RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-027473-25; 16-348145-24 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] in [plaats 1] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting PI [locatie] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 14 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Feit 1:
primair: in de periode van 1 november 2022 t/m 21 december 2024 te Houten en/of Nieuwegein aan zijn levensgezel, [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gat in het trommelvlies en/of gehoorverlies heeft toegebracht door:- haar tegen het hoofd te slaan; - haar met haar hoofd tegen de ruit te slaan;- op haar hoofd te staan.
subsidiair: in de periode van 1 november 2022 t/m 21 december 2024 te Houten en/of Nieuwegein met voornoemde handelingen heeft geprobeerd zijn levensgezel [slachtoffer] zwaar te mishandelen.
Feit 2:
primair: op 21 december 2024 in Houten met [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten:het brengen van zijn penis in haar mond;
het brengen van zijn penis in haar vagina,
terwijl hij wist dat bij [slachtoffer] de wil daartoe ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door geweld, door haar:- te duwen;- aan haar haren te trekken;- op de grond te gooien;- met haar hoofd tegen de muur te gooien;- te slaan.
subsidiair: op 21 december 2024 in Houten met [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten:het brengen van zijn penis in haar mond;
het houden van zijn penis in haar vagina,terwijl hij wist of ernstig had moeten vermoeden dat bij [slachtoffer] de wil daartoe ontbrak.
Feit 3: in de periode van 1 november 2022 t/m 21 december 2024 te Houten en/of Nieuwegein zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door:- tegen haar hoofd te slaan;- in haar gezicht te knijpen;- tegen haar lichaam te slaan en/of te schoppen;- haar bij haar keel te grijpen;- aan haar haren te trekken;
- haar met haar hoofd tegen de ruit te slaan;- op haar hoofd te gaan staan;- haar te bedreigen haar te vermoorden en/of met een schaar en vervolgens de woorden te doen toekomen: 'Je bent niet de eerste die kort haar door mij heeft gekregen' en/of haar te bedreigen met een mes en/of waardoor opzettelijk haar gezondheid werd benadeeld. .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en komt tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 opgenomen beschuldiging. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2 en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3 voor zover het – kort samengevat – om niet fysieke handelingen of woordelijke bedreigingen gaat, maar hoogstens om een vorm van psychische mishandeling. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Het slachtoffer en de verdachte hebben een aantal jaren een liefdesrelatie gehad, zo ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Op 24 december 2024 komen bij de politie twee meldingen binnen van vriendinnen van het slachtoffer. Zij maken zich zorgen om het slachtoffer en hebben het vermoeden dat het slachtoffer al langere tijd wordt mishandeld door haar partner. Hierop gaat de politie samen met Veilig Thuis op 24 december 2024 met het slachtoffer op haar werk in gesprek. Het slachtoffer wil dan niet direct mee naar een opvanglocatie en gaat terug naar huis. De volgende dag gaat zij weer naar haar werk toe. Aan het einde van die werkdag gaat ze mee naar het huis van een collega, waar zij een aantal dagen verblijft. Op 26 december 2024 doet het slachtoffer aangifte van meerdere (ernstige) mishandelingen, bedreigingen en gedwongen seks binnen de relatie. De verdachte heeft de beschuldigingen ontkend. Hij heeft zowel bij de politie als op zitting verklaard het slachtoffer nooit fysiek te hebben mishandeld, nooit te hebben bedreigd en nooit seks tegen haar wil met haar te hebben gehad.
Verklaringen van het slachtoffer
Het slachtoffer heeft op 26 december 2024, 2 januari 2025, 22 januari 2025 en 20 februari 2025 tegenover verschillende ambtenaren verklaringen afgelegd.
Op 26 december 2024 verklaart het slachtoffer over drie specifieke momenten waarop mishandelingen hebben plaatsgevonden: in november 2022, eind 2023 en op 21 december 2024.
Over november 2022 verklaart het slachtoffer dat de verdachte haar langdurig heeft mishandeld omdat zij was vreemdgaan. De verdachte heeft haar met de auto meegenomen, en is op verschillende plekken (bij/langs het Amsterdam Rijnkanaal) gestopt en heeft haar daar telkens bedreigd, tegen haar gezicht geslagen en aan haar haren getrokken. Ook is hij eenmaal met een voet op haar hoofd gaan staan. In de auto heeft hij haar hoofd hard tegen het glas geduwd. Ze had nadien een grote kale plek op haar hoofd, haar haar viel uit tijdens het borstelen, en haar gezicht was helemaal opgeblazen. Ze heeft zich langere tijd ziekgemeld op het werk en privé afspraken afgezegd en afgehouden met het verhaal dat ze corona had.
Over eind 2023 verklaart het slachtoffer dat zij in haar woning was, dat de verdachte haar naar achter duwde, zij over haar gitaar op de grond viel en haar vervolgens bij de keel greep en die dichtkneep.
Over 21 december 2024 verklaart het slachtoffer dat de aanleiding van de mishandelingen was dat zij de verdachte beschuldigde dat hij was vreemdgegaan. De verdachte werd boos. Zij mocht de woning van de verdachte niet verlaten. Hij deed de woning op slot, pakte haar bij de haren en sleurde haar naar de grond. Hij kneep en duwde heel hard met zijn hand in haar gezicht terwijl ze op de grond lag en hij haar met zijn knie op haar lichaam in bedwang hield. Hij pakte een schaar en dreigde haar haren af te knippen. Uit de keukenla pakte hij een keukenmes en hield die voor haar gezicht, en dwong haar haar beschuldiging over vreemdgaan terug te nemen. Zij voelde een knak in haar rug toen zij door hem van de bank afviel. Op dat moment was ook de zoon van de verdachte in de woning aanwezig. Na door hem te zijn mishandeld moest het slachtoffer de verdachte meermalen pijpen en seks met hem hebben.
Op 2 januari 2025 en 20 februari 2025 verklaart het slachtoffer nogmaals over de gebeurtenissen van 21 december 2024. Tijdens het verhoor van 22 januari 2025 verklaart het slachtoffer niet specifiek over de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer
In zaken waar alleen het slachtoffer en de verdachte aanwezig zijn bij de handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd, moet de rechtbank in de eerste plaats nagaan of de verklaring van het slachtoffer op zichzelf voldoende betrouwbaar is. Alleen in dat geval kan de rechtbank namelijk die verklaring voor het bewijs gebruiken. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen kijkt de rechtbank onder andere naar de consistentie, de gedetailleerdheid en de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen (de authenticiteit).
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en dat deze kan worden gebruikt voor het bewijs. De advocaat stelt dat het slachtoffer zich bij haar verklaringen heeft laten leiden door de politie en Veilig Thuis die haar hebben voorgehouden dat zij in een onveilige situatie verkeerde. Haar ervaringen en gevoelens zijn gekleurd geweest door onvrede over de relatie met de verdachte en de kennis die zij onverwacht opdeed over een andere bedreigingszaak waarin de verdachte zich moest verantwoorden. Daarnaast stelt de advocaat dat de verklaringen van het slachtoffer inconsistenties bevatten, die de betrouwbaarheid van haar verklaringen raken.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer voldoende gedetailleerd en consistent zijn. Het slachtoffer heeft vier keer een verklaring afgelegd en het is daarom niet onbegrijpelijk dat de verklaringen kleine verschillen bevatten. Over de grote lijnen verklaart het slachtoffer telkens gedetailleerd, helder en consistent. Daarnaast hecht de rechtbank, bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer, grote waarde aan de door de politie beschreven (emotionele) toestand van het slachtoffer. De verbalisant die op 26 december 2024 de aangifte opneemt van het slachtoffer ziet dat het slachtoffer voorafgaand aan dat verhoor erg zenuwachtig is en dat haar vingers trillen. Zij hoort het slachtoffer meermalen herhalen dat ze bang is dat de verdachte haar zal vermoorden en ziet dat het slachtoffer daarbij moet huilen. De waargenomen angst en emotie bij het slachtoffer dragen bij aan de geloofwaardigheid van haar verklaring. Dat er ook andere aspecten van de relatie met de verdachte hebben meegespeeld (onvrede, informatie over een andere bedreigingszaak) in haar beslissing om uit de relatie te stappen en mogelijk ook in de uiting van deze emoties doet daar niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat de eerste verklaring van het slachtoffer, van 26 december 2024, het meest authentiek is. Deze verklaring heeft het slachtoffer afgelegd kort nadat de politie en Veilig Thuis haar op 24 december 2024 op haar werk hadden bezocht.
Dat het slachtoffer consistent heeft verklaard over de mishandelingen ziet de rechtbank ook terug in door haar zelf geschreven berichtjes uit november 2022. Zo verklaart het slachtoffer dat zij zich na de mishandeling in november 2022 ziek had gemeld en tegen vrienden en collega’s had gezegd dat zij corona had. Het dossier bevat appjes aan onder andere haar moeder en haar werkgever waaruit blijkt dat zij zich in deze periode inderdaad ziek had gemeld. Ook bevat het dossier berichten die het slachtoffer in november 2022 aan de verdachte stuurt waarin zij het erover heeft dat hij haar heeft geslagen. Het slachtoffer stuurt op 14 november 2022 een bericht met ‘volgende keer moet je me lekker doodslaan’. Op 17 november 2022 stuurt het slachtoffer het volgende bericht naar de verdachte: ‘Ik zal alles voor je opgeven. Al wil je me nog een keer in elkaar slaan, aan mn haren trekken (…)’. Voornoemde berichten van het slachtoffer komen overeen met haar verklaring dat zij in november 2022 is mishandeld door de verdachte waarbij hij haar heeft geslagen en aan haar haren heeft getrokken.
Door de advocaat is nog bepleit dat het slachtoffer voor wat betreft haar verklaringen beïnvloed is door de politie en Veilig Thuis. De rechtbank ziet daarvoor geen aanwijzingen in het dossier. Hetgeen door de politie en Veilig Thuis met het slachtoffer is besproken was gebaseerd op de meldingen van de twee vriendinnen. De inhoud van die meldingen zijn in twee processen-verbaal vervat (pagina’s 192 e.v. en pagina 197 e.v.). Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat de politie of Veilig Thuis de zorgen over mogelijk escalerend geweld, zoals die uit de meldingen blijken, hebben uitvergroot of het slachtoffer op andere wijze hebben aangezet tot het doen van aangifte tegen de verdachte.
De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaring van het slachtoffer van 26 december 2024 te twijfelen. De rechtbank zal deze verklaring voor het bewijs gebruiken.
Steunbewijs
Gelet op het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is alleen de verklaring van het slachtoffer onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat de gedragingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is genoeg wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.
De rechtbank zal hieronder allereerst nagaan of sprake is van voldoende steunbewijs voor de onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde mishandelingen.
De rechtbank ziet dat de verklaring van het slachtoffer steun vindt in verschillende andere bewijsmiddelen. Getuige [getuige 1] verklaart op 19 maart 2025 dat zij ruim 2 jaar geleden heeft gezien dat het slachtoffer plukken hoofdhaar miste. Zij verklaart dat het slachtoffer haar destijds heeft verteld dat zij van de verdachte de auto in moest stappen en dat zij rondjes gingen rijden waarbij hij haar heeft geslagen en aan haar haren heeft getrokken. Deze verklaring past bij, en biedt steun aan, de verklaring van het slachtoffer dat zij in november 2022 hard aan haar haren is getrokken door de verdachte en daardoor kale plekken in haar hoofdhaar zijn ontstaan. Daarnaast schrijft de verbalisant die op 26 december 2024 de aangifte van het slachtoffer opneemt op dat zij zag dat aangever trok met haar been en moeilijk liep. De verbalisant zag bij het slachtoffer boven het linkeroog een lichtgele verkleuring, meerdere schaafwondjes op haar neus en op de rechterzijde van de rug een lichte groen/gele verkleuring. Getuige [getuige 2] verklaart dat zij in december 2024 heeft gezien dat het slachtoffer met haar linkerbeen mank liep en dat zij twee blauwe plekken had op de linkerkant van haar gezicht, waarvan één op haar wang en één ter hoogte van haar oogkas. De waarnemingen van de verbalisant en getuige [getuige 2] bieden steun aan de verklaring van aangeefster zoals hiervoor is weergegeven over de mishandelingen op 21 december 2024.
Naar het oordeel past de aard van het letsel goed bij het scenario dat het letsel opzettelijk is toegebracht, en past de door het slachtoffer genoemde woede-uitbarsting van de verdachte ook goed in de eerdere geweldsmomenten (in november 2022) en bij de aanleiding van de ruzie die dag: het slachtoffer beschuldigde de verdachte er van te zijn vreemd gegaan, zo volgt ook uit WhatsApp gesprekken tussen hen beiden op die dag. De verdachte heeft hier eigenlijk niets tegenover gesteld. Op zitting heeft hij verklaard niets te hebben gemerkt van het letsel bij het slachtoffer of van het gegeven dat zij mank en met veel pijn liep. Dit bevreemd nu hij met haar was in het weekend voorafgaand aan deze waarnemingen. Het kan gelet op het tijdsverloop niet anders dan dat het letsel in dat weekend is ontstaan. Bovendien was het de verdachte die het slachtoffer altijd naar haar werk bracht en ophaalde.
De rechtbank concludeert dat de verklaring van het slachtoffer van 26 december 2024 voor de onder feit 1 en feit 3 opgenomen beschuldiging op essentiële onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Gelet op bovenstaande is de rechtbank er ook van overtuigd dat het de verdachte is geweest die het letsel opzettelijk heeft toegebracht bij het slachtoffer.
Bewezenverklaring mishandeling (feit 3)
De rechtbank vindt dat feit 3, mishandeling gedurende de periode 1 november 2022 tot en met 21 december 2024, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat geldt niet voor de opzettelijke benadeling van de (psychische) gezondheid, waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd. Uit de recente conclusie van de A-G Van Kempen van 10 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:238) volgt dat psychische mishandeling niet onder opzettelijke benadeling van de gezondheid als bedoeld in artikel 300 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht kan worden gebracht. De rechtbank is bekend met de lagere rechtspraak waarin, in afwijking van deze conclusie, onder bepaalde uitzonderlijke omstandigheden wel tot een bewezenverklaring van psychisch letsel wordt gekomen. In deze zaak – waarbij weliswaar sprake is van geweld, bedreiging en vergaande controle door de verdachte op het leven van het slachtoffer – is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake.
Vrijspraak zware mishandeling (feit 1 primair)
Onder feit 1 primair wordt de verdachte ervan beschuldigd zwaar lichamelijk letsel, namelijk een gat in het trommelvlies, te hebben toegebracht aan het slachtoffer. Het slachtoffer heeft daarover verklaard dat dit door harde klappen op haar oor is gekomen en uit het journaal van de huisarts blijkt dat zij voor een beschadiging van het trommelvlies op 9 april 2024 bij de huisarts is geweest.
De rechtbank dient voor de onder feit 1 primair opgenomen beschuldiging de vraag te beantwoorden of dit letsel te kwalificeren valt als zwaar lichamelijk letsel. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, buiten de in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aangeduide gevallen, bij de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, de volgende gezichtspunten van belang zijn: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten een gat in het trommelvlies, als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat het gat in het trommelvlies een aantal weken na het incident was hersteld. Dit herstel heeft zonder medisch ingrijpen plaatsgevonden. Het dossier en de door het slachtoffer als benadeelde partij ingediende vordering bevatten ook geen details waaruit volgt dat zij nog last ervaart van haar oor dan wel met gehoorverlies kampt. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van feit 1 primair.
Vrijspraak poging zware mishandeling (feit 1 subsidiair)
De vervolgvraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte met zijn handelingen heeft geprobeerd het slachtoffer zwaar te mishandelen. Bij een poging tot zware mishandeling moet het vereiste opzet gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de verdachte de bewuste bedoeling had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. De vraag of de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Het slachtoffer verklaart over de tenlastegelegde handelingen dat de verdachte haar in november 2022 heeft mishandeld door haar te slaan op het gezicht met een vuist en platte hand en door haar gezicht met een zeer krachtige beweging hard tegen de ruit te duwen. Ook verklaart het slachtoffer dat zij voelde dat de verdachte terwijl zij op de grond lag met één voet op haar hoofd ging staan. Zij verklaart ook nog over andere geweldshandelingen die niet zijn opgenomen in de tenlastelegging. Zij verklaart verder dat zij meerdere malen knock-out is gegaan, dat de verdachte haar ’s nachts wakker maakte om te checken of ze nog bij zinnen was en dat deze mishandeling de grootste impact op haar heeft gehad. Dit is gelet op de hoeveelheid en lange duur van de geweldshandelingen ook voorstelbaar.
Om vast te kunnen stellen of sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, is het van belang te weten hoe hard er werd geslagen, op welke manier dat gebeurde, hoeveel klappen er werden gegeven en waar het slachtoffer precies is geraakt. De rechtbank beschikt enkel over de verklaring van het slachtoffer die is afgelegd meer dan twee jaar na de gebeurtenis. Het dossier bevat verder geen foto’s of medische duiding van het opgelopen letsel. Over de intensiteit en aard van de geweldshandelingen is verder weinig bekend. Ook het met één voet gaan staan op het hoofd – zonder verdere informatie of dit met vol gewicht was, wat de ondergrond was, welk letsel dat heeft veroorzaakt – levert nog geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier dus te weinig concrete informatie over het handelen van de verdachte om te kunnen stellen dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.
De onder feit 1 subsidiair opgenomen beschuldiging van poging tot zware mishandeling kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden. De rechtbank spreekt de verdachte hiervan vrij.
Vrijspraak verkrachting (feit 2)
Voor de rechtbank staat, zoals hiervoor is overwogen, vast dat er in de beschuldiging opgenomen periode op meerdere momenten geweld is gebruikt door de verdachte tegen het slachtoffer. Zo ook in de ochtend op 21 december 2024. De rechtbank is echter van oordeel dat de verklaring van het slachtoffer voor wat betreft de vermeende verkrachting onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
De verdachte heeft in het geheel ontkend dat er seks heeft plaatsgevonden. Het dossier bevat geen ander bewijs dan de verklaring van aangeefster dat er seks of seksuele handelingen zijn verricht op die bewuste ochtend. Het gepleegde geweld staat naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met (gedwongen) seks. De aard van het letsel, in het bijzonder de plekken op het lichaam waar het letsel is gesitueerd (het gezicht en de rug), is naar het oordeel van de rechtbank niet redengevend voor geweld bij of tijdens een verkrachting. Ook de door de verbalisant op 26 december 2024 waargenomen emoties staan in een te ver verwijderd verband van deze beschuldiging. De emotionele staat kan in dit geval namelijk evenwel worden verklaard doordat het slachtoffer net uit een gewelddadige relatie is gestapt. De verbalisant schrijft ook op dat het slachtoffer meerdere keren vertelde dat ze bang is dat de verdachte haar gaat vermoorden, en zij hierbij emotioneel werd en huilde. Op geen enkel moment worden de waargenomen emoties gekoppeld aan een uiting van het slachtoffer over verkrachting of andere seksuele handelingen (tegen haar wil). De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de emotionele toestand van het slachtoffer in verband staat met de beschuldiging. Dit betekent dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verkrachting, ondanks dat de rechtbank, net als de officier van justitie, geen enkele reden heeft om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer te twijfelen.
De rechtbank komt, gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het steunbewijs voor de verkrachting, tot een vrijspraak van feit 2. Dat betekent niet dat het niet gegaan is zoals het slachtoffer zegt, maar dat de rechtbank dat, door het ontbreken van het vereiste steunbewijs, voor wat betreft feit 2 niet kan bewijzen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
omstreeks de periode van 1 november 2022 tot en met 21 december 2024 in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, - die [slachtoffer] tegen het hoofd en het gezicht en het oor te slaan- die [slachtoffer] in het gezicht te knijpen en- die [slachtoffer] tegen het lichaam te slaan, schoppen en- die [slachtoffer] bij haar keel te grijpen en- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken, sleuren en- die [slachtoffer] met haar hoofd tegen de ruit te slaan en- op het hoofd van die [slachtoffer] te staan en- die [slachtoffer] te bedreigen door tegen haar te zeggen dat hij, verdachte, haar zalvermoorden en die [slachtoffer] te bedreigen met een schaar en/of (vervolgens) de woordente doen toekomen: "Je bent niet de eerste die kort haar door mij heeft gekregen" endie [slachtoffer] te bedreigen met een mes.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Hiervoor is onder feit 3 overwogen dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘opzettelijk benadeling van de gezondheid’. De onder dit feit bewezenverklaarde bedreigingen zijn daarmee niet te kwalificeren als mishandeling. Voor dat onderdeel van de bewezenverklaring volgt daarom ontslag van alle rechtsvervolging.
Het bewezen feit levert vervolgens het volgende strafbare feit op:
Mishandeling tegen een levensgezel, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en/of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast eist de officier dat aan de verdachte wordt opgelegd:
tbs met dwangverpleging, voor ongemaximeerde duur;
een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 14 dagen hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet;
de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
De officier van justitie eist dat het contact- en locatieverbod direct na de uitspraak dadelijk uitvoerbaar is.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden op. Daarnaast legt de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de door het slachtoffer verzochte locaties op. Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich in een periode van 2 jaar schuldig gemaakt aan het meerdere malen mishandelen van zijn toenmalige partner. Deze mishandelingen kenmerken zich door verschillende geweldshandelingen, van slaan en schoppen, tot het grijpen naar de keel en het trekken aan de haren. De verdachte heeft daarbij ook diverse (doods-)bedreigingen richting het slachtoffer geuit. Nadat zij zich met hulp van anderen uit de situatie heeft weten te worstelen, blijft ze bij de politie in emotionele staat herhalen dat ze bang is dat de verdachte haar zal vermoorden. De mishandelingen hebben grotendeels plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, een plek waar zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Niet alleen heeft de verdachte met zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, ook heeft hij haar in een van hem afhankelijke positie gebracht. Uit het dossier volgt dat de verdachte zich binnen de relatie dominant, controlerend en bepalend heeft opgesteld en het slachtoffer heeft geïsoleerd van haar sociale omgeving. Zo bracht hij haar naar haar werk en haalde hij haar van haar werk, en gebruikte hij haar auto. Het slachtoffer had contact met haar vriendinnen via Snapchat, waar de berichten meteen verdwenen nadat zij waren gelezen, omdat zij bang was dat de verdachte de berichten anders zou lezen. Zij ging niet mee naar feestjes en dronk niet omdat de verdachte dat niet wilde. Getuigen hebben verklaard hoe zij het slachtoffer gedurende de relatie met de verdachte hebben zien veranderen naar iemand die zich terugtrok, afwezig was, afspraken afzegde of niet nakwam en veel pijn had. De door het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring en het door haar ingediende verzoek tot schadevergoeding hebben duidelijk gemaakt dat het handelen van de verdachte veel impact op haar heeft gehad en nog steeds heeft. Zij kampt met nachtmerries, slaapproblemen, zelfverwijt en schuldgevoel.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
Het strafblad van de verdachte van 9 april 2026;
Een NIFP consult van 11 april 2025 opgemaakt door [psychiater 1] , psychiater;
Een pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 4 februari 2026 opgemaakt door [psychiater 2] , psychiater, en [psycholoog] , GZ-psycholoog.
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit heeft geen strafverzwarende, maar ook geen strafverminderende werking. De verdachte heeft bij het NIFP consult aangegeven niet mee te willen werken aan een pro Justitia rapportage. Vervolgens is de verdachte klinisch geobserveerd in het Pieter Baan Centrum.
Uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum volgt dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. De deskundigen stellen dat binnen de duidelijke en gestructureerde setting van de afdeling geen problemen zijn waargenomen op het gebied van frustratietolerantie, impulscontrole of agressieregulatie. Zij noemen het wel opmerkelijk dat vier ex-partners van de verdachte in hun verklaringen tegenover de politie een overeenkomstig beeld schetsen van de verdachte. De verdachte zou binnen de relaties dominant, controlerend en bepalend zijn, maar zichzelf wel het recht toe-eigenen om meerdere relaties tegelijkertijd aan te gaan en vreemd te gaan. Ook verklaren de ex-partners dat de verdachte het niet accepteert wanneer zij de relatie beëindigen en dat de verdachte daar vervolgens met agressie op reageert en hen langere tijd lastig blijft vallen. Door de deskundigen wordt opgemerkt dat dit patroon kan wijzen op onderliggende persoonlijkheidspathologie, waarbij met name cluster-B trekken op de voorgrond staan. Dit (vermeende) patroon kan wijzen op een verhoogde mate van dominantie en controlebehoefte, maar ook een hoge mate van krenkbaarheid, egocentriciteit en instrumentele relatievorming, alsmede op een beperkte agressieregulatie (in relationele sfeer), gebrekkige empathische vermogens en een tekortschietende gewetensontwikkeling. Vanwege het niet meewerken van de verdachte aan het onderzoek, kunnen de deskundigen onderliggende persoonlijkheidspathologie niet vaststellen, maar ook niet uitsluiten. De deskundigen hebben geen aanwijzingen gevonden voor een ernstige psychiatrische stoornis. De deskundigen onthouden zich door het ontbreken van informatie ook van het geven van een risicoanalyse en een behandeladvies binnen een juridisch kader.
Geen tbs-maatregel
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of aan de verdachte een tbs-maatregel kan worden opgelegd, zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Een tbs-maatregel kan worden opgelegd indien wordt voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dient oplegging van de maatregel te eisen. De rechter dient daarbij tot het oordeel te komen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit (of de feiten) een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (artikel 37a lid 1 aanhef en onder 1° en 2° Sr). Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr). Voor oplegging van de tbs-maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a lid 3 Sr). Indien de verdachte, zoals in de onderhavige zaak het geval is, heeft geweigerd medewerking te verlenen aan onderzoek door de gedragsdeskundigen, vervalt de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek (artikel 37a lid 4 Sr). Ook in dat geval blijft echter vereist dat de rechter vaststelt dat ten tijde van het begaan van het feit bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; zonder die vaststelling is oplegging van de tbs-maatregel niet mogelijk.
De rechter heeft daarmee een eigen verantwoordelijkheid om zelf een oordeel te vellen over de aanwezigheid van een stoornis ten tijde van het delict. Dat betekent dat een rechter in het uiterste geval ook een stoornis kan vaststellen in situaties waarin de deskundigen dat niet kunnen. Daarvoor moet in voldoende mate aannemelijk zijn dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. De rechtbank heeft gekeken of zij zelf op basis van oudere rapporten, medische gegevens, de inhoud van het dossier of verklaringen en gedragingen van de verdachte kan vaststellen of de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde een stoornis had. In dit geval zijn er geen oudere rapporten of medische gegevens van de verdachte beschikbaar. De rechtbank beschikt niet over meer informatie dan de rapporteurs van het PBC. Een stoornis is verder niet zonder meer af te leiden uit het door de verdachte gepleegde (en in dit vonnis bewezenverklaarde) strafbare feit of uit zijn verklaringen. Op basis van de nu beschikbare gegevens kan de rechtbank geen stoornis bij de verdachte vaststellen. De situatie in het door de officier van justitie aangehaalde arrest (ECLI:NL:GHARL:2026:2016) laat zich niet vergelijken met onderhavige zaak. In dat arrest komt het hof tot een bewezenverklaring van geweldsfeiten tegen drie afzonderlijke (ex-)partners. Het betreft in dat geval een verdachte die al meermalen is veroordeeld voor geweldsfeiten tegen zijn (ex-)partners en die al vaker had geweigerd mee te werken aan onderzoeken naar zijn psychische gesteldheid. Dat is in deze zaak niet het geval.
De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot het opleggen van een tbs-maatregel, nu zij onvoldoende aanknopingspunten heeft om bij de verdachte de aanwezigheid van een stoornis vast te stellen op het moment dat hij de feiten heeft begaan en daardoor niet aan de vereisten voor de oplegging van die maatregel is voldaan.
Nu de rechtbank geen stoornis vaststelt, acht zij de verdachte, in tegenstelling tot de officier van justitie, ook volledig toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde feit.
De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij kampt met medische problemen, waaronder een tumor waarvoor hij behandeling nodig heeft. Hiervan heeft de verdachte, hoewel dit al langer dan een jaar zou spelen, geen bewijsstukken overgelegd. Op vragen van de rechtbank over zijn medische situatie wenste de verdachte op zitting weinig te zeggen, en deelde hij geen details. De rechtbank zal daar dan ook niet in strafverminderende zin rekening mee houden.
Strafkader
De rechtbank is van oordeel dat de ernst en aard van het feit, in combinatie met de persoon van de verdachte, maken dat geen andere straf kan volgen dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank acht het gedrag van de verdachte zoals dat uit het dossier naar voren komt zorgelijk. Deze zorgen worden versterkt door de volhardende ontkenning van de verdachte en het feit dat persoonlijkheidsproblematiek (doordat de verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek naar zijn psychische gesteldheid) niet kan worden uitgesloten. De rechtbank ziet gelet op de bewezenverklaring waar zij tot komt, geen ruimte of mogelijkheid voor een andere straf dan een kale gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte daarvan houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit en kijkt de rechtbank naar vergelijkbare zaken.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden op. De rechtbank wijkt vooral af van de eis van de officier van justitie omdat zij vrijspreekt voor de meest ernstige beschuldiging.
38v-maatregel
Daarnaast komt de rechtbank tot de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr. De maatregel houdt in dat de verdachte zich gedurende een periode van vijf jaar moet onthouden van direct en indirect contact met het slachtoffer en dat hij zich gedurende vijf jaar niet mag bevinden binnen een straal van 500 meter van de adressen van het slachtoffer, haar ouders, haar broer, haar werk en de collega en tevens vriendin waar het slachtoffer na het gesprek met de politie en Veilig Thuis in december 2024 heeft verbleven.
De verdachte heeft na de aangifte van 26 december 2024 nog meermaals contact opgenomen met het slachtoffer door een briefje achter te laten in de woning van het slachtoffer en haar e-mails toe te sturen. Ook heeft de verdachte na de aangifte nog telefonisch contact opgenomen met de werkgever van het slachtoffer. Door de politie wordt vermoed dat de verdachte na de aangifte nog op het werk van het slachtoffer is geweest en de moeder van het slachtoffer heeft achtervolgd. De rechtbank legt daarom een locatieverbod op voor het adres van de ouders van het slachtoffer en haar werk. Ook legt zij een locatieverbod op voor het adres van de broer van het slachtoffer en haar collega, gelet op de door verdachte ter zitting gedane uitspraken over deze collega en de broer van het slachtoffer.
Met betrekking tot de locatieverboden heeft de verdachte ter zitting gesteld dat deze een te grote inperking van zijn bewegingsvrijheid veroorzaken, omdat hij zijn zoontje naar voetbalwedstrijden moet kunnen brengen. De rechtbank meent dat dit gelet op de beperkte straal nog goed mogelijk zal zijn. Dit zal van de verdachte wat aanpassingen vragen en mogelijk zal hij niet in staat zijn alle wedstrijden bij te wonen. De rechtbank acht deze inbreuk echter beperkt en gerechtvaardigd gelet op het bewezenverklaarde en hetgeen hiervoor overwogen is.
Gelet op het hierboven beschreven gedrag van de verdachte nadat aangifte is gedaan alsook zijn uitlatingen op zitting dat hij altijd van het slachtoffer zal blijven houden en het allemaal goed wil maken, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De officier van justitie heeft ook maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr geëist. Het is de rechtbank niet gebleken dat oplegging van een dergelijke (zware) maatregel noodzakelijk is. Deze maatregel zal niet worden opgelegd.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank legt een straf op die korter is dan de duur van het voorarrest. Daarom zal zij de voorlopige hechtenis per direct opheffen.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie vordert dat de in beslag genomen telefoon verbeurd wordt verklaard omdat daarop mogelijk nog persoonlijke gegevens van het slachtoffer staan. De advocaat heeft geen standpunt ingenomen over het beslag.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen telefoon. Daartoe overweegt de rechtbank dat het voorwerp niet op één van de wijzen als genoemd in artikel 33a Wetboek van Strafrecht in verband met het bewezenverklaarde feit kan worden gebracht. Het voorwerp is daarom niet vatbaar voor verbeurdverklaring.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 41.433,18 voor de feiten, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 21.433,18 voor vergoeding van materiële schade en € 20.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
De aanschaf van de motor: € 15.050,-;
Parkeerboetes: € 539,60;
Medische kosten: € 5.843,58.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de materiële schade onder de schadeposten 1 en 2, omdat er volgens de officier van justitie sprake is van een te ver verwijderd verband tussen de beschuldiging en de gevorderde schade. De officier van justitie vordert de materiële schade voor de schadepost 3 en de gevorderde immateriële schade toe te wijzen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Voor wat betreft de schadepost 1 en 2 omdat volgens de advocaat, net als volgens de officier van justitie, sprake is van een te ver verwijderd verband. Voor wat betreft schadepost 3 zijn er behandelkeuzes gemaakt die niet zonder meer te herleiden zijn tot de medische verklaring van de psycholoog van 17 februari 2025. Door de advocaat wordt de causaliteit tussen de beschuldiging en PTSS betwist. De advocaat heeft erop gewezen dat de DSM-diagnose (PTSS) van 17 februari 2025 wijst op een predispositie teruggaande tot de kindertijd. Dit dient volgens de advocaat niet voor rekening van de verdachte te komen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de medische kosten is voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van voldoende causaal verband tussen het bewezenverklaarde en het opgelopen geestelijk letsel, waarvoor het slachtoffer diverse behandelingen heeft ondergaan en nog ondergaat. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 17 februari 2025 volgt dat het slachtoffer is aangemeld vanwege een jarenlange gewelddadige relatie waarin sprake is geweest van regelmatig fysiek geweld en seksueel misbruik en dat bij het slachtoffer de diagnose PTSS wordt vastgesteld. Uit het exposureplan volgt dat voor het slachtoffer onder andere het wassen van de haren, zitten op de bank, televisie kijken en het Amsterdam Rijnkanaal triggers zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze triggers voornamelijk zien op de gewelddadige relatie. Het zwaartepunt bij de PTSS lijkt daar dus te liggen.
De rechtbank volgt de advocaat ook niet in zijn stelling dat de behandelkeuzes niet zonder meer zijn te herleiden tot de brief van de GZ-psycholoog van 17 februari 2025. Uit deze brief volgt immers dat gestart wordt met een intensieve trauma behandeling en dat daarna wordt gekeken naar een passend vervolgtraject binnen de praktijk.
De schade bestaande uit de medische kosten staat dus in rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering, te weten € 5.843,58, daarom geheel toe.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade voor de schadeposten 1 en 2 niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze schade en het bewezen verklaarde feit.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Zoals benoemd, is bij het slachtoffer de diagnose PTSS vastgesteld en is de rechtbank van oordeel dat deze PTSS in voldoende causaal verband staat met het bewezenverklaarde.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. De rechtbank kijkt naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt de PTSS van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank in de categorie middelzwaar. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- tot uitgangspunt. In de periode vanaf 24 december 2024 tot de datum van de zitting hebben 51 behandelingen plaatsgevonden, en het slachtoffer is ook nu nog onder behandeling. Gelet daarop zal de rechtbank aansluiten bij de bovengrens van de bandbreedte. De rechtbank ziet, mede omdat zij enkel tot een bewezenverklaring van feit 3 komt, geen aanleiding om dat bedrag te verhogen met 10-25%, zoals verzocht is namens de benadeelde partij. Dit betekent dat de rechtbank komt tot toewijzing van het bedrag van € 16.000,-.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente voor wat betreft de materiële schade toe vanaf 21 december 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Voor wat betreft de immateriële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum op de datum van het vonnis. De rechtbank begroot de schade immers op dit moment, naar aanleiding van al hetgeen 2 weken geleden op zitting is besproken. Bovendien zijn de schadebedragen in de Rotterdamse schaal ook nog tot relatief kort geleden – namelijk tot 1 juni 2025 – geïndexeerd.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 21.843,58 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 131 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De politierechter van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16-348145-24 op 13 januari 2025 een taakstraf voor de duur van 20 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie vordert dat de rechtbank haar niet-ontvankelijk verklaart in de vordering, nu het inmiddels op 5 december 2025 gewezen arrest in deze zaak, nog niet onherroepelijk is. Deze eis wijkt af van de eerdere schriftelijke eis.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering omdat geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling.
9. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 36f, 38v, 38w, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair en subsidiair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid van het feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid van de verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 3 bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- zich niet ophoudt binnen een straal van 500 meter van de adressen (locatieverbod):
- [adres 2] ( [postcode 2] ) in [plaats 2] ;
- [adres 3] ( [postcode 3] ) [plaats 3] ;
- [adres 4] ( [postcode 4] ) [plaats 4] ;
- [adres 5] ( [postcode 5] ) [plaats 5] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. De toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp:
- een mobiele telefoon, te weten: een Nokia 106 DS (goednummer: PL0900-2024406981-3495365);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 3)
- over een bedrag van € 5.843,58 met ingang van 21 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 16.000,- met ingang van 28 april 2026 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 5.843,58 met ingang van 21 december 2024,
- over een bedrag van € 16.000,- met ingang van 28 april 2026 tot de dag van volledige betaling,
- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 131 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering;
voorlopige hechtenis
- heft op de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mr. J.P. Verboom en mr. M. Pieplenbosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Bemmelen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1hij op een of meer tijdstippen in of of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot enmet 21 december 2024 te Houten en/of Nieuwegein , althans in Nederland, aan zijn levensgezel, [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gat in het trommelvlies en/of gehoorverlies heeft toegebracht door, meermaals, althans eenmaal,- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het oor te slaan/stompen- die [slachtoffer] met haar hoofd tegen de ruit te slaan en/of- op het hoofd van die [slachtoffer] te staan
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnenleiden:hij op een of meer tijdstippen in of of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot enmet 21 december 2024 te Houten en/of Nieuwegein , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, [slachtoffer] , opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermaals, althans eenmaal,- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het oor heeft gestompt/geslagen en/of- die [slachtoffer] met haar hoofd tegen de ruit heeft geslagen en/of- op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestaanterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij op of omstreeks 21 december 2024 te Houten , althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen/duwen/houden van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en/of- het brengen/duwen/houden van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- die [slachtoffer] te duwen en/of vast te houden en/of- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken en/of- die [slachtoffer] op de grond te gooien en/of- die [slachtoffer] met haar hoofd tegen de muur en/of het keukenkastje aan te drukken en/of tegooien en/of- die [slachtoffer] te slaan/stompen
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnenleiden:hij op of omstreeks 21 december 2024 te Houten , althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen/duwen/houden van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en/of- het brengen/duwen/houden van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer]daartoe de wil ontbrak
3.hij op een of meer tijdstippen in of of omstreeks de periode van 1 november 2022 tot enmet 21 december 2024 te Houten en/of Nieuwegein , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het oor te slaan/stompen- die [slachtoffer] in het gezicht te knijpen en/of- die [slachtoffer] tegen het lichaam te slaan/stompen/schoppen en/of- die [slachtoffer] bij haar keel te grijpen en/of- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken/sleuren en/of- die [slachtoffer] met haar hoofd tegen de ruit te slaan en/of- op het hoofd van die [slachtoffer] te staan en/of- die [slachtoffer] te bedreigen door tegen haar te zeggen dat hij, verdachte, haar zalvermoorden en/of die [slachtoffer] te bedreigen met een schaar en/of (vervolgens) de woordente doen toekomen: "Je bent niet de eerste die kort haar door mij heeft gekregen" en/ofdie [slachtoffer] te bedreigen met een mes waardoor die [slachtoffer] psychisch letsel heeft bekomenen/of waardoor opzettelijk de gezondheid van die [slachtoffer] werd benadeeld.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter zitting van 14 april 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb zo’n 5-6 jaar een relatie gehad met [slachtoffer] . Die relatie is geëindigd op 24 december 2024.
De aangifte van [slachtoffer] van 26 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:
Op een ochtend in november 2022, lag ik te slapen en [verdachte] [de rechtbank begrijpt: de verdachte] kwam in mijn woning in [woonplaats] . [verdachte] pakte mijn telefoon en las de berichtjes door. Zo zag hij een berichtje van [A] die vroeg of wij elkaar nog zouden gaan zien dit weekend. [verdachte] dwong mij in zijn auto te stappen. Hij ondervroeg mij en
sloeg mij bij elk antwoord dat ik gaf. Hij sloeg met een platte hand maar ook pakte
hij mijn gezicht hierbij met kracht vast en duwde mij dan met een zeer krachtige
beweging hard tegen de ruit aan. Hij stopte vervolgens op afgelegen parkeerplekken, ik denk dat dit ongeveer 5 of 6 plekken waren. Dit was onder andere in Nieuwegein , Maarssen, Breukelen en langs de Vecht. Ik moest dan uitstappen en hij sloeg mij opzettelijk met kracht op mijn gezicht en lichaam. Hij schopte, sloeg met zijn vuist of met zijn platte hand. Ook pakte hij mij bij mijn haar vast en sloeg me op mijn gezicht. Hij verweet mij dat ik was vreemdgegaan. Ik ging meerdere keren knock-out. We stopten op een gegeven moment bij het Amsterdam Rijnkanaal. Hij sleurde mij uit de auto. Hij sleurde mij aan mijn haren de auto uit. Hij gooide me vervolgens op de grond. Hij schopte mij toen ik op de grond lag op meerdere plekken op mijn lichaam. Vervolgens zag en voelde ik dat hij met 1 voet op mijn hoofd ging staan. Ik moest weer instappen. Ik had enorm veel pijn. Mijn hoofd was heel erg opgeblazen. Ik had een hoofd als een champignon. Mijn hele lijf was bont en blauw. Ik kon mij nergens meer vertonen. Ik borstelde mijn haar en toen vielen er hele plukken haar uit mijn haar. Er zat een hele grote kale plek op mijn hoofd. Met mijn rechteroor hoorde ik niets meer aangezien [verdachte] hier harde klappen op had gegeven. Ik heb me ziekgemeld op mijn werk met het verhaal dat ik corona had. Ik heb mij twee weken ziekgemeld op werk. Daarna had ik twee weken vakantie. Ik heb die maand niemand gezien. Na een week ongeveer sloeg hij me opnieuw op mijn hoofd omdat hij zo boos was omdat ik was vreemdgegaan. Mijn hoofd was nog helemaal beurs. Dit was hierdoor extra pijnlijk. Toen ik na een maand weer ging werken zag je nog steeds een zwelling op mijn hoofd.
Eind 2023 was er een dag dat ik teveel alcohol had gedronken. We waren met zijn tweeën in mijn woning. [verdachte] was boos over het feit dat ik gedronken had. [verdachte] duwde mij opzettelijk met kracht hard naar achteren. Hierdoor viel ik over een gitaar, deze was hierna helemaal kapot. Hij pakte vervolgens met kracht mijn keel vast, hij deed dit met 1 hand. Hij kneep deze opzettelijk dicht. Met zijn andere arm probeerde hij mij in bedwang te houden omdat ik mij verzette. Daarna had ik pijn in mijn rug en schaafwondjes in mijn gezicht.
Op 21 december 2024 tussen 10:00 uur en 10:30 uur. De zoon van [verdachte] was ook in de woning en lag te slapen. [verdachte] was niet thuis toen ik wakker werd omstreeks 09:00 uur. Ik schrok hiervan en vond het heel vervelend dat hij zijn zoon had achtergelaten bij mij. Vervolgens ben ik hem gaan bellen, ik heb hem denk ik wel 100 keer gebeld. Ik kreeg geen contact met hem. Vervolgens kwam hij het huis binnen. Hij deed mijn woning op slot. Ik kon geen kant op. Wij stonden vervolgens in de keuken. Ik werd in een hoekje geduwd. Hij pakte mij opzettelijk met kracht vast met zijn handen in mijn gezicht en duwde mij zo het hoekje in. Ik moest terugnemen wat ik had gezegd over dat hij bij een andere dame was. Toen ik dit niet terug nam pakte hij bij mijn haren en sleurde me naar de grond. Ik verzette me hierbij en wilde hem van me af duwen. Vervolgens hield hij mij in bedwang door met zijn knie op mijn lichaam te duwen. Met zijn ene hand hield hij mijn armen vast. Hij had zijn andere hand op mijn gezicht. Hij kneep en duwde heel hard met zijn hand in mijn gezicht. Ik voelde hier direct pijn van. Ik voelde pijn bij mijn kaken, oog en jukbeenderen. Ik probeerde hem van me af te duwen. Hij zei dat ik niet spoorde. Hij dreigde al mijn haren af te knippen. Hij zei: "Je haar is nu aan de beurt". Ik zei: "nee, nee". Vervolgens maakte hij mijn haar los en pakte een schaar en dreigde te knippen. Ik zag dat hij de schaar open bij mijn haar hield, hij kon elk moment gaan knippen. Hij vertelde dat ik moest toegeven dat ik hem had beschuldigd van vreemdgaan. Dat moest ik terugnemen. Als ik dit niet deed zou hij gaan knippen. Ik heb toen gezegd: "Sorry, sorry, ik had dit niet moeten zeggen". Hij werd weer wat rustiger en toen kon ik opstaan. Vervolgens duwde hij mij opnieuw op de grond. Ik zag dat hij een keukenla opende en een keukenmes pakte. Hij hield deze vast en hield deze voor mijn gezicht met de punt gericht naar de linkerkant van mijn gezicht. Hij vertelde mij opnieuw dat ik mijn woorden moest terug nemen. Ik zei niets: het mes kwam steeds dichterbij. Totdat ik ja zei dat ik hem had gehoord. Daarna legde hij het mes terug in de keukenla en hij liep weg. Vervolgens werd hij weer opnieuw boos toen ik op de bank zat. Hij pakte mij vervolgens vast aan mijn haar, hij trok mij naar achteren. Ik viel hierop met een harde klap van de bank af. Ik voelde hierbij een knak in mijn rug. Hij bleef mij vasthouden aan mijn haar en duwde dus hard mijn hoofd tegen de grond en bleef met opzettelijke harde kracht hier tegen aan duwen. Ik heb vervolgens alles teruggenomen wat ik heb gezegd.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, heb op 26 december 2024 de aangifte opgenomen van [slachtoffer] . Ik zag dat zij erg zenuwachtig was in het begin van het gesprek. Ik zag dat haar vingers trilden. Ik hoorde haar verklaren dat zij het gevoel had dat haar hele lijf trilde en dat zij de hele tijd het stemmetje van [verdachte] in haar hoofd hoorde die zei dat zij zo'n verschrikkelijke aansteller was en dat niemand haar zou geloven. Ik hoorde haar meerdere keren herhalen dat ze bang was dat [verdachte] haar zou gaan vermoorden. Ik zag dat zij hier meerdere keren emotioneel bij werd. Ik zag dat zij huilde. Ik zag toen zij de aangifteruimte binnen kwam lopen dat zij trok met haar been. Ik zag dat zij moeilijk liep. Ik vroeg haar hoe dit was gekomen. Zij verklaarde dat dit kwam door de mishandeling van 21 december 2024. Ik zag dat zij boven haar linkeroog een licht gele verkleuring had. Ook zag ik dat zij meerdere kleine schaafwondjes op haar neus had. Vervolgens deed zij haar kleding omhoog en liet zij mij haar rug zien. Ik zag op haar rug aan de rechterzijde een lichte groen/gele verkleuring. Ik zag dat aangever deze ook aanwees als de plek waar zij zoveel pijn had na de mishandeling van 21 december 2024.
De verklaring van de getuige [getuige 1] van 19 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
A: Eens midden in de nacht was een bericht verwijderd. Dat was heel raar. In de dagen erna was er weinig contact. Toen heb ik haar gebeld of ze veilig was. Toen zei ze niet direct ja. Toen ben ik naar haar toe gegaan en heeft ze verteld dat ze uit bed was getrokken en in elkaar is geslagen. Daardoor kon ze niet naar haar werk. Ze had een hoofd als een champignon vertelde ze mij.V: Heb je dit gezien?A: Nee, wel dat er stukken uit haar haren miste. Zij heeft mij dat hele verhaal verteld en dat ze ook midden in de nacht rondjes gingen rijden. Ze moest haar paspoort meenemen en ze dacht echt dat ze doodging. En ze moest zich ziekmelden van haar werk. Dit is ruim 2 jaar geleden.
De verklaring van de getuige [getuige 2] van 3 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:
A: De laatste keer, in december 2024, liep zij mank, dat is dan van de laatste keer toen dit allemaal is gaan spelen. Ik zag direct een blauwe plek op haar gezicht. Ik vroeg haar wat er met haar aan de hand was. Ze zei dat ze van de trap was gevallen. Ik zei haar dat ik hier niets van geloofde. Die keer dat ik haar in december aansprak dat het letsel niet was van het vallen zei ze tegen me dat het niet helemaal goed ging. Als je iemand ziet die mank loopt en een blauwe plek heeft in het gezicht dan weetje wel genoeg.
V: Over welk incident gaat dit?A: Dit gaat over december.V: Wat voor letsel zag u aan haar gezicht?A: Op de linkerkant had zij twee blauwe plekken op haar gezicht had op haar wang en ter hoogte van haar oogkas.V: kon u dat goed zien?A: Nee daar had zij foundation opgesmeerd.V: Zag u nog meer letsel?A: Nee zij liep mank. Ze liep met haar linkerbeen mank.