RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5407
(gemachtigde: mr. K. van Driel)
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaarschrift van 30 april 2025 in het kader van de Wet open overheid (Woo).
Op 8 december 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn bezwaarschrift ingediend op 30 april 2025. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken. Dat staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb. Bij brief van 17 juli 2025 heeft verweerder de beslistermijn met zes weken verdaagd. Verweerder had naar eigen zeggen uiterlijk op 28 augustus 2025 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 31 augustus 2025 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken erna, te weten bij 17 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
4. Omdat verweerder nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen, is het beroep gegrond.
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog een besluit moet nemen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. Als de omvang van het verzoek daar aanleiding toe geeft, kan de bestuursrechter, op basis van artikel 8.4, eerste lid, van de Woo, een andere termijn vaststellen.
6. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 8 december 2025 aan dat de afhandeling van het bezwaar vertraging heeft opgelopen door de interne overeenstemming en de dossieroverdracht.
De overschrijding van de beslistermijn is volgens verweerder daarnaast gelegen in onderbezetting van personeel als gevolg van een reorganisatie. Volgens verweerder is het besluit op bezwaar in de afrondende fase en de laatste noodzakelijke afstemmingen moeten nog plaats vinden. Verweerder verzoekt daarom om een termijn van vijf weken na verzending van deze uitspraak.
7. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is ruim een maand verstreken na indiening van het verweerschrift. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beslistermijn vast te stellen op vijf weken na verzending van deze uitspraak. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het vaststellen van een hogere of lagere dwangsom.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder ook het griffierecht van € 194,- aan eiser betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- dat eiser heeft betaald moet betalen;
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
De griffier is buiten staatte ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.