RECHTBANK Midden-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2606092:R-RK
Uitspraakdatum: 27 maart 2026
Uitspraak op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet
In de zaak van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
tegen
de besloten vennootschap
Heimstaden Nederland B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
hierna te noemen Heimstaden,
gemachtigde: Swier cs Gerechtsdeurwaarders.
Samenvatting
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening om daarmee de ontruiming van haar woning tegen te gaan. Heimstaden vindt dat de ontruiming moet doorgaan. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoekster] toe.
1. De procedure
Het verloop van de procedure volgt uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
- de zitting van maandag 23 maart 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] , voornoemd;
- [A] , namens Gemeente Woerden.
2. Het verzoek en verweer
[verzoekster] verzoekt de rechtbank om Heimstaden te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 24 december 2025. [verzoekster] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij probeert tot een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers te komen.
Heimstaden stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen. [verzoekster] is meerdere keren in de gelegenheid gesteld om de huurachterstand in te lopen. Ook is zij in de gelegenheid gesteld om een betalingsregeling te treffen, maar deze regeling is [verzoekster] niet nagekomen en de regeling is daardoor komen te vervallen. De huurachterstand is daarna verder opgelopen. Op 15 juli 2025 heeft Heimstaden [verzoekster] gemeld bij de gemeente in het kader van vroegsignalering.
Heimsteden voert hiervoor aan dat niet is gebleken dat er bij [verzoekster] sprake is van een situatie waarvoor een moratorium bedoeld is. Namelijk een adempauze te bieden bij een dreigende executie, waarbij de schuldenaar in staat wordt gesteld een regeling te treffen met haar schuldeisers. De rechtbank kan, volgens Heimstaden, in het geval van [verzoekster] niet beoordelen of er sprake is van een bedreigende situatie, alle schulden te goeder trouw zijn ontstaan, of er een schuldhulpverlener bezig is met schuldhulpverlening, en dat [verzoekster] de lopende huurpenningen kan voldoen. [verzoekster] heeft tot op heden geen concreet voorstel gedaan voor de in te lopen huurachterstand en de lopende verplichtingen worden niet voldaan.
3. De beoordeling
De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw strekt ertoe om een adempauze te creëren die schuldenaren in staat stelt het minnelijk traject voort te zetten om met hun schuldeisers een regeling te bereiken of af te ronden. Voor het geven van de voorziening is van belang dat er zicht is op een mogelijke schuldregeling en dat de lopende verplichtingen gedurende de adempauze kunnen worden voldaan.
De rechtbank moet beoordelen of de lopende verplichtingen gedurende de voorziening kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verzoekschrift en de informatie die de schuldhulpverlener op zitting heeft gegeven blijkt dat [verzoekster] in staat is de huur te voldoen. Zij werkt 28 uur en door huurtoeslag en stijging van het salaris is het betalen van de huur mogelijk. [verzoekster] heeft de huur op 28 januari 2026 en op 10 maart 2026 betaald.
[verzoekster] heeft er belang bij om gedurende een schuldhulpverleningstraject in de woning te mogen blijven. Dit belang dient de schuldsanering en daarmee ook het belang van haar andere schuldeisers. Deze belangen wegen zwaarder dan het belang van Heimstaden om de woning vanwege de huidige huurachterstand te mogen ontruimen.
Door de toewijzing van het verzoek is Heimstaden de komende zes maanden niet bevoegd om de door [verzoekster] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur over de aankomende zes maanden door [verzoekster] steeds tijdig wordt voldaan. Als [verzoekster] hier niet aan voldoet, kan Heimstaden de ontruiming opnieuw aanzeggen.
Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.
Als [verzoekster] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers tot stand brengt, moet zij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.
4. De beslissing
De rechtbank:
schorst de tenuitvoerlegging van het op 24 december 2025 door de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek verschuldigde huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan;
bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden;
bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
bepaalt dat de heer [A] , die namens [verzoekster] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit is de beslissing van mr. P.J. Neijt, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.