ECLI:NL:RBMNE:2026:203

ECLI:NL:RBMNE:2026:203

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer UTR 24/6620
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Herhaald verzoek om handhaving. De door eiser ingebrachte schets kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Het college heeft het nieuwe handhavingsverzoek van eiser mogen afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. van Gellekom).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen).

Inleiding

Deze procedure is begonnen met een verzoek van eiser van 30 mei 2019 aan het college om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning in de werfkelder van het pand aan de [adres] (het pand) slopen van een dwars- en middenmuur. Deze vergunning was volgens eiser nodig omdat de muren een constructieve functie hadden en met het slopen hiervan dus de constructie van het pand is gewijzigd. Belanghebbende is eigenaar van het pand. Eiser is eigenaar van het naastgelegen pand Oudegracht 228.

Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen. Daar was eiser het niet mee eens en hij heeft hiertegen rechtsmiddelen ingesteld. De afwijzing van het handhavingsverzoek uit 2019 ligt nu in hoger beroep ter beoordeling voor aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Op 17 april 2024 heeft eiser het college opnieuw verzocht handhavend op te treden tegen het zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning uitvoeren van de desbetreffende sloopwerkzaamheden in de kelder van het pand.

Het college heeft dit nieuwe handhavingsverzoek afgewezen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Eiser is het niet een met deze afwijzing en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] , belanghebbende [belanghebbende 1] en de gemachtigde van belanghebbende.

Beoordeling door de rechtbank

Het toetsingskader

2. Als een aanvrager na een afwijzende beschikking een nieuw verzoek om handhaving doet, is hij gehouden bij dit nieuwe verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer bij het nieuwe verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan dit verzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Het geschil

3. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat het verzoek om handhaving van eiser van 17 april 2024 een herhaling is van zijn eerdere verzoek om handhaving van 30 mei 2019. Op dit verzoek heeft het college een afwijzende beschikking genomen.

4. Als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid heeft eiser bij zijn herhaald verzoek verwezen naar een schets met maatvoeringen van de kelder van het pand uit 1995 gemaakt door de heer [B] (de schets van [B] ). Deze schets is eind 2021 uit de archieven van de gemeente bekend geworden.

5. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de schets van [B] inderdaad moet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Volgens eiser is dit wel het geval en dus voert hij aan dat het college zijn nieuwe verzoek niet heeft kunnen afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. Het college stelt zich op het standpunt dat de schets van [B] niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

Is de schets van [B] wel of geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid?

6. De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling of sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid de reden waarom de eerdere aanvraag is geweigerd relevant is.

7. Het college heeft in de eerdere afwijzende beschikking vastgesteld dat de dwars- en middenmuur geen onderdeel uitmaakten van de draagconstructie. Hij heeft dit gedaan op basis van archiefonderzoek, de controle van het pand door de inspecteur van het college op 26 juni 2019 en de bevindingen van een onafhankelijke deskundige die in het kader van een civiele procedure tussen de gemeente en eiser onderzoek heeft gedaan. En dus was voor het verwijderen van de dwars- en middenmuur volgens het college in de afwijzende beschikking geen omgevingsvergunning vereist.

8. De rechtbank is met het college van oordeel dat eiser met de schets van [B] alleen heeft aangetoond dat in 1995 in de kelder van het pand een dwars- en middenmuur aanwezig waren. Maar in het kader van de motivering van de eerdere afwijzende beschikking is niet relevant of de muren aanwezig waren, maar of deze onderdeel uitmaakten van de draagconstructie. Of de muren daarvan deel uitmaakten blijkt niet uit de schets van [B] . En dus kan de schets van [B] naar het oordeel van rechtbank alleen daarom al niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

9. De discussie tussen partijen of het van belang is dat de schets van [B] ook al in de beroepsprocedure tegen de eerdere afwijzende beschikking door eiser is overgelegd, is dan naar het oordeel van de rechtbank verder niet meer relevant.

10. De conclusie van het voorgaande is dat de schets van [B] niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Verder heeft eiser geen nieuw gebleken feiten en of veranderde omstandigheden vermeld. En dus heeft het college naar het oordeel van de rechtbank het nieuwe handhavingsverzoek van eiser mogen afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.

12. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. ing. A. Rademaker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?