RECHTBANK Midden-Nederland
Afdeling Toezicht
Locatie Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2604785:R-RK
Vonnis van donderdag 9 april 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , ( [postcode] ) [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
1. Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
2. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 8 april 2026. Op de zitting zijn
verschenen:
- de heer [verzoeker] , voornoemd;
- de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener.
3. De beoordeling
Het verzoek van [verzoeker] voldoet aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van
de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De Faillissementswet bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis. Er kan een eerdere ingangsdatum worden bepaald als [verzoeker] heeft voldaan aan de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande minnelijk traject. Deze verplichtingen zijn dat hij maximaal heeft afgelost op zijn schulden en dat hij zich hiervoor heeft ingespannen. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar fulltime werk.
[verzoeker] is zijn verplichtingen nagekomen. Hij heeft gespaard voor zijn schuldeisers en voldaan aan zijn inspanningsplicht door fulltime te werken. [verzoeker] heeft gevraagd 9 juli 2025 te hanteren als eerdere ingangsdatum.
De rechtbank ziet aanleiding om een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te hanteren. Vanaf 9 juli 2025 heeft [verzoeker] zich voldoende ingespannen om zoveel mogelijk aan zijn schuldeisers te betalen. Tegelijkertijd is er reden om de looptijd van de regeling te verlengen op grond van artikel 349a Fw. Dit artikel maakt het mogelijk de termijn te verlengen tot maximaal drieënhalf jaar, wanneer de aard en omvang van de schulden dit rechtvaardigt.
De reden voor verlenging is dat [verzoeker] niet volledig te goeder trouw is geweest bij het onbetaald laten van zijn schulden. Bij dit oordeel neemt de rechtbank alle omstandigheden mee, zoals de aard en omvang van de schulden, het moment waarop ze zijn ontstaan, in hoeverre [verzoeker] daarvoor verwijtbaar is en zijn gedrag met betrekking tot het voldoen van de schulden of het frustreren van verhaal door schuldeisers.
[verzoeker] heeft een totale schuldenlast van ruim € 6 miljoen, waarvan een groot deel is ontstaan tussen 2012 en 2015. Een belangrijke schuld van ongeveer € 4 miljoen betreft een rekening-courant met het bedrijf dat [verzoeker] destijds verkocht. Op basis van de verklaringen van [verzoeker] en de overgelegde stukken acht de rechtbank aannemelijk dat hij ten aanzien van het ontstaan van deze schulden te goeder trouw is geweest.
Ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden is [verzoeker] echter niet te goeder trouw geweest. Hij is in 2015 naar Zwitserland vertrokken en keerde pas in 2025 terug naar Nederland. Gedurende die periode konden schuldeisers slechts beslag leggen op een uitkering die hij vanuit Nederland ontving, maar verder verhaal was niet mogelijk. De aflossingen die [verzoeker] sinds 9 juli 2025 verricht, wegen niet op tegen de lange periode dat hij zijn schulden onbetaald heeft gelaten.
Daarnaast heeft [verzoeker] aanvankelijk ter zitting verklaard in Zwitserland niets te hebben ondernomen en vooral “veel te hebben gewandeld”. De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juni 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:2245). Uit het vonnis blijkt dat [verzoeker] betrokken was bij een oplichtingszaak. Hij heeft in Zwitserland samen met anderen een investeringsproject gepromoot, waarbij een slachtoffer $185.000 betaalde om een vermeende schuld aan de Zuid-Afrikaanse belastingdienst te voldoen, met de belofte dat daarmee $18,5 miljoen vrijkwam. Dit bleek onwaar en [verzoeker] is veroordeeld tot terugbetaling. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] , na confrontatie met deze uitspraak, toegegeven een fout te hebben gemaakt en met verkeerde mensen in aanraking te zijn gekomen. In zijn voordeel weegt dat later een regeling met het slachtoffer is getroffen en deze schuld niet meer op de schuldenlijst staat. Toch wegen deze feiten mee bij het oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest.
Gelet op al het voorgaande, stelt de rechtbank de termijn van de schuldsaneringsregeling conform het wettelijk uitgangspunt vast op 18 maanden.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te
rekenen van de dag van de uitspraak;
benoemt tot rechter-commissaris mr. R.W.J. van Veen;
benoemt tot bewindvoerder B.L. Menting, Postbus 10058, 1301AB Almere;
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de
schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Dit is de beslissing van mr. P.J. Neijt, rechter, in samenwerking met mr. W.J. van der Lugt, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.