekhouder een geldbedrag van € 72.500,- dat toebehoorde aan [benadeelde] en/of [eenmanszaak] , heeft verduisterd;

feit 2

in de periode van 13 april 2016 tot en met 23 juni 2016 in Almere in dienstbetrekking als boekhouder meerdere auto’s die toebehoorden aan [benadeelde] en/of [eenmanszaak] , heeft verduisterd.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 (verduistering in dienstbetrekking van geldbedragen en auto’s ) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

Op 8 oktober 2014 is aangeefster, mevrouw [benadeelde] , een eenmanszaak begonnen, genaamd [eenmanszaak] (hierna: de eenmanszaak). Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat aangeefster de enige eigenaar was van de eenmanszaak. De eenmanszaak is op het woonadres van aangeefster ingeschreven. De verdachte verrichtte werkzaamheden als boekhouder voor de eenmanszaak en had daarom toegang tot de bankrekening van de eenmanszaak. Hierdoor kon hij zelfstandig betalingen doen.

De verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad de financiële boekhouding voor de eenmanszaak deed en dat hij daarnaast ook directeur van de eenmanszaak was. De rechtbank overweegt dat het deel van de verklaring van de verdachte dat hij directeur was van de eenmanszaak, niet wordt ondersteund door de verklaringen van aangeefster noch door andere stukken uit het procesdossier.

Uit het procesdossier en de verklaring van de verdachte ter zitting volgt dat er op 13 april 2016 onenigheid is geweest tussen aangeefster en de verdachte en dat kort daarna een viertal grote geldbedragen van de bankrekening van de eenmanszaak is afgeschreven. De de verdachte heeft verklaard dat hij op 13 en 14 april 2016 geldbedragen van in totaal € 72.500,- van de rekening van de eenmanszaak heeft overgeschreven naar een rekening van zijn ex-partner. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangeefster wist van deze overboekingen, omdat zij op het moment van overboeking op kantoor aanwezig zou zijn geweest. De verdachte verklaart echter tegelijkertijd deze bedragen te hebben overgemaakt om deze ‘veilig te stellen’. De rechtbank overweegt dat uit deze verklaring van de verdachte, dat hij het geld overboekte om het veilig te stellen, reeds volgt dat hij zich dat geld heeft toegeëigend. Hij kon er vanaf het moment van overboeking immers als heer en meester over beschikken.

Aangeefster heeft verklaard dat zij niet afwist van deze overboekingen en dat zij verdachte geen toestemming heeft gegeven voor het overmaken van deze geldbedragen. De rechtbank acht deze verklaring van aangeefster aannemelijk, omdat in het procesdossier geen enkele ondersteuning is te vinden voor de bewering van de verdachte dat aangeefster toestemming voor deze overboekingen had gegeven of zelfs dat zij ervan op de hoogte was. Ook bevat het procesdossier geen enkel aanknopingspunt dat de verdachte een blanco volmacht van aangeefster, als eigenaar van de eenmanszaak, heeft verkregen om gelden naar eigen inzicht over te maken. De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat de verdachte niet gerechtigd was om naar eigen goeddunken over het geld van de eenmanszaak van aangeefster te beschikken en dus ook niet gerechtigd was om de geldbedragen van de rekening van de eenmanszaak weg te sluizen.

Uit de verklaringen van aangeefster volgt dat zij de verdachte op 13 april 2016 heeft laten weten dat zij overwoog om niet langer gebruik te maken van zijn diensten binnen de eenmanszaak. Later op die dag heeft zij de bankpassen van de bankrekening van de eenmanszaak geblokkeerd. Aangeefster was daarmee in de veronderstelling dat de verdachte niet meer bij het geld van de eenmanszaak kon komen. Naderhand bleek echter dat het nog wel mogelijk was om via internetbankieren geld van de rekening van de eenmanszaak af te halen. Na de blokkering van de bankpassen heeft de verdachte gebruik gemaakt van internetbankieren en heeft hij op 13 en 14 april 2016 het ten laste gelegde totaalbedrag van € 72.500 weggesluisd.

De verdachte heeft verklaard dat hij ook drie auto’s, die door aangeefster vanaf de bankrekening van de eenmanszaak waren betaald en die op naam stonden van de eenmanszaak, heeft overgeschreven op naam van [getuige 1] en [getuige 2] . Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat de verdachte hen heeft gevraagd of de auto’s (tijdelijk) op hun naam mochten worden gezet. De verdachte heeft ook ten aanzien van deze handelingen verklaard dat hij hiervoor toestemming had van aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat zij nooit toestemming had gegeven voor die overschrijvingen en dat zij pas later, door informatie van de Belastingdienst, ontdekte dat de auto’s niet langer op naam van de eenmanszaak stonden. De rechtbank overweegt dat de verklaring van de verdachte op geen enkele wijze wordt ondersteund en dat deze derhalve geenszins aannemelijk is.

De rechtbank heeft dan ook de overtuiging dat de verdachte niet gerechtigd was om de kentekens van de drie auto’s over te schrijven.

De verdachte wordt verweten dat hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking de geldbedragen en de auto’s heeft verduisterd. Van een persoonlijke dienstbetrekking in de zin van artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht is sprake als iemand werkzaam is in ondergeschiktheid. Of daarvan sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor verduistering is vereist dat sprake is van ‘wederrechtelijk toe-eigenen’. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van wederrechtelijke toe-eigening, indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een persoonlijke dienstbetrekking. Aangeefster heeft als eigenaar van de eenmanszaak de verdachte verzocht de boekhouding te verzorgen. De verdachte heeft deze taak op zich genomen en verrichtte daarmee specifieke werkzaamheden in opdracht van aangeefster voor de eenmanszaak. Aldus was sprake van ondergeschiktheid.

De verdachte heeft, zoals hiervoor overwogen, ten aanzien van de geldbedragen als heer en meester over het geld beschikt en dit zonder toestemming van aangeefster overgeschreven naar een bankrekening waar zij niet bij kon. Daarnaast heeft de verdachte op het moment dat hij de kentekens van de auto’s heeft overgeschreven naar [getuige 1] en [getuige 2] , de auto’s uit de feitelijke beschikkingsmacht van aangeefster weggenomen. Vanaf het moment van overschrijving van de kentekens heeft de verdachte ook ten aanzien van de auto’s als heer en meester daarover kunnen beschikken.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking het geld en de auto’s heeft verduisterd.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1

op meerdere tijdstippen in de periode van 13 april 2016 tot en met 14 april 2016 te Almere, opzettelijk een geldbedrag (in totaal van 72.500 euro), dat geheel toebehoorde aan [benadeelde] en [eenmanszaak] , en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, te weten als boekhouder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2

op meerdere tijdstippen in de periode van 13 april 2016 tot en met 18 april 2016 te Almere, opzettelijk meerdere (personen)auto's, te weten een Volkswagen Polo (kenteken: [kenteken] ) en een Volkswagen Polo (kenteken: [kenteken] ) en een Volkswagen Transporter (kenteken: [kenteken] ), die geheel toebehoorden aan [benadeelde] en [eenmanszaak] , en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had, te weten als boekhouder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feiten 1 en 2, telkens

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft zijn leven op de rit en de laatste veroordeling dateert van 2017. Er is geen sprake van relevante recidive. De advocaat verzoekt verder rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Hij heeft de eenmanszaak en daarmee mevrouw [benadeelde] financieel ernstig benadeeld door binnen een tijdsbestek van een paar dagen meer dan € 72.000 weg te sluizen van de rekening van de eenmanszaak. Hij is op geraffineerde wijze te werk gegaan toen hij merkte dat mevrouw [benadeelde] door kreeg dat hij andere intenties had dan uitsluitend de boekhouding verzorgen voor de eenmanszaak. Nadat mevrouw [benadeelde] de bankpassen van de eenmanszaak geblokkeerd had, heeft de verdachte via online bankieren alsnog het geld weten weg te sluizen naar een rekening van zijn ex-partner. Daarnaast heeft hij ervoor gezorgd dat mevrouw [benadeelde] niet langer de beschikking had over de drie auto’s die zij had aangeschaft voor en op kosten van de eenmanszaak. Naast het toebrengen van financiële schade, heeft de verdachte het in hem gestelde vertrouwen van mevrouw [benadeelde] ernstig beschaamd. De verdachte wil bovendien de bewezen gedragingen vergoelijken en heeft aldus op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de daardoor toegebrachte schade.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 17 april 2025. Hieruit volgt dat de verdachte voor het laatst is veroordeeld in februari 2017. Verder is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, heeft de rechtbank gekeken naar soortgelijke zaken. In beginsel worden in soortgelijke zaken onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. De rechtbank zal daar in deze zaak niet toe overgaan, aangezien sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat de overschrijding van de redelijke termijn deels is veroorzaakt door de zogenaamde artikel 12-procedure, en doordat de verdachte een periode niet te traceren was voor de politie. Wel zal de rechtbank aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, naast een taakstraf. De rechtbank is van oordeel dat dit recht doet aan de ernst van de feiten en de houding van de verdachte ten opzichte van zijn handelen. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de verdachte een voorwaardelijke straf boven zijn hoofd heeft hangen ter voorkoming dat de verdachte opnieuw dergelijke strafbare feiten zal plegen. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie.

Gelet op alles wat hiervoor is benoemd zal de rechtbank aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien de taakstraf niet dan wel niet naar behoren worden uitgevoerd.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en verzoekt de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 85.889,22 voor de feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 83.389,22 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Verduistering van het geldbedrag (feit 1): € 75.500,-

Verduistering van de voertuigen (feit 2): € 6.703,42

Advocaatkosten: € 4.185,80

Na het requisitoir van de officier van justitie heeft de advocaat van de benadeelde partij verzocht om de gevorderde advocaatkosten als proceskosten aan te merken in plaats van als materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing in aanmerking komt met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de wettelijke rente. De officier van justitie is van mening dat de vordering duidelijk is onderbouwd en de gevorderde bedragen redelijk en billijk zijn.

De officier van justitie vordert de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 85.889,22.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt in geval van bewezenverklaring de vordering van de benadeelde partij te matigen.

Ten aanzien van de gevorderde advocaatkosten, genoemd onder de materiële schade, is de advocaat van mening dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van dit deel van de vordering.

De advocaat refereert zich in geval van bewezenverklaring ten aanzien van de gevorderde materiële schade die ziet op de geldbedragen en auto’s aan het oordeel van de rechtbank.

De advocaat verzoekt de gevorderde immateriële-schadevergoeding af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van dit deel van de vordering, in verband met het ontbreken van een nadere onderbouwing van de stelling dat sprake is van geestelijk letsel of aantasting in persoon op andere wijze.

Oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij bestaat uit de volgende schadeposten.

Materiële schade - Verduistering geldbedragen en auto’s

De rechtbank stelt vast dat de schadeposten die zien op de verduistering van de geldbedragen en de auto’s voldoende zijn onderbouwd en niet door de verdediging zijn betwist.

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

Materiële schade – Advocaatkosten

De advocaat van de benadeelde partij heeft na het requisitoir verzocht de gevorderde advocaatkosten aan te merken als proceskosten. Aangezien deze wijziging voor het requisitoir kenbaar had moeten worden gemaakt, zal de rechtbank dit deel van de vordering dienen te beoordelen als materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de advocaatkosten die zien op de artikel 12-procedure kunnen worden toegewezen. Die kosten staan in zodanig nauw verband met de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze kosten als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt. Zonder het voeren van de artikel 12-procedure had onderhavige procedure immers geen doorgang gevonden.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de overig gevorderde advocaatkosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. De gevorderde bedragen zijn niet onderbouwd met een urenspecificatie, waardoor de rechtbank niet kan nagaan welke werkzaamheden zijn verricht en of de hiermee gepaard gaande kosten al dan niet als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt.

Immateriële schade

De rechtbank overweegt dat het gelet op de bewezen verklaarde feiten goed voorstelbaar is dat de benadeelde partij ten gevolge van het handelen van verdachte psychisch letsel heeft opgelopen. De impact van het handelen van de verdachte op de benadeelde partij en de hoogte van het gevorderde bedrag zijn echter onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade derhalve niet-ontvankelijk. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering in onderhavige procedure nader te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Conclusie

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade voor een bedrag van € 80.510,22 toe, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 april 2016 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 80.510,22 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2016 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de overige materiële schade (advocaatkosten) en de gehele immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid feit

Strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;

Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feiten 1 en 2)

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en

mr. drs. S.R. van Breukelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet als griffier

en is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 april 2016 tot

en met 23 juni 2016 te Almere, althans in Nederland, opzettelijk een geldbedrag (in

totaal van 72.500 euro), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde] en/of [eenmanszaak] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit

hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten boekhouder en/of

financieel administratief medewerker, in elk geval anders dan door misdrijf onder

zich had, te weten als boekhouder en/of financieel administratief medewerker, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 2

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 april 2016 tot

en met 23 juni 2016 te Almere, althans in Nederland, opzettelijk meerdere

(personen)auto's (onder andere een Volkswagen Polo (kenteken: [kenteken] ) en/of

een Volkswagen Polo (kenteken: [kenteken] ) en/of een Volkswagen Transporter

(kenteken: [kenteken] )), in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele toebehoorde aan [benadeelde] en/of [eenmanszaak] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit

hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als boekhouder en/of

financieel administratief medewerker, in elk geval anders dan door misdrijf onder

zich had, te weten als boekhouder en/of financieel administratief medewerker, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

1. [benadeelde] heeft volgens een proces-verbaal van aangifte onder meer de volgende verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 8 oktober 2014 besloot ik om een eenmanszaak te beginnen, genaamd [eenmanszaak] , gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] .Kort na de oprichting van mijn eenmanszaak heb ik aan de [verdachte] gevraagd of hij voor mij de boekhouding wilde doen zodat ik mij volledig kon concentreren op de hulpverlenende kant van de zaak.

Op woensdag 20 april 2016 kreeg ik van de medewerkster van de ING te horen dat er drie grote bedragen van mijn rekening zijn overgeschreven op woensdag 13 april 2016 vlak nadat ik van [verdachte] het berichtje kreeg met de vraag waarom de bankpas was geblokkeerd. Ik kreeg te horen dat er een bedrag van vijfentwintigduizend euro was overgemaakt naar de rekening van mevrouw [A] , de ex-vrouw van [verdachte] en twee bedragen van twintigduizend euro. Ik weet wel dat het allemaal naar familie van [verdachte] is overgemaakt. Het gaat dus over een totaal bedrag van vijfenzestigduizend euro.

Op zaterdag 23 april 2016 was ik op het politiebureau om aangifte te doen van deze zaak. Ik heb toen drie kentekennummers aan de verbalisant doorgegeven die op mijn naam stonden en gevraagd of deze nog steeds op mijn naam stonden. Ik kreeg te horen dat deze drie auto's inmiddels waren overgeschreven zonder dat ik daarvoor mijn expliciete toestemming had gegeven. Ik kan u verklaren dat van alle drie de auto's de papieren op het kantoor aan de [adres] te [woonplaats] lagen. Ik kan u verklaren dat ik op donderdag 28 april 2016 via de post drie enveloppen van de belastingdienst ontving waarin ik zag dat de drie auto's inderdaad waren overgeschreven. Ik zag dat mijn Volkswagen Polo met het kentekennummer [kenteken] op 14 april 2016 zonder mijn toestemming was overgeschreven. Ik zag dat mijn Volkswagen Polo met het kentekennummer [kenteken] ook op 14 april 2016 was overgeschreven zonder mijn toestemming. Ik zag dat mijn Volkswagen Transporter met het kentekennummer [kenteken] op 18 april 2016 was overgeschreven zonder mijn toestemming.

2. [benadeelde] heeft volgens een proces-verbaal van verhoor aangeefster onder meer de volgende verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 13 april 2016 om 13:52 uur had ik deze rekening laten blokkeren vanwege dat ik [verdachte] niet meer vertrouwde. In de aangifte die ik heb gedaan heb ik bedragen genoemd die door [verdachte] zijn overgemaakt zonder mijn toestemming. De bedragen betreffen:

o 13 april 2016, twintigduizend (20.000,00)euro naar rekening nummer:

[rekeningnummer] op naam van [A]

Omschrijving: voorschot bouw Suriname resort fase 1, betaling aannemers

o 13 april 2016, twintigduizend (20.000,00)euro naar rekening nummer:

[rekeningnummer] op naam van [A]

Omschrijving: bouw resort Suriname aanbetaling aannemers

o 13 april 2016, vijfentwintigduizend (25.000,00)euro naar rekening nummer:

[rekeningnummer] op naam van [A]

Omschrijving: betaling aannemers bouw resort Suriname fase 2

Ik heb nooit toestemming gegeven om bovenstaande bedrag over te maken naar bovengenoemde bankrekening. Mevrouw [A] speelde geen enkele rol in mijn bedrijf. Ik had alleen kantoor in haar huis.

Ik heb nooit de toestemming gegeven om te starten met een bouw van een resort in Suriname. Dit was voor mij een toekomstdroom. Ik heb geen akte of wat dan ook getekend om deze bouw te starten.

Tevens staat er op het afgegeven afschrift nog een bedrag wat zonder mijn toestemming is overgemaakt naar bovengenoemde bankrekening nummer. Dit is afgeschreven op:

o 14 april 2016, vijfenzeventighonderd (7.500,00) euro naar rekening nummer:

[rekeningnummer] op naam van [A]

Omschrijving: betaling [naam]

Ik heb geen toestemming gegeven om dit bedrag over te maken naar de rekening van [A] .

3. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:

Onderneming: [eenmanszaak]

Rechtsvorm: Eenmanszaak

Startdatum onderneming: 08-10-2014

Werkzame personen: 1

Eigenaar naam: [benadeelde]

Adres: [adres] , [woonplaats]

4. [getuige 1] heeft volgens een proces-verbaal van verhoor onder meer de volgende verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven:

Wat kunt u verklaren over een auto van het merk Volkswagen met kenteken [kenteken] ?

Was dat een Volkswagen Transporter?

Ja.

[verdachte] heeft mij in die periode gevraagd of ik dat busje op mijn naam wilde zetten. Dat was,

volgens mij, in de periode van april 2016. Ik weet wel dat [verdachte] aan mij gevraagd heeft of ik het busje tijdelijk op mijn naam wilde zetten.

5. [getuige 2] heeft volgens een proces-verbaal van verhoor onder meer de volgende verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven:

Er is nog iets gebeurd na het overboeken van het geld. Dat heeft te maken met de drie auto’s van het bedrijf. Kunt u daar iets over zeggen?

[verdachte] heeft gevraagd om twee auto’s op mijn naam te zetten, het waren twee witte Polo’s. Één auto was voor de verpleging, en de andere was voor [A] en [verdachte] . Ik weet er het fijne niet van maar hij vroeg of het op mijn naam kon en dat heb ik gedaan.

6. Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:

Ik deed de boekhouding voor de eenmanszaak [eenmanszaak] . Ik werkte vanuit het kantoor gevestigd op de [adres] in [woonplaats] Ik heb geld overgeboekt vanuit de rekening van de eenmanszaak naar een andere rekening om het geld veilig te stellen, zodat ik schuldeisers van de BV in Suriname kon betalen. Het gaat om een bedrag van in totaal 72.500 euro.

Mevrouw [benadeelde] heeft voor de eenmanszaak de twee Volkswagen Polo’s en de Volkswagen Transporter aangeschaft. De auto’s zijn betaald door mevrouw [benadeelde] met geld vanaf de bankrekening van de eenmanszaak [eenmanszaak] . Ik heb de auto’s laten overschrijven op naam van [getuige 1] en [getuige 2] .

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand