ECLI:NL:RBMNE:2026:2072

ECLI:NL:RBMNE:2026:2072

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer C/16/598797 / BE ZA 25-49
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Erfrecht, verdeling van de nalatenschap. Geschil over welke posten aangemerkt moeten worden als schuld van de nalatenschap.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Bureau Erfrecht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/598797 / BE ZA 25-49

Vonnis van 25 maart 2026

in de zaak van

1. DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA BEWINDVOERING & BUDGETBEHEER DUURSTEDE VOF, in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [onderbewindgestelde] , in haar hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] ,

woonplaats kiezende te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [onderbewindgestelde]

advocaat: mr. D. van de Lockant-Geschiere,

tegen

1. [gedaagde sub 1] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,3. [gedaagde sub 3],

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen [gedaagde sub 3] ,

gedaagde partijen,

advocaat: mr. M.H. van den Berg.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 10;- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 7;

- de akte overlegging productie 11 van [onderbewindgestelde] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Partijen zijn in persoon verschenen en bijgestaan door hun advocaat. De advocaat van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] heeft op schrift gestelde spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Ten slotte is vonnis bepaald.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op [datum] 2024 is [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster is de moeder van partijen. Erflaatster was ten tijde van haar overlijden ongehuwd en niet geregistreerd als partner. Erflaatster heeft geen testament, waardoor het wettelijke versterferfrecht van toepassing is. Partijen zijn ieder voor 1/4e deel gerechtigd tot de nalatenschap. Namens [onderbewindgestelde] is de nalatenschap beneficiair aanvaard, waardoor de erfgenamen de nalatenschap gezamenlijk dienen te vereffenen. De overige erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Tussen partijen is een geschil ontstaan over welke posten aangemerkt moeten worden als schuld van de nalatenschap.

3. Het geschil

[onderbewindgestelde] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de nalatenschap van erflaatster bestaat uit de bestanddelen zoals weergegeven onder randnummer 8 van de dagvaarding, met uitzondering van de lening van €8.500,-- van de heer [A] , voor recht verklaart dat voornoemde lening geen schuld van de nalatenschap is en voor recht verklaart dat de vordering van de nalatenschap op [gedaagde sub 1] , dan wel op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] € 24.100,-- bedraagt,

II. de (wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflaatster als volgt vaststelt:

a. primair: alle activa toe te delen aan [gedaagde sub 1] , dan wel tevens aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , onder de verplichting alle schulden van de nalatenschap als eigen schuld te voldoen, onder vrijwaring van [onderbewindgestelde] , en [gedaagde sub 1] dan wel tevens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten wegens overbedeling eveneens te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.717,18 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum overlijden, dan wel vanaf 2 juli 2025, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der volledige betaling aan [onderbewindgestelde] binnen twee weken na de datum van het ten dezen te wijzen vonnis, dan wel na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, dan wel een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie juist oordeelt, een en ander onder opheffing van voornoemde ervenrekening binnen twee weken na de datum van het ten dezen te wijzen vonnis, dan wel na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan het ten dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van de vereiste handtekeningen van gedaagden of van een van hen terzake de opheffing van de ervenrekening en alle daartoe vereiste handelingen;

b. subsidiair: [gedaagde sub 1] , dan wel tevens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten te veroordelen tot overboeking c.q. betaling van een bedrag van € 24.100,= binnen twee weken na de datum van het ten dezen te wijzen vonnis, dan wel na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan de nalatenschap middels storting op de erven ING bankrekeningnummer [rekeningnummer] en vervolgens alle medewerking te verlenen aan de uitbetaling van het aan [onderbewindgestelde] toekomende bedrag van € 8.717,18 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum overlijden, dan wel vanaf 2 juli 2025, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der volledige betaling, dan wel aan het door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, middels overboeking van dit bedrag van de ervenrekening naar een door [onderbewindgestelde] aan te geven bankrekening, onder opheffing van voornoemde ervenrekening; dit alles binnen twee weken na de datum van het ten dezen te wijzen vonnis, dan wel na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag dan wel deel van de dag dat [gedaagde sub 1] , dan wel tevens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in gebreke blijven geheel dan wel gedeeltelijk in gebreke blijven hieraan te voldoen, dan wel subsidiair bij gebreke waarvan het ten dezen te wijzen vonnis in de plaats treedt van de vereiste handtekeningen van gedaagden of van een van hen terzake voornoemde betaling aan [onderbewindgestelde] , de opheffing van de ervenrekening en alle overige vereiste handelingen;

c. meer subsidiair: De wijze van verdeling c.q. de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast te stellen naar billijkheid in goede justitie door uw Rechtbank te bepalen;

III. Kosten rechtens.

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [onderbewindgestelde] en hem te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Lening van € 8.500,-- is geen schuld van de nalatenschap

[onderbewindgestelde] betwist dat sprake is van een openstaande lening. Voor zover al sprake zou zijn geweest van een lening, betreft dit volgens hem een lening van [A] (bonusvader van partijen), aan zijn zoon [B] . Die rechtsverhouding raakt de nalatenschap van erflaatster niet. Gedaagden stellen dat [A] geld heeft geleend aan [B] en dat deze lening nooit is terugbetaald. Erflaatster zou zich moreel verplicht hebben gevoeld deze lening bij haar overlijden te voldoen en daarom hebben gedaagden deze lening als schuld van de nalatenschap opgenomen. Volgens gedaagden is sprake van een natuurlijke verbintenis.

De rechtbank overweegt dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake was van een schuld van erflaatster of haar nalatenschap. De gestelde lening zou zijn verstrekt door [A] aan [B] , niet aan erflaatster. Daarmee ontbreekt een rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de nalatenschap. Voor zover gedaagden zich beroepen op een natuurlijke verbintenis, geldt dat het bestaan van de lening zelf gemotiveerd is betwist en niet met stukken is onderbouwd. Evenmin zijn concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat erflaatster zich moreel verplicht voelde om deze schuld te voldoen. De rechtbank concludeert dan ook dat de betaling van € 8.500,-- ten onrechte ten laste van de nalatenschap is gebracht. Dit bedrag vormt geen schuld van de nalatenschap.

De contante opnames van € 24.100,--

Vaststaat dat in de periode van 4 januari 2024 tot en met 11 mei 2024 in totaal € 24.100,-- contant is opgenomen van de bankrekening van erflaatster. [onderbewindgestelde] stelt dat deze opnames niet passen binnen het uitgavenpatroon van erflaatster, dat zij haar financiën niet meer zelfstandig kon beheren en dat [gedaagde sub 1] beschikte over een bankpas. Volgens hem is sprake van een onrechtmatige daad, dan wel ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling.

Gedaagden betwisten dat erflaatster haar financiën niet zelf kon beheren. Zij verwijzen naar een verklaring van een verpleegkundige waaruit volgt dat erflaatster mentaal in orde was en een sterke eigen wil had. Volgens gedaagden pinde erflaatster zelf. [gedaagde sub 1] had slechts een gemachtigde pas en pinde incidenteel op verzoek van erflaatster. Gedaagden betwisten dat zij verplicht zijn rekening en verantwoording af te leggen, nu geen rechtsverhouding bestond die daartoe verplichtte.

De rechtbank overweegt dat op [onderbewindgestelde] de stelplicht en bewijslast rust van zijn stelling dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld of zich ongerechtvaardigd hebben verrijkt dan wel dat er sprake is van onverschuldigde betaling. Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat erflaatster wilsonbekwaam was of dat zij het beheer niet zelf voerde. [onderbewindgestelde] heeft geen medische stukken of andere stukken overgelegd waaruit volgt dat erflaatster haar financiën niet meer zelfstandig kon beheren. Dat [gedaagde sub 1] beschikte over een gemachtigde pas is onvoldoende om te concluderen dat zij het beheer voerde of misbruik heeft gemaakt van de situatie.

De enkele omstandigheid dat sprake is van contante opnames rechtvaardigt niet zonder nadere onderbouwing de conclusie dat deze onrechtmatig zijn geweest dan wel dat er sprake is van onverschuldigde betaling. [onderbewindgestelde] heeft onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit volgt dat de opnames niet ten behoeve van erflaatster zijn gedaan. De rechtbank komt daarom niet toe aan omkering van de bewijslast. Van een verplichting tot rekening en verantwoording is onder deze omstandigheden niet gebleken. De contante pinopnames van € 24.100,-- behoren dan ook niet tot de nalatenschap van erflaatster.

De uitvaartkosten

Tussen partijen is in geschil welke posten als uitvaartkosten ten laste van de nalatenschap dienen te komen. De rechtbank stelt voorop dat kosten van lijkbezorging schulden van de nalatenschap zijn voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene en passen binnen haar financiële, culturele en sociale achtergrond. Daarbij geldt dat niet iedere na het overlijden gemaakte uitgave zonder meer als zodanig kwalificeert; doorslaggevend is of de kosten in redelijkheid samenhangen met de uitvaart en het afscheid.

Grafkosten / BGHU ad € 977,--

Gedaagden hebben een bedrag van € 977,-- opgevoerd als grafkosten, welk bedrag volgens hen via een afschrijving aan de BGHU is voldaan. [onderbewindgestelde] heeft deze post betwist voor zover onduidelijk is wat de aard van de betaling is geweest. Nu partijen het erover eens zijn dat deze post betrekking heeft op grafkosten van erflaatster en de betaling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, bestaat er tussen partijen geen discussie meer over deze post.

Kosten thuis afscheid nemen ad € 1.000,--

Ten aanzien van de kosten van € 1.000,-- voor het thuis afscheid nemen van erflaatster overweegt de rechtbank als volgt. Het is aannemelijk dat aan een thuisopbaring en het faciliteren van een afscheid in de woning kosten zijn verbonden. Dergelijke kosten kunnen in beginsel als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt. Gedaagden hebben echter nagelaten deze post met enige specificatie, factuur of berekening te onderbouwen. Hoewel de rechtbank niet uitsluit dat kosten zijn gemaakt, had het op de weg van gedaagden gelegen om ten minste globaal inzicht te geven in de aard en omvang daarvan. Nu iedere onderbouwing ontbreekt, acht de rechtbank deze post onvoldoende komen vast te staan. Deze post van € 1.000,-- zal de rechtbank daarom niet ten laste van de nalatenschap brengen.

Uit eten na het afscheid ad € 803,20

Gedaagden hebben een bedrag van € 803,20 opgevoerd voor een gezamenlijke bijeenkomst van de familie na de crematie. [onderbewindgestelde] heeft deze post betwist. De rechtbank is van oordeel dat een eenvoudige condoleancebijeenkomst of samenzijn na afloop van de uitvaart, waarbij familie en naasten gezamenlijk afscheid nemen, naar huidige maatschappelijke opvattingen onderdeel uitmaken van de uitvaartplechtigheid. Gelet op de omvang van het bedrag en de aard van de familieverhoudingen acht de rechtbank deze kosten niet bovenmatig. De post van € 803,20 zal daarom als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt en ten laste van de nalatenschap worden gebracht.

Verlengen grafrechten ad € 2.000,--

Gedaagden hebben voorts een bedrag van € 2.000,-- opgevoerd in verband met het (voorgenomen) verlengen van grafrechten van het graf van erflaatster. De grafrechten zouden op korte termijn verlopen. Vaststaat dat deze kosten nog niet zijn gemaakt. De rechtbank overweegt dat het verlengen van grafrechten een keuze betreft van de nabestaanden voor de toekomst. Het betreft geen kosten die noodzakelijk samenhangen met de kosten van lijkbezorging zelf. Indien (een deel van) de erfgenamen tot verlenging wenst over te gaan, staat het hen vrij deze kosten voor eigen rekening te nemen. De rechtbank zal deze post dan ook niet in de verdeling van de nalatenschap betrekken.

Welke posten komen voor rekening van de nalatenschap?

Tussen partijen bestaat geen discussie over de volgende uitvaartkosten:

- Factuur Monuta

€ 9.043,00

- Rouwwerk

€ 600,00

- Kosten begraafplaats

€ 977,00

- Kosten begraafplaats

€ 234,00

- Factuur Steenhouwerij Lantaarn

€ 130,00

- Gedenksteen

€ 2.211,50

Naast bovenstaande kosten behoren de kosten van het uit eten na het afscheid van erflaatster ad € 803,20 ook tot de uitvaartkosten. Het totaal van de uitvaartkosten komt hiermee uit op € 13.998,70.

De verdeling van de nalatenschap

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdeling van de nalatenschap als volgt vaststellen:

Activa

Saldo ING-rekening

€ 14.217,94

Nabetaling pensioen

€ 334,77

Teruggave BGHU

€ 219,36

Inboedel

€ 0,00

Uitkering uitvaartverzekering

€ 11.393,21 +

Totaal

€ 26.165,28

Passiva

Uitvaartkosten

- Factuur Monuta

€ 9.043,00

- Rouwwerk

€ 600,00

- Kosten begraafplaats

€ 977,00

- Kosten begraafplaats

€ 234,00

- Factuur Steenhouwerij Lantaarn

€ 130,00

- Gedenksteen

€ 2.211,50

- Eten na afscheid

€ 803,20

Afschrijving BGHU

€ 977,00

Huur bestelbus

€ 359,19

Totaal

€ 15.334,89

Omvang nalatenschap

€ 10.830,39

Per erfgenaam

€ 2.707, 59

Het erfdeel van [onderbewindgestelde] bedraagt € 2.707,59. [onderbewindgestelde] heeft al een voorschot ad € 589,51 ontvangen. Dit betekent dat [onderbewindgestelde] nog € 2.118,08 toekomt. Gedaagden hebben de ervenrekening op 25 april 2025 opgeheven. De rechtbank zal gedaagden daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling van het restant van het erfdeel van [onderbewindgestelde] .

De wettelijke rente

De rechtbank zal de verzochte wettelijke rente toewijzen vanaf 2 juli 2025. Namens [onderbewindgestelde] is namelijk op 17 juni 2025 een sommatie gestuurd waar gedaagden werd opgedragen om binnen veertien dagen over te gaan betaling van de vordering.

Dwangsom

Gelet op het verloop van de zitting en de houding van partijen acht de rechtbank een dwangsom niet noodzakelijk. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom daarom afwijzen.

Proceskosten

Er is sprake van familieverhoudingen. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat proceskosten in familieverhoudingen worden gecompenseerd. Daarom zal de rechtbank de kosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat de lening van € 8.500,-- van de heer [A] geen schuld van de nalatenschap is;

stelt de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast als overwogen in rechtsoverweging 4.8,

veroordeelt gedaagden c.s. hoofdelijk, des de één betalende, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van € 2.118,08 aan [onderbewindgestelde] , vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 juli 2025, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Elferink en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand