[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E.H.E.A. van Gestel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. J.E.A. Egers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag van verzoeker. Verzoeker heeft de VOG (verklaring omtrent gedrag) aangevraagd omdat hij in Canada wil werken als vrachtwagenchauffeur.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 3 oktober 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Bij een verzoek om voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase beoordeelt de voorzieningenrechter of er in afwachting van de beslissing op bezwaar een voorziening moet worden getroffen. Daarbij beoordeelt zij eerst of het verzoek spoedeisend is. Als dat het geval is, geeft zij een voorlopige beoordeling van het besluit en weegt zij de belangen tegen elkaar af. Hoe groter de kans dat het besluit in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij de belangenafweging is voor de belangen van verzoeker.
Is er een spoedeisend belang?
3. Verzoeker voert aan dat hij door de afwijzing van zijn VOG-aanvraag werk in Canada misloopt, terwijl hij schulden heeft en in financiële nood verkeert. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat, hoewel het duidelijk is dat verzoeker weinig inkomen heeft en schulden maakt, hij in staat is om in zijn basisbehoeften te voorzien.
4. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig. Verzoeker heeft op de zitting laten zien dat hij ongeveer €100 op zijn rekeningen heeft staan, dat hij geen substantiële inkomsten heeft en dat hij schulden heeft van meer dan €50.000. Het verlies van inkomen kan hem daarom in financiële nood brengen, terwijl de beslissing op bezwaar nog zeker enkele weken op zich laat wachten.
Kan het besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in stand blijven?
5. De beoordeling van een VOG-aanvraag bestaat uit twee onderdelen: het objectieve criterium en het subjectieve criterium. Bij het objectieve criterium wordt beoordeeld of feiten die in de justitiële documentatie staan bij herhaling bij de uitvoering van de activiteit waar de VOG voor wordt aangevraagd risico’s opleveren voor de samenleving. Bij het subjectieve criterium worden de belangen van de aanvrager en de belangen van de samenleving tegen elkaar afgewogen, om te beoordelen of er ondanks die risico’s toch een VOG kan worden verleend.
6. Verzoeker refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor zover het betreft de vraag of de aangetroffen justitiële gegevens met betrekking tot een gewelds- en zedendelict, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden waarvoor de VOG is aangevraagd. Tijdens de zitting werd duidelijk dat de feiten uit de periode 1989 tot en met 1993 alleen bij het subjectieve criterium zijn meegenomen door de staatssecretaris. De voorzieningenrechter zal bij de bespreking van het objectieve criterium daarom deze twee feiten niet meenemen.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er aan het objectieve criterium is voldaan. Het gaat om een veroordeling voor mensenhandel en prostitutie van minderjarigen in de jaren 2005 en 2006 en een verdenking van huiselijk geweld en onttrekking van minderjarigen aan het wettelijk gezag in 2025. Deze feiten leveren bij herhaling een risico op voor de samenleving, zeker gelet op de aard van de werkzaamheden waar verzoeker de VOG voor aanvraagt.
8. Verzoeker stelt geen antecedenten te hebben voor geweldsdelicten, maar wel een openstaande strafzaak wegens onttrekking aan het gezag van vijf kinderen en vermeende mishandeling. De rechter-commissaris oordeelde in die strafzaak met betrekking tot voorlopige hechtenis dat er geen ernstige bezwaren aanwezig zijn met betrekking tot de mishandeling, de voorlopige hechtenis betrof alleen de onttrekking aan het gezag. Verzoeker betwist de toepassing van het verscherpte toetsingskader vanwege een veroordeling uit 2006 voor mensenhandel en prostitutie van minderjarigen. Wat hem betreft is er geen risico op herhaling, omdat hij als vrachtwagenchauffeur in Canada zal werken, zonder dat er sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Er is ook geen risico op onttrekking van zijn kinderen aan het wettelijk gezag, omdat zij inmiddels in het buitenland (niet in Canada) wonen. Hij wijst erop dat de veroordeling 19 jaar geleden was, hij geen vergelijkbare strafbare feiten heeft gepleegd, en zijn straf volledig heeft ondergaan. Hij acht het risico op recidive verwaarloosbaar en vindt een VOG-weigering een onevenredige inbreuk, gezien de tijdsverloop en zijn persoonlijke ontwikkeling. Verzoeker heeft in voorgaande jaren steeds een VOG ontvangen voor Canadese visumaanvragen. Hij benadrukt zijn rol als kostwinner en stelt dat hij zonder VOG niet naar Canada kan afreizen. Verzoeker betoogt ook dat de feiten uit 1989 en 1993 ten onrechte zijn betrokken, aangezien beide feiten zijn geseponeerd: het feit uit 1989 wegens onvoldoende bewijs en het feit uit 1993 met een schriftelijke waarschuwing. Beide feiten zijn meer dan 22 jaar oud en betreffen lichte strafbare feiten. Hij vindt dat hieraan geen gewicht meer toegekend moet worden.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het subjectieve criterium te summier is gemotiveerd in het besluit, maar zij is op basis van het dossier en wat verweerder op de zitting heeft toegelicht van oordeel dat dit motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld.
10. De feiten uit 2005 en 2006, mensenhandel en prostitutie van minderjarigen, zijn ernstig en hoewel ze lang in het verleden liggen, wegen ze juist in combinatie met het werk van verzoeker als vrachtwagenchauffeur in het buitenland zwaar. Ondanks het gegeven dat de rechter-commissaris in 2025 over de mishandeling heeft aangegeven dat er geen ernstige bezwaren zijn, blijft dit feit relevant. Het feit dat verzoeker voor de feiten uit 2025 in preventieve voorlopige hechtenis heeft gezeten, mag ook worden meegewogen. Het feit uit 1989 mag niet worden meegewogen en het feit uit 1993 slechts zeer beperkt, aangezien het minder duidelijk gelinkt is aan de functie die verzoeker wil uitoefenen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er, ook zonder deze feiten uit 1989 en 1993, voldoende grondslag is voor het besluit.
11. Het belang van de maatschappij weegt dus zwaar. Daartegenover heeft verzoeker de financiële gevolgen benoemd die de afwijzing van zijn VOG-aanvraag heeft voor zijn vaste lasten en de kans dat hij zijn huis en auto zal verliezen. Hij stelt dat hij dit werk al lange tijd doet en dat het met zijn opleiding moeilijk is om ander werk te vinden, en hij vraagt zich af of hij überhaupt een VOG kan krijgen voor ander werk. Verweerder stelt dat verzoeker wel ander werk kan vinden.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de staatssecretaris het maatschappelijke belang zwaarder mag laten wegen, maar de belangenafweging moet door de staatssecretaris nog wel duidelijker worden uitgewerkt. De voorzieningenrechter begrijpt dat de gevolgen voor verzoeker groot zijn, maar de staatssecretaris mag besluiten dat die gevolgen niet opwegen tegen het maatschappelijk belang. Het gegeven dat er in het verleden wel VOG’s zijn afgegeven verandert daar niets aan. De staatssecretaris is daaraan niet gebonden en kan een nieuwe belangenafweging maken.
13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het besluit, met aanvulling van de motivering, in stand blijven.
Belangenafweging
14. Gezien het voorlopig oordeel ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor de belangen van verzoeker bij het treffen van de voorlopige voorziening is dan namelijk weinig ruimte.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
16. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026 door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: