RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/145292-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[verblijfplaats] ,hierna: de verdachte.
1. De zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 16 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de officier van justitie, mr. N. Schipper;
- de raadsvrouw van de verdachte, mr. J.A.J. Brahm;
- de benadeelde partij [slachtoffer 1] ;
- [A ] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [benadeelde] .
2. De tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
in de periode van 13 september 2024 tot en met 25 september 2024 in verschillende plaatsen in Nederland samen met anderen de volgende personen heeft opgelicht:
- [slachtoffer 1] (zaak 1)
- [slachtoffer 4] (zaak 2)
- [slachtoffer 5] (zaak 3)
- [slachtoffer 6] (zaak 4)
- [slachtoffer 7] (zaak 5)
- [slachtoffer 8] (zaak 6)
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (zaak 8)
door:
- hen te bellen en zich voor te doen als een medewerker van de politie;
- hen te vertellen over inbraken in hun buurt, en dat zij mogelijk zelf ook slachtoffer zouden kunnen worden;
- hen te vertellen dat er daarom een medewerker van de politie langs zou komen om waardevolle spullen op te halen met een code;
- bij de woning van deze personen langs te gaan, zich voor te doen als politiemedewerker, de code te noemen en om geld, waardevolle goederen, bankpassen en pincodes te vragen;
waardoor de slachtoffers werden bewogen om dit af te geven;
feit 2 in de periode van 13 september 2024 tot en met 25 september 2024 in verschillende plaatsen in Nederland samen met anderen geldbedragen, bankpassen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen heeft gestolen van:- [slachtoffer 1] (zaak 1)- [slachtoffer 4] (zaak 2)- [slachtoffer 5] (zaak 3)- [slachtoffer 6] (zaak 4)- [slachtoffer 7] (zaak (5)- [slachtoffer 8] (zaak 6)door middel van:een valse sleutel, te weten door misdrijf verkregen bankpassen en pincodesenhet aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, te weten:- het zich onder valse naam voordoen als een politiemedewerker;- het bij de woning van de slachtoffers langsgaan;- het de slachtoffers bewegen tot de afgifte van geldbedragen, bankpassen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen;
feit 3: op 24 september 2024 in Werkhoven samen met anderen met geweld sieraden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gestolen, door: - zich onder valse naam voor te doen als een politiemedewerker;- bij de woning van de slachtoffers langs te gaan;- de slachtoffers te bewegen tot de afgifte van geldbedragen, bankpassen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen;- [slachtoffer 2] een duw te geven.
3. Het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting van de volgende aangevers, vanwege gebrek aan bewijs:
- [slachtoffer 1] (zaak 1)
- [slachtoffer 4] (zaak 2)
- [slachtoffer 5] (zaak 3)
- [slachtoffer 6] (zaak 4),
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (zaak 8).
Ten aanzien van de overige aangevers ( [slachtoffer 7] , zaak 5 en [slachtoffer 8] , zaak 6) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder de feit 2 ten laste gelegde diefstal van de volgende aangevers, vanwege gebrek aan bewijs:
- [slachtoffer 1] (zaak 1)
- [slachtoffer 5] (zaak 3)
- [slachtoffer 6] (zaak 4).
Ten aanzien van de overige aangevers ( [slachtoffer 4] , zaak 2, [slachtoffer 7] , zaak 5 en [slachtoffer 8] , zaak 6) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van feit 3
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 3 ten laste gelegde diefstal met geweld van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (zaak 8) vanwege gebrek aan bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat alle ten laste gelegde feiten zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan, en overweegt daartoe verder als volgt.
Specifieke modus operandi
Aan de verdachte zijn zeven verschillende oplichtingen/diefstallen ten laste gelegd. Al deze oplichtingen/diefstallen kenmerken zich door de volgende uitvoering (modus operandi).
De (hoog)bejaarde aangever wordt gebeld door een persoon die zich voorstelt als medewerker van de politie. Deze persoon vertelt de aangever dat er in de buurt van de aangever is ingebroken, dat daarbij een lijst is aangetroffen met adressen waarop ook het adres van de aangever staat, en dat er daarom een medewerker van de politie langs zal komen om waardevolle goederen veilig te stellen. Deze medewerker zal hierbij een cijfercode noemen.
Vervolgens komt er inderdaad een man aan de deur die zich voorstelt als politiemedewerker en daarbij een dienstnummer en de cijfercode noemt die over de telefoon is genoemd. Omdat de aangever denkt dat hij met een politiemedewerker te maken heeft, laat hij de persoon binnen en geeft hem zijn verzamelde sieraden en andere kostbaarheden mee. De persoon vertrekt vervolgens met de waardevolle goederen om nooit meer terug te komen. In de nabijheid van de woning bevindt zich dan een auto met een of meerdere personen die klaar staan om de weggenomen goederen mee te nemen en te gaan pinnen als er ook een pinpas werd weggenomen. Deze modus operandi getuigt van een planmatige aanpak, een intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.
Naast deze gemeenschappelijke modus operandi hebben alle ten laste gelegde zaken nog meer specifieke onderlinge overeenkomsten. Zo zijn op basis van het dossier de volgende overeenkomsten te onderscheiden:
- in de zaken 2, 4, 5 en 6 maken de oplichters gebruik van het valse dienstnummer “ [vals dienstnummer 1] ”;
- in de zaken 2, 4, 5 en 6 maken de oplichters gebruik van de valse naam “ [valse naam 1] ”;
- in de zaken 4 en 5 maken de oplichters gebruik van de valse naam “ [valse naam 2] ”;
- in de zaken 2, 3, 6 en 8 wordt door de oplichters gebeld vanuit het dekkingsgebied “Oostzanerwerf” in Amsterdam;
- in de zaken 1, 4 en 5 wordt door de oplichters gebeld vanuit het dekkingsgebied “Osdorperweg” in Amsterdam;
- in de zaken 2, 6 en 8 maken de oplichters gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] ; met dit telefoonnummer is ook gebeld naar telefoonnummer dat in zaak 5 door de oplichters is gebruikt;
- in de zaken 2, 3 en 6 en 8 maken de oplichters gebruik van een telefoontoestel met imei-nummer [IMEI-nummer] ;
- in de zaken 1, 2 en 8 maken de daders gebruik van een donkergekleurde Peugeot;
- de zaken 4, 5 en 6 vinden kort na elkaar in elkaars nabijheid plaats;
- in de zaken 1, 3, 4, 5 en 6 is er ten tijde van de oplichtingen/diefstallen sprake van een snapchatgesprek waaraan naast de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] steeds dezelfde andere personen deelnemen;
- in de zaken 1, 2, 3, 4, 5 en 6 worden via snapchat foto’s of een video gedeeld van de adressen van de aangevers, de navigatieroutes naar deze adressen of van het telefoongesprek dat door de oplichters met de aangever is gevoerd.
De rechtbank is op grond van bovenstaande overeenkomsten en dwarsverbanden van oordeel, dat alle ten laste gelegde zaken moeten worden gezien als onderdeel van een samenhangend cluster, waarbinnen sprake is van eenzelfde dadergroep en waarbij bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij één van de zaken het bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de andere zaken versterkt. Dit geldt met name wanneer de verschillende zaken kort na elkaar en in elkaars nabijheid plaatsvinden, zoals bij de zaken 4, 5 en 6.
Ten aanzien van de verdachte geldt nog in het bijzonder dat hij verklaard heeft dat hij in alle aan hem ten laste gelegde zaken in de auto heeft gezeten, waarmee naar de adressen van de slachtoffers is gereden. In zaak 5 en 6, waarin zijn DNA is aangetroffen op voorwerpen die zich in de woning van de slachtoffers bevonden, heeft de verdachte bekend in de woning te zijn geweest en de pleger van de diefstal te zijn geweest. In de overige zaken zou hij in de auto zijn gebleven en als er een pinpas was, moest hij gaan pinnen, zo verklaart hij. In zaak 2 heeft de verdachte bekend de pinner van het geld te zijn geweest. Hiermee heeft hij bij ieder feit een wezenlijke en significante bijdrage aan het delict gehad.
Gelet op de hiervoor weergegeven modus operandi, de aangetroffen overeenkomsten tussen de zaken en de verklaring van de verdachte, acht de rechtbank alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
feit 1
in de periode van 13 september 2024 tot en met 25 september 2024 te Soest, Wassenaar, Achterveld, Hooglanderveen, Soesterberg en Werkhoven, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, en een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten:
- [slachtoffer 1] (zaak 1),
- [slachtoffer 4] (zaak 2),
- [slachtoffer 5] (zaak 3),
- [slachtoffer 6] (zaak 4),
- [slachtoffer 7] (zaak 5),
- [slachtoffer 8] (zaak 6),
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (zaak 8),
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, bankpassen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen, en het ter beschikking stellen van een pincode, door:
- voornoemde personen te bellen en zich onder valse naam voor te doen als een medewerker van de politie,
- voornoemde personen te vertellen dat er in de omgeving veel werd ingebroken, dat er een overval of inbraak had plaatsgevonden, te vertellen dat er mogelijk bij voornoemde personen zal worden ingebroken en te vertellen dat er een briefje/notitieboekje/lijst is aangetroffen met hun gegevens,
- voornoemde personen te vertellen dat er een medewerker van de politie langs zou komen om contant geld, bankpassen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen op te halen, teneinde deze te scannen, te fotograferen of veilig te stellen,
- bij de woning van voornoemde personen langs te gaan, zich voor te doen als medewerker van de politie, daar om afgifte van voornoemde sieraden, andere waardevolle voorwerpen, bankpassen en contant geld te vragen en daarbij een code te noemen,
- voornoemde personen te vragen de pincode van de bankaccount in te spreken na het horen van een pieptoon,
waarna voornoemde personen werden bewogen tot de afgifte van geld, bankpassen, sieraden, andere waardevolle voorwerpen en pincode;
feit 2
hij in de periode van 13 september 2024 tot en met 25 september 2024 te Soest, Achterveld, Hooglanderveen, Soesterberg, Wassenaar en Leidschendam, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, (contante) geldbedragen, bankpassen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen, die toebehoorden aan:
- [slachtoffer 1] (zaak 1),
- [slachtoffer 4] (zaak 2),
- [slachtoffer 5] (zaak 3),
- [slachtoffer 6] (zaak 4),
- [slachtoffer 7] (zaak 5),
- [slachtoffer 8] (zaak 6),
heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen,
waarbij hij, verdachte, en zijn mededaders, het weg te nemen geldbedrag of goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met oplichting verkregen, bankpassen en pincodes, tot het gebruik waarvan hij, verdachte of zijn mededaders niet gerechtigd waren, of
het weg te nemen geldbedrag of goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door zich onder valse naam voor te doen als een politiemedewerker. bij de woning van voornoemde personen langs te gaan, voornoemde personen te bewegen tot de afgifte van een of meer (contante) geldbedragen, bankpassen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen;
feit 3
op 24 september 2024 te Werkhoven, tezamen en in vereniging anderen, sieraden en andere waardevolle voorwerpen, die aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse naam, van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door zich onder valse naam voor te doen als een politiemedewerker, bij de woning van
voornoemde personen langs te gaan en voornoemde personen te bewegen tot de
afgifte van sieraden en andere waardevolle voorwerpen,
welke diefstal werd gevolgd door geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemde [slachtoffer 2] te duwen.
4. De strafbaarheid
De verdachte is strafbaar en de bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feiten 1 en 2: eendaadse samenloop van:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd;
feit 3
diefstal door twee of meer verenigde personen, gevolgd van geweld tegen
personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter
daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te
maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
5. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om bij een bewezenverklaring aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel. Zij heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte een moeilijke jeugd heeft gehad, en dat hij lange tijd heeft geworsteld met instabiele leefomstandigheden, schuldenproblematiek en een negatief sociaal netwerk. De verdachte heeft openheid van zaken gegeven over zijn aandeel in het tenlastegelegde en daarvoor de verantwoordelijkheid op zich genomen. Verder heeft hij aangegeven dat hij graag hulp wil van de reclassering bij het opbouwen van zijn leven. De reclassering adviseert daarom een deels voorwaardelijke straf op te leggen gekoppeld aan begeleiding, behandeling en ondersteuning, en de raadsvrouw verzoekt de rechtbank zich daarbij aan te sluiten.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
De ernst en omstandigheden van de gepleegde feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een zevental oplichtingen/ diefstallen, waarbij telkens sprake was van (hoog)bejaarde slachtoffers. Het kan dan ook niet anders dan dat deze kwetsbare slachtoffers doelbewust zijn uitgekozen. Uit geldzucht hebben zij op een geraffineerde manier misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hun kwetsbare slachtoffers in de politie stelden. Zij hebben daarbij hun slachtoffers op kwetsbaarheid geselecteerd.
De kwetsbaarheid van de slachtoffers blijkt ook uit het feit dat [slachtoffer 7] en [slachtoffer 3] nog vóór de behandeling ter terechtzitting zijn overleden. De rechtbank vindt het uiterst verwerpelijk dat de daders bewust slachtoffers op (hoge) leeftijd kozen. Met een ongekende brutaliteit hebben ze van deze slachtoffers alles van (emotionele) waarde meegenomen. Zelfs de sieraden die de slachtoffers droegen moesten ze afdoen en afstaan aan de verdachte en zijn medeverdachten. Verdachte en de mededaders hebben er kennelijk geen moment over nagedacht wat voor impact hun handelen op de slachtoffers zou kunnen hebben. De misdrijven waar de verdachte en zijn mededaders zich aan hebben schuldig gemaakt, getuigen daarom van een laffe, kille en berekenende houding.
Bij deze oplichtingen en diefstallen zijn vooral sieraden buitgemaakt, die naast een grote financiële waarde vaak een onschatbare emotionele waarde hadden voor de slachtoffers, zoals trouwringen, erfstukken en andere aandenkens aan familieleden.
De slachtoffers hebben ter zitting of in hun vordering aangegeven dat naast de financiële en emotionele schade die door de oplichtingen is toegebracht, hun vertrouwen in de medemens is geschaad, zij zich op pijnlijke wijze bewust zijn geworden van hun kwetsbaarheid en dat zij zich niet meer veilig voelen in hun eigen huis. [benadeelde] , zoon van [slachtoffer 7] , heeft aangegeven dat zij zo aangedaan was door wat er gebeurd was en het wegnemen van haar dierbare sieraden, dat dit het “laatste zetje” was geweest. Drie weken na het tenlastegelegde is [slachtoffer 7] op 95-jarige leeftijd overleden. Zijn moeder had kort voor haar overlijden nog gezegd, dat ze “nu kaal in haar kist” zou liggen. Ook [slachtoffer 3] is inmiddels overleden. De rechtbank vindt het diep triest dat het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens en hun kijk op de wereld in de laatste fase van hun leven door het toedoen van verdachte en zijn medeverdachten is veranderd, en dat rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Ook voor de sociale omgeving van de slachtoffers en de maatschappij in zijn algemeenheid zijn dergelijke oplichtingen/diefstallen schokkend.
De verdachte heeft zich lange tijd beroepen op zijn zwijgrecht en heeft pas na completering van het dossier een minimale verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte ernstig aan.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit de justitiële documentatie van de verdachte in het dossier blijkt dat hij, eerder en recent, meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten.
Door de reclassering is op 3 april 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt.
Hierin schrijft de reclassering dat de verdachte een instabiele en onveilige jeugd heeft gehad, doordat sprake was van drugsgebruik in het ouderlijk huis, wat gepaard ging met spanningen, huisuitzettingen en een zwervend bestaan. Op dit moment schat de reclassering het recidiverisico hoog in, vanwege de impulsiviteit van de verdachte, zijn gebrekkige agressie- en emotieregulatie, zijn middelengebruik, zijn schuldenproblematiek, het ontbreken van een dagbesteding, zijn instabiele huisvestingssituatie en zijn negatieve sociale netwerk. De reclassering adviseert om bij een voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden op te leggen die deze risicofactoren adresseren, om zo het recidiverisico te verkleinen.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij twee kinderen heeft, waarvan hij er één geregeld ziet. Als hij vrijkomt wil hij samen met de reclassering zijn leven opbouwen. Hij wil met name hulp bij zijn agressieregulatie, omdat hij heeft gemerkt dat hij soms agressief kan worden of agressief kan overkomen. Ook vindt hij het belangrijk dat hij huisvesting buiten Rotterdam krijgt, om uit zijn negatieve sociale netwerk te komen. De verdachte heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
Om te bevorderen dat door rechtbanken voor vergelijkbare feiten ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld (de LOVS-oriëntatiepunten). Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken.
Voor oplichting en daarmee samenhangende diefstal, waarbij de daders zich voordoen als politieagenten en zich daardoor toegang tot een woning verschaffen, zijn geen oriëntatiepunten geformuleerd. Voor diefstal waarbij de daders zich toegang tot de woning verschaffen door inbraak, is wel een oriëntatiepunt geformuleerd, te weten drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank is echter, op grond van hetgeen onder 5.3.2. is uiteengezet, van oordeel dat de onderhavige oplichtingen/diefstallen ernstiger zijn dan een woninginbraak.
De rechtbank vindt dat oplichting via een babbeltruc, waarbij de slachtoffers (anders dan bij een woninginbraak) via de telefoon en in hun woning geconfronteerd worden met de daders, een zwaarder verwijt betreft. Anders dan bij een inbraak, waarbij geselecteerd wordt op een woning, is hier geselecteerd op personen met een hoge leeftijd. Met de babbeltruc werd hun vertrouwen gewonnen. Het slachtoffer gaf in goed vertrouwen geld en waardevolle spullen mee. De rechtbank acht, (evenals Rechtbank Gelderland, 6 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1777 en Rechtbank Gelderland, 12 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8420), vanwege de grote impact die het handelen van verdachte en de mededaders had, per oplichting als uitgangspunt een gevangenisstraf van 5 maanden passend voor elke (mede)pleger. De rechtbank zal bij de strafoplegging daarom uitgaan van een gevangenisstraf van vijf maanden voor een dergelijke oplichting/diefstal.
De verdachte wordt veroordeeld voor zeven oplichtingen/diefstallen. Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 35 maanden zal worden opgelegd.
Omdat de verdachte nog relatief jong is en bij de reclassering heeft aangegeven zijn leven met hulp van de reclassering in positieve zin op te willen bouwen, zal de rechtbank van deze straf een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk niet ten uitvoer leggen, om zo de verdachte de kans te geven zijn leven eerder buiten detentie weer op te pakken en hem te stimuleren geen nieuwe strafbare feiten te plegen.
Hierbij zal de rechtbank alleen als bijzondere voorwaarde opleggen, dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering en zich zal houden aan hun aanwijzingen. De rechtbank vindt het niet passend om de reclassering in te schakelen om alle hiervoor genoemde voorwaarden te realiseren, terwijl verdachte nauwelijks verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daden en hij geen daadwerkelijke intrinsieke motivatie laat zien om aan zichzelf te werken. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij vooral hulp wil bij een (agressieregulatie)probleem dat in geen verband staat tot het tenlastegelegde.
De rechtbank acht het wel noodzakelijk en zinvol dat de reclassering in algemene zin toezicht houdt op verdachte gedurende de proeftijd en dat verdachte zich houdt aan de door de reclassering te geven aanwijzingen. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte, als hij alsnog wel specifieke hulp of begeleiding wenst, zelf initiatieven moet nemen en dat hij zich actief naar de reclassering zal moeten opstellen. In dat geval kan de reclassering invulling geven aan een eventuele hulpvraag.
De verdachte kan op deze manier, met begeleiding van de reclassering, zelf gaan werken aan zijn toekomst.
De rechtbank wijkt met de straf af van de eis van de officier van justitie, omdat die eis geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde strafbare feiten en het leed dat de slachtoffers is aangedaan. Tevens dient aan de maatschappij een signaal te worden afgegeven dat dit soort strafbare feiten niet worden getolereerd. Gelet daarop, en het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan door de raadsvrouw bepleit, deelt de rechtbank de visie van de verdediging niet om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. De feiten zijn daar simpelweg te ernstig voor.
6. De in beslag genomen voorwerpen
De in deze paragraaf vermelde voorwerpen zijn genummerd en omschreven zoals op de beslaglijst in het dossier van 24 oktober 2025.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de volgende voorwerpen te retourneren aan de verdachte:
1) 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: G3562745, Apple);
2) 1 STK Telefoontoestel (omschrijving: G3562756, zwart, merk: Samsung).
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal ten aanzien van de betreffende goederen beslissen conform de vordering van de officier van justitie.
7. De vorderingen door de benadeelde partijen
De benadeelde partij [slachtoffer 5]
Benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van verdachte een bedrag van € 3.000,- vordert, als vergoeding voor de materiële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de feiten 1 en 2.
De benadeelde partij vordert hierbij een verhoging van dit bedrag met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft zij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. De hoogte van de verzochte vergoeding is immers het gevolg van een globale schatting, zodat nader onderzoek naar de daadwerkelijke waarde van de sieraden noodzakelijk is. Voor dit nader onderzoek is geen ruimte in het strafproces.
Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw de toe te kennen vergoeding aanzienlijk te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel, met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 6:97 BW, dat de materiële schade die de benadeelde partij heeft geleden in redelijkheid kan worden geschat op € 3.000,-. De vordering is hiervoor voldoende onderbouwd en zal dan ook worden toegewezen.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
De benadeelde partij [slachtoffer 1]
Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van verdachte een bedrag van € 190.451,10 vordert, als vergoeding voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de feiten 1 en 2.
Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
- € 180.451,10 als vergoeding voor materiële schade waarbij zij heeft toegelicht dat haar verzekering niet tot vergoeding is overgegaan omdat de verzekering zich op het standpunt stelt dat zij de sieraden vrijwillig heeft afgegeven;
- € 10.000,- als vergoeding voor immateriële schade.
De benadeelde partij vordert hierbij een verhoging van deze bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade in zijn geheel toe te wijzen.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de immateriële schade verzocht de vergoeding te matigen tot € 1.000,-, vanwege de bedragen die in vergelijkbare zaken binnen de rechtspraak als vergoeding voor immateriële schade zijn toegekend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft zij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. De hoogte van de vordering is immers bepaald door een in 2018 vastgelegde taxatiewaarde te corrigeren met de goud- en zilverprijzen ten tijde van het indienen van de vordering. Deze correctie dient echter plaats te vinden op basis van de goud- en zilverprijzen op de ten laste gelegde pleegdatum. Beoordeling van de vordering vergt verder een civielrechtelijke schadebegroting waarbij nader onderzoek en mogelijk deskundige taxatie moeten plaatsvinden, die niet binnen het kader van het strafproces kunnen plaatsvinden.
Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw de vergoeding voor immateriële schade te matigen tot € 450,-. Dit bedrag is door een mede-benadeelde begroot als vergoeding voor immateriële schade, en de benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd waarom aan haar een hoger bedrag zou moeten worden toegekend.
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade gedeeltelijk toewijzen, en overweegt daartoe als volgt.
Uit een taxatierapport dat als onderbouwing bij de vordering is gevoegd blijkt dat de door de verdachte weggenomen sieraden in 2018 een waarde van € 61.495,- vertegenwoordigden. De rechtbank acht het redelijk dat deze waarde wordt gecorrigeerd met de inmiddels aanzienlijk gestegen goud- en zilverprijzen. De rechtbank is het echter met de raadsvrouw eens, dat bij deze correctie moet worden uitgegaan van de goud- en zilverprijzen op het moment van wegnemen, zijnde 19 september 2024, en niet van het moment van het indienen van de vordering, zijnde 30 september 2025.
Gegevens over de goud- en zilverprijs op 19 september 2024 ontbreken in de onderbouwing van de vordering. Met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 6:97 BW, is de rechtbank van oordeel dat de materiële schade in redelijkheid kan worden geschat op € 120.000,-. De vordering is hiervoor voldoende onderbouwd en zal ten aanzien van de materiële schade dan ook tot dit bedrag worden toegewezen.
De benadeelde partij heeft een hogere vergoeding voor materiële schade gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit onvoldoende is onderbouwd, en aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing een te grote belasting voor het strafproces zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De immateriële schade
De rechtbank zal ook de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk toewijzen, en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij aanspraak maken op een vergoeding voor immateriële schade, als deze partij door de verdachte in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een dergelijke aantasting in de persoon kan worden vastgesteld, op grond van de ernst van het strafbare feit en de geestelijke gevolgen daarvan voor het slachtoffer.
Gelet op de ernst van de feiten, zoals deze onder 5.3.2. is uiteengezet, en de geestelijke gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zoals deze uit de vordering, het dossier en het verhandelde ter zitting zijn gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten in haar persoon is aangetast.
Gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade, alles overwegende, vaststellen op € 1.000,-.
De benadeelde partij heeft een hogere vergoeding voor immateriële schade gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit onvoldoende is onderbouwd, en aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing een te grote belasting voor het strafproces zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
De benadeelde partij [slachtoffer 3]
Benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van verdachte een bedrag van € 450,- vordert, als vergoeding voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de feiten 1 en 3.
De benadeelde partij vordert hierbij een verhoging van dit bedrag met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen.
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij aanspraak maken op een vergoeding voor immateriële schade, als deze partij door de verdachte in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een dergelijke aantasting in de persoon kan worden vastgesteld, op grond van de ernst van het strafbare feit en de geestelijke gevolgen daarvan voor het slachtoffer.
Gelet op de ernst van de feiten, zoals deze onder 5.3.2. is uiteengezet, en de geestelijke gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zoals deze uit de vordering, het dossier en het verhandelde ter zitting zijn gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten in haar persoon is aangetast.
Gelet op het gevorderde bedrag en de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade conform de vordering vaststellen op € 450,-.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
De benadeelde partij [slachtoffer 2]
Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin hij van verdachte een bedrag van € 1.300,- vordert, als vergoeding voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de feiten 1 en 3.
Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
- € 100,- als vergoeding voor materiële schade;
- € 1.200,- als vergoeding voor immateriële schade.
De benadeelde partij vordert hierbij een verhoging van deze bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft verzocht de toe te kennen vergoeding voor immateriële schade te matigen tot € 450,-. Dit bedrag is door een mede-benadeelde begroot als vergoeding voor immateriële schade, en de benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd waarom aan hem een hoger bedrag zou moeten worden toegekend.
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schade
De rechtbank zal vordering van de benadeelde partij tot betaling van € 100,- als vergoeding van materiële schade toewijzen. De vordering is hiervoor voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist.
De immateriële schade
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk toewijzen.
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij aanspraak maken op een vergoeding voor immateriële schade, als deze partij door de verdachte in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een dergelijke aantasting in de persoon kan worden vastgesteld, op grond van de ernst van het strafbare feit en de geestelijke gevolgen daarvan voor het slachtoffer.
Gelet op de ernst van de feiten, zoals deze onder 5.3.2. is uiteengezet, en de geestelijke gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zoals deze uit de vordering, het dossier en het verhandelde ter zitting zijn gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten in zijn persoon is aangetast.
Gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade, alles overwegende, vaststellen op € 1.000,-.
De benadeelde partij heeft een hogere vergoeding voor immateriële schade gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit onvoldoende is onderbouwd, en aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing een te grote belasting voor de strafzaak zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
De benadeelde partij [slachtoffer 4]
Benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van verdachte een bedrag van € 4.000,- vordert, als vergoeding voor de materiële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de feiten 1 en 2. Daarnaast heeft zij voor deze feiten een door de rechtbank te bepalen bedrag gevorderd, als vergoeding voor immateriële schade.
De benadeelde partij vordert hierbij een verhoging van deze bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade in zijn geheel toe te wijzen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht de vergoeding hiervoor vast te stellen op € 450,-.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. De hoogte van de verzochte vergoeding voor materiële schade is immers het gevolg van een globale schatting, zodat nader onderzoek naar de daadwerkelijke waarde van de sieraden noodzakelijk is. Voor dit nader onderzoek is geen ruimte in het strafproces.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de toe te kennen vergoeding te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schade
De rechtbank is van oordeel, met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 6:97 BW, dat de materiële schade die de benadeelde partij heeft geleden in redelijkheid kan worden geschat op € 4.000,-. De vordering is hiervoor voldoende onderbouwd en zal dan ook worden toegewezen.
De immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij aanspraak maken op een vergoeding voor immateriële schade, als deze partij door de verdachte in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een dergelijke aantasting in de persoon kan worden vastgesteld, op grond van de ernst van het strafbare feit en de geestelijke gevolgen daarvan voor het slachtoffer.
Gelet op de ernst van de feiten, zoals deze onder 5.3.2. is uiteengezet, en de geestelijke gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zoals deze uit de vordering, het dossier en het verhandelde ter zitting zijn gebleken, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten in haar persoon is aangetast.
Gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade, alles overwegende, vaststellen op € 1.000,-.
De proceskosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Het slachtoffer [slachtoffer 7] , benadeelde partij [benadeelde]
Door [benadeelde] is een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin hij van verdachte een bedrag van € 8.766,- vordert, als vergoeding voor de materiële schade die de moeder van [benadeelde] , het overleden slachtoffer [slachtoffer 7] , zou hebben geleden als gevolg van de feiten 1 en 2.
Door [benadeelde] is hierbij een verhoging van dit bedrag gevorderd met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de toe te kennen vergoeding aanzienlijk te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van artikel 51f van het Wetboek van strafvordering kan alleen het slachtoffer, dat wil zeggen degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij voegen in het strafproces. Dit is alleen anders, wanneer het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden. In de onderhavige zaak is dat niet het geval. Dit betekent dat [benadeelde] , de zoon van het slachtoffer, zich niet als benadeelde partij kan voegen in het strafproces.
Omdat [benadeelde] niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zal de rechtbank bepalen dat hij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.
Een strafrechter kan ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Artikel 36f Sr betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. De rechtbank zal op grond van artikel 36f van het Wetboek van strafrecht aan de verdachte wel een schadevergoedingsmaatregel opleggen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7], en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van het dossier, waaronder het taxatierapport dat onderdeel uitmaakt van de door [benadeelde] ingediende vordering, stelt de rechtbank vast dat door de verdachte en zijn mededaders van het slachtoffer [slachtoffer 7] sieraden zijn weggenomen ter waarde van, minimaal, € 8.766,-. Omdat de rechtbank vaststelt dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen om ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] een bedrag van € 8.766,- aan de Staat te betalen.
De wettelijke rente
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen en het slachtoffer moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in paragraaf 10 in de beslissing is weergegeven.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoedingen worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk).
Voor zover een van de mededaders een bedrag aan een van de benadeelde partijen heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan die benadeelde partij te betalen.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt ook ten behoeve van alle benadeelde partijen (waarvan de vordering of een deel daarvan wordt toegewezen) de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan per geval gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in paragraaf 10 in de beslissing is weergegeven. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de aan de benadeelde partijen toegewezen schadevergoeding, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Met betrekking tot het bepalen van de duur van de gijzeling geldt dat in totaal niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling mag worden opgelegd. In de onderhavige zaak moet de verdachte (grote) geldbedragen aan meerdere benadeelde partijen betalen. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank heeft het aantal dagen gijzeling daarom naar evenredigheid berekend.
Kwijting
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De rechtbank in Rotterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10/028756-23 op 9 mei 2023 een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
Ter zitting heeft de officier van justitie meegedeeld, dat van deze voorwaardelijke gevangenisstraf inmiddels een gedeelte van één maand al ten uitvoer is gelegd.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank de vordering toewijst, in die zin dat de resterende voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden ten uitvoer wordt gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht de proeftijd van de voorwaardelijke straf te verlengen met een jaar. Weliswaar heeft de verdachte bij een bewezenverklaring een nieuw strafbaar feit in de proeftijd begaan, maar dit betreft een heel ander delict dan waarvoor de voorwaardelijke straf was opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte is op 9 mei 2023 een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd met een proeftijd van twee jaar.
De verdachte wordt bij dit vonnis veroordeeld voor strafbare feiten, die hij tijdens deze proeftijd heeft gepleegd.
De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom toewijzen, in die zin dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte van de voorwaardelijke straf, zijnde een gevangenisstraf van twee maanden.
9. De toegepaste wetsartikelen
De beslissing van de rechtbank berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 57, 63, 311, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
oplegging straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 35 (vijfendertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat:
* de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De verdachte houdt zich hierbij aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen, genummerd en omschreven zoals op de beslaglijst van 24 oktober 2025:
benadeelde partij [slachtoffer 5]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van
€ 3.000,-, bestaande uit een vergoeding voor materiële schade;
benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van
€ 121.000,-, bestaande uit een vergoeding van € 120.000,- voor materiële schade en een vergoeding van € 1.000,- voor immateriële schade;
benadeelde partij [slachtoffer 3]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van
€ 450,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;
benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van
€ 1.100,-, bestaande uit een vergoeding van € 100,- voor materiële schade en een vergoeding van € 1.000,- voor immateriële schade;
benadeelde partij [slachtoffer 4]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van
€ 5.000,-, bestaande uit een vergoeding van € 4.000,- voor materiële schade en een vergoeding van € 1.000,- voor immateriële schade;
benadeelde partij [benadeelde]
slachtoffer [slachtoffer 7]
- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op aan de Staat € 8.766,- te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2024 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 23 dagen gijzeling;
vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/028756-23
- wijst de vordering gedeeltelijk toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 9 mei 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten voor een gedeelte van twee maanden gevangenisstraf;
- wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en
mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2026.
Mr. M.J. Terstegge, mr. S.E. van den Brink en A. van der Zwan zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij, in of omstreeks de periode van 13 september 2024 tot en met 25 september 2024 te Soest en/of Wassenaar en/of Achterveld en/of Hooglanderveen en/of Soesterberg en/of Werkhoven, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere personen te weten:
- [slachtoffer 1] (zaak 1),
- [slachtoffer 4] (zaak 2),
- [slachtoffer 5] (zaak 3),
- [slachtoffer 6] (zaak 4),
- [slachtoffer 7] (zaak 5),
- [slachtoffer 8] (zaak 6),
- [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (zaak 8),
en/of een of meer anderen,
heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag en/of bankpassen en/of sieraden en/of andere waardevolle voorwerpen, althans enig goed, en/of het ter beschikking stellen van
pincode(s), althans gegevens, door:
- voornoemde personen te bellen en/of zich onder valse naam voor te doen als een medewerker van de politie,
- voornoemde personen te vertellen dat er in de omgeving veel werd ingebroken en/of dat er een overval en/of inbraak had plaatsgevonden en/of te vertellen dat er mogelijk bij voornoemde personen zal worden ingebroken en/of te vertellen dat er een briefje/notitieboekje/lijst is aangetroffen met zijn/haar/hun gegevens,
- voornoemde personen te vertellen dat er een medewerker van de politie langs zou komen om contant geld en/of bankpassen en/of sieraden en/of andere waardevolle voorwerpen op te halen, teneinde deze te scannen en/of te fotograferen en/of veilig te stellen,
- bij de woning van voornoemde personen langs te gaan en/of zich voor te doen als medewerker van de politie en/of daar om afgifte van voomoemde sieraden en/of andere
waardevolle voorwerpen en/of bankpassen en/of contant geld te vragen en/of daarbij een code te noemen,
- voornoemde personen te vragen de pincode van het/de bankaccount(s) af te geven en/of in te spreken na het horen van een pieptoon,
waarna voornoemde personen werden bewogen tot de afgifte van geld en/of bankpassen
en/of sieraden en/of andere waardevolle voorwerpen en/of pincode(s);
2
hij, in of omstreeks de periode van 13 september 2024 tot en met 25 september 2024 te Soest en/of Achterveld en/of Hooglanderveen en/of Soesterberg en/of Wassenaar en/of Leidschendam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meer (contante) geldbedrag(en) en/of bankpas(sen) en/of sieraden en/of andere
waardevoUe voorwerpen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
toebehoorde(n) aan
- [slachtoffer 1] (zaak 1),
- [slachtoffer 4] (zaak 2),
- [slachtoffer 5] (zaak 3),
- [slachtoffer 6] (zaak 4),
- [slachtoffer 7] (zaak 5),
- [slachtoffer 8] (zaak 6),
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geldbedrag en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel (s), te weten door met oplichting verkregen, althans onder valse voorwendselen verkregen, en/of door misdrijf verkregen bankpas(sen) en/of pincode(s), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren,
en/of
het weg te nemen geldbedrag en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door zich onder valse naam voor te doen als een politiemedewerker en/of bij de woning van voornoemde personen langs te gaan en/of voornoemde personen te bewegen tot de afgifte van een of meer (contante) geldbedrag(en) en/of bankpas(sen) en/of sieraden en/of andere waardevolle voorwerpen, in elk geval enig goed;
3
hij, op of omstreeks 24 september 2024 te Werkhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sieraden en/of andere waardevolle voorwerpen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (zaak 8), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die
weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van
het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door zich onder valse naam voor te doen als een politiemedewerker en/of bij de woning van voornoemde personen langs te gaan en/of voornoemde personen te bewegen tot de afgifte van sieraden en/of andere waardevolle voorwerpen, in elk geval enig goed, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voomoemde [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemde [slachtoffer 2] te duwen.
Bijlage II: De bewijsmiddelen
Ten aanzien van alle zaken
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Op donderdag 26 september 2024 werden [medeverdachte 2] ( [geboorteplaats] , 2006), [medeverdachte 1] ( [geboorteplaats] , 1998) en [verdachte] ( [geboorteplaats] , 2000) in Lunteren op heterdaad aangehouden als verdachten van oplichtingen door nepagenten.Bij de verdachten werden in totaal vijf telefoons in beslaggenomen.
Telefoon van verdachte [medeverdachte 1]
Ik bekeek de veiliggestelde gegevens voor de iPhone SE die op donderdag 26 september 2024 in beslaggenomen was bij [medeverdachte 1] .Ik zag in de veiliggestelde data één gebruikersaccount: [gebruikersaccount] @icloud.com.Ik zag dat het mailadres [gebruikersaccount] @icloud.com voorkwam in een registratie van de Financial Intelligence Unit, waarbij geld uit een Marktplaats oplichting via een Revolutrekening gekoppeld aan het adres [gebruikersaccount] @icloud.com doorgestuurd werd naar rekening [gebruikersaccount] op naam van [medeverdachte 1] .Ik zag een email van 24 september 2024 afkomstig van no-reply@paylogic.com gericht aan [e-mail adres medeverdachte 1] @gmail.com. Ik zag in de mail de tekst: “Beste [medeverdachte 1] ”. Ik zag een email van 25 september 2024 afkomstig van info@bodevents.nl met als onderwerp “Laatste info DS Festival” gericht aan [e-mail adres medeverdachte 1] @gmail.com.Het is zeer aannemelijk dat de bij verdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen iPhone SE ook daadwerkelijk in gebruik was bij verdachte [medeverdachte 1] .
Ik zag de onderstaande account die gemarkeerd was als account van de gebruiker van de telefoon:Snapchat, username [Snapchat useraccount medeverdachte 1] , schermnaam [schermnaam medeverdachte 1] .Het is aannemelijk dat dit account in gebruik was bij verdachte [medeverdachte 1] .
Telefoon van verdachte [verdachte]
Ik bekeek op vrijdag 24 januari 2025 de veiliggestelde gegevens voor de iPhone 7 die in beslag genomen was bij [verdachte] .Ik zag de onderstaande gegevens voor het toestel: imei nummer [IMEI-nummer]Ik zag in de veiliggestelde emailberichten tientallen berichten die verstuurd werden, of ontvangen door het adres [e-mail adres verdachte] @gmail.com. Ik herkende in dit adres de naam [verdachte] van verdachte [verdachte] .Het is aannemelijk dat de bij [verdachte] in beslaggenomen iPhone 7 daadwerkelijk door verdachte [verdachte] gebruikt werd.Ik zag de onderstaande account die gemarkeerd was als account van de gebruiker van de telefoon:Snapchat: username [Snapchat username verdachte] .Het is aannemelijk dat dit account in gebruik was bij verdachte [verdachte] .
Samenhang van de in de verschillende zaken gebruikte telefoonnummers en telefoontoestellen.
In de zaken 1, 4 en 5 wordt door de bellers gebeld vanaf de locatie Osdorperweg.
In de zaken 2, 3, 6 en 8 wordt door de bellers gebeld vanaf de locatie Oostzanerwerf.
In de zaken 2, 6 en 8 wordt gebeld met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Met dit telefoonnummer wordt ook het nummer gebeld waarmee in zaak 5 is gebeld.
In de zaken 2, 3, 6 en 8 wordt gebeld met het telefoontoestel met imei-nummer [IMEI-nummer] .
Ten aanzien van zaak 3
Aangever [aangever] heeft het volgende verklaard:
Pleegdatum: 13 september 2024.
Mijn moeder, [slachtoffer 5] (geboortedatum [1937] ; wonend [adres] , [woonplaats] ) is rond 18:00 uur telefonisch benaderd door iemand die zich uitgaf voor politiemedewerker. Hij gaf aan dat er in de buurt inbraken waren geweest en dat zij op een lijst stond van mogelijke adressen voor volgende inbraken. Hij overtuigde haar ervan dat hij haar wilde helpen door langs te komen. Zij heeft daarin toegestemd en heeft hem binnengelaten.Eenmaal binnen verzocht hij haar dat ze haar sieraden bijeen moest zoeken. De sieraden heeft ze verzameld. Hij is met de sierraden naar buiten gegaan om “er een foto van te maken in zijn bus”. Toen hij vervolgens niet terugkwam heeft ze mij om 20:15 gebeld en gezegd dat ze dacht dat ze was opgelicht.De man heeft drie gouden sierraden meegenomen, een ring en twee trouwringen met inscriptie [inscriptie] .
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Onderzoek telefoon [medeverdachte 1]
Ik bekeek de bij verdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone SE voor 13 september 2024.Ik zag tussen 13.00 uur en 13.17 uur 18 Snapchat notificaties met de tekst “[Snapchat schermnaam verdachte] heeft je een chat gestuurd”.Ik zag dat de emoji van het gezichtje met een vingertje voor de mond (de zgn. [… ] ) in gebruik was als schermnaam bij het Snapchat account [Snapchat username verdachte] dat in gebruik was op de iPhone 7, inbeslaggenomen bij verdachte [verdachte] .
13-09-2024 14.59 uurIk zag een afbeelding van een zoekresultaat van de toepassing Google Maps. Ik zag onderin de afbeelding dat er gezocht was op de termen “bejaardenhuis [woonplaats] ”. Ik zag dat het zoekresultaat “Verzorgingshuis [naam] ” aan de [adres] in [woonplaats] liet zien.
13-09-2024 18.08 uurIk zag een afbeelding van een telefoon. Ik zag op het scherm van deze telefoon een website die ik herkende als de website van De Telefoongids. Ik zag gegevens van twee personen waarbij er één doorgekrast was en een omcirkeld.Ik zag dat “ [slachtoffer 5] , [adres] , [woonplaats] ” omcirkeld was. Ik zag dat dit exact overeenkwam met de naam en het adres van het slachtoffer van de oplichting in [woonplaats] .Het is aannemelijk dat deze onderliggende afbeelding op een Samsungtoestel is gemaakt en via Snapchat naar de gebruiker van de iPhone SE is gestuurd.
13-09-2024 18.08 uurIk zag een afbeelding van het adres [adres] , dat exact overeenkwam met het adres van het slachtoffer. Ik zag een autosymbool met daaronder de tekst “9 min”. Het is aannemelijk dat de afbeelding gemaakt is op een locatie vanaf waar het ongeveer 9 minuten rijden naar het adres van het slachtoffer van de fraude in [woonplaats] was.
13-09-2024 18.28 uurIk zag een afbeelding van een navigatieroute. Ik zag de naam [straat] . Ik zag een blauwe cirkel met een witte pijl erin. Ik herkende dit als de huidige locatie van de telefoon waarmee de route gevolgd wordt.Ik zag de tijd “18.30” bij de tekst “Aankomst” en “2,0 km”.Ik bekeek de [straat] op een kaart. Ik zag dat de in de afbeelding getoonde locatie overeenkwam met de [straat] in [woonplaats] ter hoogte van nummer [huisnummer] .Ik berekende in Google Maps een route van nummer [huisnummer] naar nummer [huisnummer] . Ik zag dat de berekende route 2,0 kilometer lang was.
Onderzoek telefoon [verdachte]
Ik bekeek de bij verdachte [verdachte] in beslaggenomen iPhone 7 voor 13 september 2024.
Ik zag dat er omstreeks 18.31 uur een notificatie vastgelegd was waarin vermeld stond: “Nieuwe tag van [Snapchatnaam 1] in Chat”.Ik zag dat de notificatie gestuurd was door de chat-app Snapchat. Ik zag dat de deelnemers aan de chat waren: [Snapchatnaam 8] , [Snapchatnaam 7] , [Snapchatnaam 1] , [Snapchatnaam 3] en [schermnaam medeverdachte 1] .Omdat deze berichten op de iPhone 7 werden ontvangen is het zeer waarschijnlijk dat het account [Snapchat username verdachte] ook deelnam aan deze groep.Ik zag geen inhoud uit de chat. Ik zag dat er tussen 18.31 uur en 19.18 uur tientallen notificaties waren vastgelegd waarin vermeld werd dat er nieuwe berichten van de deelnemers uit de genoemde chat waren.
13-09-2024 18.42 uurIk zag een afbeelding van een foto met een goudkleurige ketting en een goudkleurige ring.13-09-2024 18.43 uurIk zag een afbeelding van een foto met twee ringen en een goudkleurig medaillon.13-09-2024 18.43 uurIk zag een afbeelding van een foto met een ring en een goudkleurig kruisje.13-09-2024 18.43 uurIk zag een afbeelding van een foto met twee ringen, een medaillon en nog twee voorwerpen.Ik zag sterke overeenkomsten tussen de sieraden op de foto’s en de bij het slachtoffer weggenomen sieraden, waarbij ik vooral het kruisje opvallend vond.
Ik bekeek de aangeleverde gegevens voor het IMEI-nummer [IMEI-nummer] , het IMEI-nummer van het toestel dat op donderdag 26 september 2025 bij verdachte [verdachte] in beslag was genomen.Ik zag dat het toestel met het nummer [IMEI-nummer] op 13 september 2024 omstreeks 15.54 uur verbinding had gemaakt met de antenne [… ] in zuidwestelijke richting van de mast aan de [adres] in [woonplaats] .Ik zag dat het adres van het slachtoffer op ongeveer 5 kilometer van deze mast lag.
Verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard:
Ik was op 13 september 2024 in de auto bij de [straat] in [woonplaats] . Ik zat daar met een aantal andere personen, twee of drie. Ik was met die auto opgehaald.
Ten aanzien van zaak 1
Aangever [slachtoffer 1] heeft het volgende verklaard:
Op donderdag 19 september 2024, omstreeks 15.00 uur, was ik in mijn woning. Mijn woning is gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Ik hoorde dat ik gebeld werd op de vaste lijn.Ik hoorde dat ik een vrouw aan de lijn kreeg. Ik hoorde dat zij zei dat zij van de politie was en dat er in de omgeving veel werd ingebroken. Ik hoorde dat zij vertelde dat zij onze waardevolle goederen kon scannen. Als er dan bij ons ingebroken zou worden, dan zouden de sieraden al gescand zijn.Ik kreeg de instructies om alle sieraden te verzamelen. Ik heb dit gedaan omdat ik onze spulletjes veiliger wilde maken.Ik ben naar de kelder gegaan waar onze kluis staat. Ik heb de spullen uit de kluis gehaald en deze in een bigshopper van de Blokker gedaan. Ik heb ook zilveren bestek verzameld en deze in de bigshopper gedaan.Ik kreeg van de mevrouw aan de telefoon een code: [code] . Deze code zou de politie aan de deur geven zodat ik wist dat het om de politie ging. Ik moest de gehele tijd aan de lijn blijven met de vrouw.Omstreeks 15:30 uur kwam er een man aan de deur.
Ik vroeg daarop de code aan de man, Ik hoorde dat hij de juiste code opnoemde. Ik liet de man daarop binnen. Wij zijn daarop de bigshopper uit de kelder op gaan halen.Hij vroeg of ik nog wat spullen voor hem had wat hij zou kunnen scannen. Ik gaf hem nog een ketting van mijn nek af. Dit was een familiestuk van mijn grootmoeder.De man vertrok daarop met de bigshopper en hij liep de straat uit.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd;
Ik zag dat er van drie camera’s beelden beschikbaar waren. Voordeur, Zijdeur en Oprit.Voordeur15.21:01Ik zag linksboven in beeld een donkerblauwe auto, die ik herkende als een Peugeot 206 of 207, vanuit de richting van de [straat] over de [straat] rijden.15:21:04Ik zag de blauwe Peugeot rechts uit beeld rijden.
Zijdeur 15:21:37Ik zag rechtsboven in de hoek een persoon het beeld in lopen. Ik zag deze persoon achter een heg verdwijnen. Ik zag dat de heg en de locatie waar de persoon verdween overeenkwam met de [adres] .15:28:36Ik zag rechtsboven een persoon van de [adres] richting de straat lopen. Ik zag dat de kleuren van de kleding van deze persoon overeenkwam met de kleuren van de kleding van de persoon die omstreeks 15:21:37 richting de [adres] liep. Ik zag dat de persoon nu een wit voorwerp in de linker hand hield.15:29:08Ik zag een donkerblauwe Peugeot 206 of 207 van rechts naar links door het beeld rijden. Ik zag dat de kleur, het model en de velgen overeenkwamen met de Peugeot die om 15:21:01 op de beelden te zien was.
Voordeur 15:31:50Ik zag boven in beeld een blauwe Peugeot 206 of 207 van links naar rechts voorbijrijden. 15:31:52Ik zag dat er een persoon naast de bestuurder van de Peugeot zat.
Zijdeur 15:32:40Ik zag een persoon vanaf de weg richting de [adres] lopen. Ik zag dat de kleuren van de kleding van deze persoon overeenkwamen met de kleuren van de kleding van die persoon die om 15:21:37 richting de [adres] liep.15:33:35Ik zag een persoon vanaf de [adres] richting de weg lopen. Ik zag dat de kleuren van de kleding van deze persoon overeenkwamen met de kleuren van de kleding van die persoon die om 15:32:40 richting de [adres] liep.
Op donderdag 26 september 2024 vonden er meerdere fraudes of pogingen daartoe plaats in Lunteren en Barneveld. Bij deze fraudes gaven bellers en koeriers zich uit als agent.Bij twee van de fraudes werd het kenteken [kenteken] gezien van een mogelijk betrokken voertuig. Het voertuig werd kort daarna aangetroffen en bij de doorzoeking van de auto werden onder andere sieraden aangetroffen die bij de slachtoffers waren weggenomen.
Op donderdag 26 september 2024 ontving het onderzoeksteam van de Eenheid Oost-Nederland foto’s van de Peugeot 207 waarin de verdachten van de fraudes rond Barneveld aangetroffen waren.Op dinsdag 1 oktober 2024 en woensdag 2 oktober 2024 vergeleek ik deze foto’s met de beeldopnames rond de fraude in Soest.
De afbeelding laat de linkerkant van de Peugeot uit Soest zien in een uitsnede van de “Zijdeur” camera met de timestamp 2024-09-19 16:29:08, overeenkomend met 15.29 uur lokale tijd.Ik zag een donkerblauwe Peugeot die uiterlijk sterke overeenkomsten vertoonde met de Peugeot op de beelden uit Barneveld.Ik zag dat:- beide Peugeots donkerblauw waren;- beide Peugeots grijze wieldoppen hadden met zeven spaken;- beide Peugeots de uitvoering waren met de grote ronde grijze verstralers onder de koplampen. Ik zag daarnaast dat bij beide specifieke Peugeots de wieldoppen linksvoor meer vervuild waren dan de wieldoppen linksachter.
Onderzoek telefoon [medeverdachte 1]
Ik bekeek de bij verdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone SE voor 19 september 2024.Ik zag dat er een Snapchatgroepsgesprek actief was. Ik herkende enkele van de deelnemers uit dit gesprek uit het gesprek van 13 september 2024.
19-09-2024 15.03 uurIk zag een afbeelding van een kaart met daarop het adres [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat dit exact overeenkwam met het adres van het slachtoffer.Ik zag een icoon van een auto met daaronder de tekst “18 min”. Het is aannemelijk dat de telefoon zich om 15.03 uur op ongeveer 18 minuten rijden van de [adres] in [woonplaats] bevond.
19-09-2024 15.13 uurIk zag een afbeelding van een kaart met daarop een route. Ik zag dat de markering voor de huidige locatie op de A28 stond. Ik zag een aankomst van 15:23 uur en een afstand van 11 kilometer.Ik zag dat de locatie ongeveer ter hoogte van de [naam] was.Ik zag in mijn berekende route dat de [adres] in [woonplaats] op 10,4 kilometer en 9 minuten rijden vanaf deze locatie lag. Ik zag dat voor deze route afslag 4 naar Soesterberg/Soest vanaf de A28 genomen moest worden. Ik zag dat dit overeenkwam met de tekst boven in de afbeelding.
19-09-2024 15.19 uurIk zag een afbeelding van een route met een huidige locatie op de [straat] en een instructie om over 1,9 kilometer een afslag naar links te nemen naar de [straat] . Ik zag een verwachte aankomst van 15:21 uur. Ik zag dat de locatie overeenkwam met de N413 nabij [naam] in [woonplaats] .In proces-verbaal 20240927.0853.264064 zijn bevindingen vastgelegd aan de hand van camerabeelden die gemaakt zijn vanaf de [adres] in [woonplaats] . Op deze beelden is om 15.21 uur een blauwe Peugeot te zien die vanaf de [straat] over de [straat] richting nummer [huisnummer] rijdt. Ik zag dat deze tijd overeenkwam met de verwachte aankomsttijd die bij de route uit de iPhone SE getoond werd.
Onderzoek telefoon [verdachte]
Ik bekeek de bij verdachte [verdachte] in beslaggenomen iPhone 7 voor 19 september 2024.Ik zag in de veiliggestelde data een notificatie van 19 september 2024 omstreeks 14.23 uur. Ik zag de tekst: “ [schermnaam medeverdachte 1] heeft je aan de groep toegevoegd.”Ik zag bij deze notificatie het onderwerp:[Snapchatnaam 7] , [Snapchatnaam 1] , [Snapchatnaam 9] , [Snapchatnaam 3] , [Snapchatnaam 8] , [Snapchatnaam 2] ”
Ik zag een afbeelding met aanmaakdatum 19 september 2024 omstreeks 15.02 uur van de naam van de echtgenoot en het adres van het slachtoffer uit Soest.Ik zag afbeeldingen die omstreeks 15.21 uur aangemaakt werden.Ik herkende deze afbeeldingen als de afbeeldingen die ik ook in de iPhone SE (van [medeverdachte 1] ) gezien had. Het is aannemelijk dat deze afbeeldingen via Snapchat ontvangen zijn en als aanmaakdatum de datum en tijd van ontvangst gekregen hebben.
Ik bekeek de aangeleverde gegevens voor het IMEI-nummer [IMEI-nummer] , het IMEI-nummer van het toestel dat op donderdag 26 september 2025 bij verdachte [verdachte] in beslag was genomen.Ik zag dat het toestel met het nummer [IMEI-nummer] op 19 september 2024 omstreeks 15.24 uur verbinding had gemaakt met de antenne [… ] in noordelijke richting van de mast aan de [straat] in Soestduinen.Ik zag dat het adres van het slachtoffer op ongeveer 200 meter van deze mast in de richting van de antenne lag.
De verdachte heeft het volgende verklaard:
V: Op donderdag 19 september 2024 omstreeks 15:00 uur is er een oplichting geweest aan de [adres] in [woonplaats] . Wat kun je daarover vertellen?A: In was in de auto gewoon, zitten.V: Welke auto was dat dan?A: Die blauwe, die Peugeot.
O: Er worden foto’s getoond van de Peugeot aan de [straat] in Soest. Zat jij in de auto op 19 september 2024?A: Ik heb in die auto gezeten. V: Jouw telefoon is rond het tijdstip van de oplichting in de buurt van het adres van het slachtoffer. Hoe kan je dit verklaren?A: Dat klopt, ik zat in de auto.
Ik weet dat ik daarheen moest via een SMS op mijn telefoon. Ik kreeg die SMS van de medeverdachte, meneer [medeverdachte 1] . Hij vertelde waar ik heen moest gaan.
Ten aanzien van feit 4
Aangever [slachtoffer 6] heeft het volgende verklaard:
Op maandag 23 september 2024, omstreeks 17.00 uur, was ik thuis. Plots ging de huistelefoon.Ik nam de telefoon op en hoorde een mannenstem. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als “ [valse naam 3] ” en dat hij van de politie was. Hij vertelde dat ze een inbrekersbende hadden opgerold en dat er een notitieblokje gevonden was waarop mijn naam, adres, bankrekeningnummer en pincode stond. Ik hoorde dat hij zei dat ze mijn sieraden wilden fotograferen voor het geval dat deze gestolen zouden worden.Vervolgens hoorde ik dat hij mij vertelde dat hij mij doorverbond met de wijkagent “ [valse naam 2] ” en vervolgens hoorde ik een andere mannenstem. Ik hoorde dat deze “ [valse naam 2] ” hetzelfde verhaal opnieuw vertelde en vertelde dat er iemand langskwam om foto’s te maken van mijn spullen van waarde. Hij vertelde dat “ [valse naam 4] ” van de recherche langs zou komen om deze foto’s te maken. Ik hoorde dat hij zei dat als deze “ [valse naam 4] ” langs zou komen dat hij dan een code zou zeggen en dat ik hiermee zeker wist dat hij van de recherche was. Deze code was “ [code] ”.Ik vertelde de man dat de enige sieraden die ik had aan mijn handen zaten. Aan mijn handen zaten de trouwringen van mij en mijn overleden man. Verder had ik ook een gouden ring met een diamantje erin en een slavenarmband om mijn rechterpols. Ik hoorde dat hij zei dat ik ook deze af moest doen en dat ze hier dan ook foto’s van gingen maken. Ik probeerde ze af te doen, maar kreeg deze sieraden niet af. Ik hoorde dat de man zei dat ik dit met water en zeep moest proberen om ze af te krijgen. Dit deed ik en legde ik klaar op tafel.Ik hoorde plots dat de man aan de telefoon zei: “U heeft ook nog een rood doosje”. Vervolgens heb ik dit rode doosje opgehaald van mijn slaapkamer en klaargelegd bij de andere sieraden.Diezelfde dag, omstreeks 17.30 uur, ging de deurbel en deed ik de deur open met de dievenketting.Ik zag dat er een man aan de deur stond. Ik hoorde dat hij zei dat hij “ [valse naam 4] ” was. Ik hoorde dat hij zei dat hij de code had en deze noemde.Vervolgens opende ik de deur volledig en liet ik hem binnen. Ik zag dat hij de sieraden van tafel pakte en deze wegstopte in zijn zak.Hierna zei hij dat ik in mijn nachtkastje moest gaan kijken. Vervolgens kwam ik terug in de huiskamer en zag ik dat de man weg was.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Onderzoek telefoon [medeverdachte 1]
Ik bekeek de bij verdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone SE voor de middag van 23 september 2024.
23-09-2024 14.18 uurIk zag een afbeelding van een hand met daarin een telefoon. Ik zag op het scherm van de telefoon een afbeelding die herkende als [website] .nl. Ik zag de gegevens van [slachtoffer 9] met adres [adres] in [woonplaats] in beeld.Ik zag in de mij beschikbare politiesystemen een mutatie van een poging tot oplichting aan de [adres] in [woonplaats] op maandag 23 september 2024 omstreeks 14.00. Ik zag dat het slachtoffer gebeld was door [valse naam 5] met dienstnummer [vals dienstnummer 2] .
23-09-2024 16.56 uurIk zag een afbeelding van een kaart met een pin bij het adres [adres] in [woonplaats] . Ik herkende hierin het adres van het slachtoffer van de oplichting in [woonplaats] .Ik zag een icoontje van een auto met daaronder de tekst “14 min”. Het is aannemelijk dat de gebruiker van de telefoon op 14 minuten rijden van het adres van het slachtoffer was.
23-09-2024 16.56 uurIk zag een afbeelding van een kaart met daarop de Laakboulevard. Ik herkende dit als de naam van een straat in de wijk Vathorst in Amersfoort. Ik herkende getoonde locatie als “Rotonde 6” op de Laakboulevard.Ik berekende met Google Maps een route van deze locatie naar [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat de route 1,9 kilometer was en vier minuten zou kosten. Ik zag dat dit vergelijkbaar was met de 1,8 kilometer en 3 minuten uit de afbeelding.
Ik zag dat er een Snapchatgroepsgesprek actief was met daarin de deelnemers:[Snapchatnaam 1] , [Snapchatnaam 2] , [Snapchatnaam 3] , [Snapchatnaam 4] , [Snapchat schermnaam verdachte], [Snapchatnaam 5] , [Snapchatnaam 6], [Snapchatnaam 7] .Omdat deze chat op de iPhone SE aangetroffen werd is het zeer waarschijnlijk dat het snapchataccount uit de iPhone SE “ [schermnaam medeverdachte 1] ” ook deel uitmaakte van deze chat.
Onderzoek telefoon [verdachte]
Ik bekeek de bij verdachte [verdachte] in beslaggenomen iPhone 7 voor de middag van 23 september 2024.Ik zag een notitie die op 23 september 2024 omstreeks 17.00 uur aangemaakt was. Ik zag dat de notitie op 26 september 2024 omstreeks 15.19 uur voor het laatst bewerkt was. Ik zag dat de inhoud van de notitie was: [valse naam 1] [vals dienstnummer 1] huisnr [huisnummer] .Het is waarschijnlijk dat de inhoud van de notitie de inhoud is na de laatste bewerking op 26 september 2024. Ik kon niet zien wat de inhoud van de notitie was na het aanmaken op 23september 2024.
23-09-2024 17.22 uurIk zag een afbeelding van een foto van een goudkleurige armband.Ik zag in de metadata van de afbeelding dat de afbeelding met een iPhone 7 gemaakt was. Het is zeer waarschijnlijk dat deze afbeelding met de onderzochte iPhone 7 is gemaakt.Ik zag naast de afbeelding ook een filmbestand met de naam IMG_ [bestandsnaam] . Ik zag in dit bestand een filmopname van ongeveer twee seconden waarbij de camera boven de armband hing.
23-09-2024 17.22 uurIk zag een afbeelding van een foto met een vergelijkbare ondergrond als de vorige afbeelding.Ik zag een goudkleurige ketting met een goudkleurige, waaiervormige hanger. Ik zag daar naast drie goudkleurige ringen.Ik zag in de metadata van de afbeelding dat de afbeelding met een iPhone 7 gemaakt was. Het is zeer waarschijnlijk dat deze afbeelding met de onderzochte iPhone 7 is gemaakt.
23-09-2024 17.22 uurIk zag een afbeelding van een doosje met daarin vijf munten. Ik zag op een van de munten de tekst:. “1995 10 GULDEN” en op een andere “BEATRIX KONINGIN DER NEDERLANDEN”.Ik zag in de metadata van de afbeelding dat de afbeelding met een iPhone 7 gemaakt was. Het is zeer waarschijnlijk dat deze afbeelding met de onderzochte iPhone 7 is gemaakt.
23-09-2024 17.24 uurIk zag een afbeelding van een foto met een doosje op een ondergrond die vergelijkbaar is met de eerdere foto’s. Ik zag in het doosje een horloge, een ring, een medaillon en drie spelden.Ik zag dat het doosje een rode voering had. Ik zag dat de buitenste rand van het doosje en het deksel ook een rode kleur had.Ik zag overeenkomsten tussen de objecten op de foto’s en de in de aangifte van de oplichting uit Hooglanderveen vermeldde sieraden. Ik zag overeenkomsten tussen de drie ringen, de slavenarmband en het rode doosje.
23-09-2024 17.29 uurIk zag een filmopname van 17.29 uur. Ik zag in beeld een deel van een turquoise gekleurd shirt met daaruit een arm met een donkere huidskleur. Ik zag onder arm een object dat leek op de middenconsole van een auto. Ik hoorde in de opname een stem zeggen: “Nee, nee, hij komt nu terug mevrouw, even rustig.”Ik zag dat het bestand in een folder van de applicatie snapchat was opgeslagen. Het is aannemelijk dat 17.29 uur de tijd van het ontvangen van dit bestand is.
Ik bekeek de aangeleverde gegevens voor het IMEI-nummer [IMEI-nummer] , het IMEI-nummer van het toestel dat op donderdag 26 september 2025 bij verdachte [verdachte] in beslag was genomen.Ik zag dat het toestel met het nummer [IMEI-nummer] op 23 september 2024 omstreeks 17.21 uur verbinding had gemaakt met de antenne [… ] in noordelijke richting van de mast aan de [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat het adres van het slachtoffer op ongeveer 1500 meter van deze mast in de richting van de antenne lag.
De verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard:
Ik was op 23 september 2024 inderdaad in de buurt van het adres [adres] in [woonplaats] . Ik zat samen met anderen in de auto.
Ten aanzien van zaak 5
Aangeefster [slachtoffer 7] heeft het volgende verklaard:
Vandaag, maandag 23 september 2024 bevond ik mijn in mijn woning aan de [adres] in [woonplaats] . Omstreeks 17:30 werd ik gebeld op mijn huistelefoon.Ik nam de telefoon op en hoorde een mannenstem. Ik hoorde dat deze man zichzelf voorstelde als zijnde [valse naam 2] werkzaam bij de politie. Zijn dienstnummer is [vals dienstnummer 1] . Ik hoorde hem zeggen dat er een groep Roemenen was aangehouden. Ze hadden bij de aangehouden verdachten een lijst gevonden waar mijn naam op stond.De politieman vroeg vervolgens of ik al mijn sieraden nog had. Ik moest vervolgens al mijn sieraden op de tafel neerleggen. Ik moest zelfs de trouwring, welke ik om mijn vinger had, per se erbij leggen. Dit heb ik vervolgens gedaan. Ik heb al mijn sieraden, sommige sieraden inclusief sieradendoosje, neergelegd op de salontafel.Ik hoorde [valse naam 2] zeggen dat hij zijn collega, genaamd [valse naam 1] , naar mijn woning ging sturen om de sieraden te scannen en om het hang en sluitwerk van mijn woning te controleren. De man zou bij aankomst bij mijn woning de volgende meldcode doorgeven: [code] .Vervolgens werd er bij de voordeur aangebeld en aangeklopt. Ik deed vervolgens de deur open en zag een man staan. Ik hoorde dat deze man zichzelf voorstelde als [valse naam 1] en hij gaf de vooraf afgesproken meldcode aan mij door.Ik ben met deze [valse naam 1] naar mijn woonkamer gelopen. Ik had mijn sieraden neergelegd op de salontafel in de woonkamer. Ik zag en hoorde dat [valse naam 1] foto’s maakte van mijn sieraden.Ik hoorde dat [valse naam 1] vervolgens vroeg om een tas om de sieraden in te stoppen. Ik zei tegen [valse naam 1] dat hij een plastic tas kon pakken vanuit mijn loggia. Ik zag dat hij twee plastictassen had gepakt uit mijn loggia. Eén witte plastictas één bigshopper van de Albert Heijn. Ik zag dat hij de witte plastic tas op de grond, naast de salontafel, liet vallen en vervolgens mijn sieraden, sommige sieraden met doosje en al, in de bigsshopper stopte.Op de salontafel had ik ook een blauw plasticzakje neergelegd met hierin mijn zilveren sieraden. Dit zakje heeft [valse naam 1] ook leeggegooid in de bighopper.In de tussentijd was ik nog steeds aan het bellen met de politieagent [valse naam 2] .Nadat [valse naam 1] de woning had verlaten hoorde ik [valse naam 2] , die ik nog aan de telefoon had, zeggen dat ik televisie moest gaan kijken en dat [valse naam 1] zo dadelijk terug zou komen met mijn sieraden.Tijdens het gesprek gaf [valse naam 2] het volgende telefoon door: [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer kon ik altijd bellen als ik nog vragen had. Dit telefoonnummer heb ik gebeld maar hoorde dat deze niet in gebruik was. Ik heb hierna 112 gebeld.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Op de plaats delict, [adres] , [woonplaats] , is een stuk van overtuiging veiliggesteld en in beslag genomen.
Sporendrager: SIN AASF3519NL
Inhoud/specificatie: witte plastic tas zonder opdruk.
Spoor: SIN AASU0715NLSpooromschrijving: vingerafdrukPlaats veiligstellen: De binnenzijde van de tas AASF3519NL.
Het vergelijkend onderzoek in Havank heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon geregistreerd in Havank onder SKN-nummer: [SKN nummer] .Overzicht van de gegevens onder SKN [SKN nummer] :[verdachte] , geboortedatum [2000] .
In een deskundigenrapportage van het NFI staat het volgende:
Onderstaand materiaal is ontvangen van de politie.Sin: AASF3519NL.Omschrijving: witte plastic tas zonder opdruk.
Bemonstering: Sin AASF3519NL#04, rand van de opening- binnenkant. DNA kan afkomstig zijn van minimaal twee personen, waaronder [verdachte] , bewijskracht meer dan één miljard.
Bemonstering: Sin AASF3519NL#05, rand van de handvatten – buitenkant.
DNA kan afkomstig zijn van minimaal drie personen, waaronder [verdachte] , bewijskracht ongeveer een miljoen.
Bemonstering: Sin AASF3519NL#06, rand van de handvatten – buitenkant.
DNA kan afkomstig zijn van minimaal drie personen, waaronder [verdachte] , bewijskracht ongeveer meer dan één miljard.
Onderzoek telefoon [medeverdachte 1]
Ik bekeek de bij verdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone SE voor de middag van 23 september 2024.
Ik zag dat er een Snapchatgroepsgesprek actief was met daarin de deelnemers:[Snapchatnaam 1] , [Snapchatnaam 2] , [Snapchatnaam 3] , [Snapchatnaam 4] , [Snapchat schermnaam verdachte], [Snapchatnaam 5] , [Snapchatnaam 6], [Snapchatnaam 7] .Omdat deze chat op de iPhone SE aangetroffen werd is het zeer waarschijnlijk dat het snapchataccount uit de iPhone SE “ [schermnaam medeverdachte 1] ” ook deel uitmaakte van deze chat.
Onderzoek telefoon [verdachte]
Ik bekeek de bij verdachte [verdachte] in beslaggenomen iPhone 7 voor de avond van 23 september 2024.
23-09-2024 18.02 uurIk zag een afbeelding van een hand met een telefoon. Ik zag op het scherm van deze telefoon een afbeelding van detelefoongids.nl met daarop de gegevens van [C] , [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat het telefoonnummer [telefoonnummer] geselecteerd was.Ik zag in de aangifte dat het adres van de fraude in [woonplaats] was: [adres] . Ik zag dat het slachtoffer gebeld was op het nummer [telefoonnummer] . Ik zag dat dit overeenkwam met de gegevens in de afbeelding.De afbeelding stond in een folder die hoort bij Snapchat. Het is aannemelijk dat deze afbeelding om 18.02 uur op de iPhone 7 ontvangen is.
Ik zag een notitie die op 23 september 2024 omstreeks 17.00 uur aangemaakt was. Ik zag dat de notitie op 26 september 2024 omstreeks 15.19 uur voor het laatst bewerkt was. Ik zag dat de inhoud van de notitie was: [valse naam 1] [vals dienstnummer 1] huisnr [huisnummer] .
Ik zag een notitie die op 23 september 2024 omstreeks 18.39 uur aangemaakt was. Ik zag dat de notitie op 25 september 2024 omstreeks 16.42 uur voor het laatst bewerkt was. Ik zag dat de inhoud van de notitie was: Nr [huisnummer] [valse naam 1] [vals dienstnummer 1] .
Ik bekeek de aangeleverde gegevens voor het IMEI-nummer [IMEI-nummer] , het IMEI-nummer van het toestel dat op donderdag 26 september 2025 bij verdachte [verdachte] in beslag was genomen.Ik zag dat het toestel met het nummer [IMEI-nummer] op 23 september 2024 omstreeks 18.32 uur verbinding had gemaakt met de antenne [… ] in noordelijke richting van de mast aan de [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat deze mast zich op het dak van het appartementencomplex met daarin de woning van het slachtoffer aan de [adres] bevond.
De verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard:
Het klopt dat ik mij op 23 september 2024 op het adres [adres] in [woonplaats] als agent heb voorgedaan, dat ik daar de woning ben ingegaan en dat ik daar sieraden heb meegenomen.
Ten aanzien van zaak 6
Aangever [slachtoffer 8] heeft het volgende verklaard:
Ik was op maandag 23 september 2024 rond 19.00 uur in mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] . Ik had net de afwas gedaan toen de telefoon ging.Ik hoorde dat ik een dame aan de lijn kreeg die zei dat ze [valse naam 6] heet en dat ze hoofdrechercheur was met dienstnummer [vals dienstnummer 3] .Ik hoorde haar zeggen dat er in een woning aan de Vliegtuiglaan was ingebroken. Daarbij was een auto betrokken en die hadden ze gevonden op de Kampweg. Er was een notitieboekje gevonden met allerlei adressen erin, waaronder mijn adres. Er zou dus ook nog bij mij ingebroken kunnen worden. Ze gaf vervolgens haar collega aan de lijn. Dit zou [valse naam 11] met dienstnummer [vals dienstnummer 2] zijn.Ik hoorde hem vragen of ik antiek of schilderijen van waarde in huis heb waarop ik antwoordde dat ik dat niet heb.Toen hoorde ik hem vragen of ik sieraden en geld in huis heb waarop ik ja antwoordde. Dat geld moest ik alvast klaarleggen op tafel. Ook moest ik mijn sieraden pakken zodat ze deze voor de politie zouden fotograferen.De man aan de telefoon zou een collega langs sturen, genaamd [valse naam 1] , met een dienstnummer waar de cijfers [vals dienstnummer 1] in voorkwamen.Deze collega kwam rond 19.30 uur aan de deur van mijn woning en liep met mij mee naar boven om de sieraden te pakken. De sieraden zaten nog in de dozen en het zakje waarin ik deze bewaar.Eenmaal beneden zag ik dat de man de sieraden uit de doosjes en het zakje haalde en deze in de plastic zak deed die ik even daarvoor alvast had gepakt. Verder zag ik dat hij het briefgeld meenam dat ik op tafel had gelegd.
Daarna zag ik dat de man mijn woning uitliep om in zijn auto foto’s te maken van mijn sieraden en mijn briefgeld.Ik dacht dat de man terug zou komen om alles terug te brengen maar de man kwam niet meer terug.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Inbeslagneming: 24 september 2024 om 00:11 uurLocatie: [adres] te [woonplaats]Datum en tijd: 24 september 2024 om 00:11 uurOmstandigheden: De man die de sieraden kwam ophalen heeft het sieradendoosje vastgehouden toen hij de sieraden hieruit haalde.Uniek Voorwerp Nummer: BZAE5108.
Omschrijving: sieradendoos.
Sporendrager:Uniek Voorwerp Nummer: BZAE5108SIN: AASF2402NL.Ik heb deze sporendrager onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen. Ik heb het spoor veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AARM0126NL en verzegeld.
In een deskundigenrapportage van Eurofins staat het volgende:
Sporenmateriaal:SIN AARM0126NL, bemonstering zijkant deksel.Resultaat: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren.Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.Mogelijke donor van DNA: [verdachte] (DNA-hoofdprofiel).
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Onderzoek telefoon [medeverdachte 1]
Ik bekeek de bij verdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone SE voor de middag van 23 september 2024.
Ik zag dat er een Snapchatgroepsgesprek actief was met daarin de deelnemers:[Snapchatnaam 1] , [Snapchatnaam 2] , [Snapchatnaam 3] , [Snapchatnaam 4] , [Snapchat schermnaam verdachte], [Snapchatnaam 5] , [Snapchatnaam 6], [Snapchatnaam 7] .Omdat deze chat op de iPhone SE aangetroffen werd is het zeer waarschijnlijk dat het snapchataccount uit de iPhone SE “ [schermnaam medeverdachte 1] ” ook deel uitmaakte van deze chat.
Ik bekeek de bij verdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone SE voor de avond van 23 september 2024.
23-09-2024 19.44 uurIk zag een afbeelding van een foto van een tafel. Ik zag op de tafel een schoteltje met een briefje van tien euro erop. Ik zag onder het briefje van tien euro nog meer briefjes waarvan er een de blauwe kleur en een zilverkleurige strip leek te hebben overeenkomstig een briefje van twintig euro. Ik zag een ketting met witte kralen.
Onderzoek telefoon [verdachte]
Ik bekeek de bij verdachte [verdachte] in beslaggenomen iPhone 7 voor de avond van 23 september 2024.23-09-2024 19.25 uurIk zag een afbeelding met de tijd 19.25 uur van een hand met een telefoon. Ik zag op het scherm van deze telefoon de tijd 19:23 uur. De afbeelding stond in een folder die hoort bij Snapchat. Het is aannemelijk dat deze afbeelding om 19.25 uur op de iPhone 7 ontvangen is.Ik zag naast de tijd een symbool van een telefoon met daarachter 10:45. Ik herkende dit als een indicatie van een telefoongesprek dat 10 minuten en 45 seconden bezig was. Dit past bij een telefoongesprek dat omstreeks 19.12 uur begonnen is.Ik zag op het scherm ook de website detelefoongids.nl met daarop de gegevens van [slachtoffer 8] , [adres] , [woonplaats] . Ik zag dat dit de naam en het adres van het slachtoffer van de oplichting uit Soesterberg was.
De verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard:
Het klopt dat ik mij op 23 september 2024 op het adres [adres] in [woonplaats] als agent heb voorgedaan, dat ik daar de woning ben ingegaan en dat ik daar sieraden heb meegenomen.
Ten aanzien van zaak 8
Aangever [slachtoffer 2] heeft het volgende verklaard:
Op dinsdag 24 september 2024 was ik thuis samen met mijn vrouw, [slachtoffer 3] , geboren op [1940] in [geboorteplaats] . Wij wonen op de [adres] in [woonplaats] .Omstreeks 17:45 uur op dezelfde dag werden wij gebeld door een anoniem nummer op onze vaste telefoon. Mijn vrouw [slachtoffer 3] nam de telefoon op. Zij hoorde een vrouwenstem die een verhaal ophing waar mijn vrouw weinig van begreep. Mijn vrouw hing uiteindelijk op omdat zij het niet vertrouwde.Ik kwam enkele momenten later thuis en hoorde van mijn vrouw wat er was gebeurd.Enkele momenten later ging de telefoon weer, ik nam de telefoon op. Omstreeks 18:30 uur hoorde ik in het telefoongesprek een vrouwenstem. De vrouw stelde zich voor als [valse naam 7] , zij gaf op dienstnummer [vals dienstnummer 3] te hebben. Ik hoorde van haar het volgende:- dat er twee inbrekers waren aangehouden bij mijn achterburen;- dat er een lijstje met namen bij hen was aangetroffen;- dat mijn naam én adres op het lijstje stond;- dat zij iemand langs zou sturen om te inventariseren welke waardevolle spullen wij allemaal thuis hadden liggen;- welke sieraden ik in huis had liggen;- of ik contant geld in huis had liggen.Ik noemde een paar van de sieraden die wij in huis hebben. Zij vroeg of ik de sieraden bij elkaar wilde leggen om daar een foto van te maken. Ik legde daarop de sieraden klaar.Ik hoorde dat zij de wijkagent, [valse naam 8] zou sturen.Omstreeks 18:45 uur hoorde ik de deurbel gaan. Ik opende de deur. Ik zag een man. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als de wijkagent, [valse naam 8] . Ik hoorde dat hij kwam voor een inventarisatie van geld en sieraden.Ik had enige twijfels bij zijn verhaal dus ik reageerde kortaf. Ik hoorde de persoon aan de telefoon zeggen: “ach zo gaat u toch niet om met medewerkers van de politie?” of woorden van gelijke strekking. Daarop liet ik de mannelijke persoon binnen.Ik liep voor de persoon uit de trap op naar de eerste verdieping in mijn woning.Toen wij op de slaapkamer waren liep de jongen naar de commodekast en pakte de sieraden. Ik zag dat de jongen een foto maakte van de sieraden met zijn mobiele telefoon.Ik zag dat de jongen alle sieraden die ik klaar had gelegd in zijn rechter broekzak stak. Ik zag dat de jongen willekeurige kasten opentrok. Ik vertrouwde de situatie niet meer.Ik zei dat de persoon moest stoppen. Ik zag dat de persoon doorging. Ik liep vervolgens de trap af naar de voordeur. Ik zette de voordeur op de haak aan de binnenkant zodat de persoon mijn woning niet kon verlaten.Ik zag dat de persoon óók de trap afliep. Ik zei tegen de persoon dat ik mijn sieraden terug wilde. Ik hoorde dat de persoon hier niet op reageerde. Ik zag dat de persoon probeerde ervandoor te gaan. Ik wilde de politie bellen. Er ontstond een conflict tussen ons. Ik zei dat hij niet mocht gaan. Uiteindelijk duwde de persoon mij opzij met twee handen. Ik voelde dat de twee handen in contact kwamen met mijn lichaam.
Ik hoorde mijn vrouw vanuit de woonkamer gillen van angst. Ik zag dat de persoon de deur van de haak haalde en er hard vandoor rende.Ik liep achter de persoon aan. Ik zag dat mijn buren afkwamen op het tumult. Ik zag dat mijn buurman achter de persoon aanrende. Enkele momenten later kwam hij terug en hoorde ik dat hij de persoon niet te pakken had gekregen. Ik hoorde dat hij de persoon in een Peugeot zag stappen. De Peugeot zou een klein model auto zijn.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Op dinsdag 9 december 2025, omstreeks 16.00 uur had ik telefonisch contact met Mevr. [slachtoffer 3] . Ik legde haar uit, dat ik haar een paar vragen wilde stellen omtrent de aangifte van haar man van vorig jaar september.A: Mijn man wilde een armband terug. De man wilde die niet teruggeven. Mijn man bleef volhouden dat hij de armband terug wilde. Toen werd die man agressief.V: Wat bedoelt u met agressief?A: Ze kregen mot bij de deur. Daarna ging hij heel hard wegrennen. Mijn man kon hem nietachterna.V: Wat bedoelt u met: ze kregen mot?A: Mijn man kreeg een duw.V: Hoe kreeg uw man die duw?A: Ik stond erachter, dus ik zag niet precies hoe de man dat deed, maar hij kreeg een duw. Mijn man bewoog plotseling. Daarna rende de man heel hard weg. De buurman rende er nog achteraan, maar kon hem ook niet pakken.
Onderzoek telefoon [verdachte]
Ik bekeek de aangeleverde gegevens voor het IMEI-nummer [IMEI-nummer] , het IMEI-nummer van het toestel dat op donderdag 26 september 2025 bij verdachte [verdachte] in beslag was genomen.Ik zag dat het toestel met het nummer [IMEI-nummer] op 24 september 2024 omstreeks 18.56 uur verbinding had gemaakt met de antenne [… ] in zuidwestelijke richting van de mast aan de [adres] in [woonplaats] .Ik zag dat het adres van het slachtoffer, [adres] , op ongeveer 100 meter van deze mast in de richting van de antenne lag.
De verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard:
Ik was op 24 september 2024 inderdaad in de buurt van het adres [adres] in [woonplaats] . Ik zat samen met anderen in de auto. Ik wist ongeveer wat er zou gaan gebeuren.
Ten aanzien van zaak 2
Aangever [slachtoffer 4] heeft onder meer het volgende verklaard:
Op 25 september 2024 omstreeks 15.15 werd ik gebeld op mijn vaste telefoon.Ik hoorde een vrouwenstem aan de telefoon, ik hoorde dat ze zich voorstelde als [valse naam 9] met nummer [vals dienstnummer 4] .Ik hoorde dat [valse naam 9] zei dat er gisternacht een man overvallen was op de Hugo de Grootstraat in Wassenaar. Hier zou ook een voertuig bij betrokken zijn geweest. In dat voertuig zou een briefje gevonden zijn waar mijn naam en adres op te zien waren.Vervolgens kreeg ik een andere persoon aan de telefoon. Ik hoorde een mannenstem welke zich voorstelde als [valse naam 10] van de recherche.[valse naam 10] vroeg vervolgens of ik sieraden had of goud. Ik zei dat ik twee armbanden met kinderkopjes had. Ik hoorde [valse naam 10] zeggen dat ik deze moest klaar leggen op de tafel. [valse naam 10] vertelde vervolgens dat er “zo” iemand langs zou komen om spullen op te halen.[valse naam 10] vertelde mij meerdere keren om de telefoon vast te houden en aan de telefoon te blijven.Ik weet niet meer precies hoe laat, maar ik denk dat ik rond 17.30 mijn deurbel af hoorde gaan. Ik liep naar de deur. Ik had op dat moment nog steeds [valse naam 10] aan de telefoon.Ik deed de deur open en ik zag een man voor mijn deur staan. Ik hoorde hem zeggen dat hij van de politie was en hij stelde zich voor als [valse naam 1] .Ik liet [valse naam 1] binnen. Ik liep met hem naar de tafel in de woonkamer waar ik mijn sieraden had gelegd. Ik hoorde [valse naam 1] vragen of ik alle sieraden in een zakje kon doen.Ik wilde mijn armbanden, welke ik op dat moment om mijn linker pols had ook af doen om mee te geven. Ik kreeg de armbanden niet af en vertelde dit aan de telefoon tegen [valse naam 10] . [valse naam 10] vertelde mij vervolgens dat [valse naam 1] mij kon helpen. [valse naam 1] deed vervolgens mijn armbanden af en deed deze ook in het zakje.Ik hoorde [valse naam 1] vervolgens vragen of ik nog meer had en of ik geld had of een pinpas. Ik gaf hem vervolgens mijn pinpas van de ING. Hierop zei [valse naam 1] dat hij de pas moest scannen en dat hij een kwartiertje weg zou blijven.[valse naam 1] ging vervolgens met het zakje sieraden en mijn pinpas mijn woning uit.Ik was op dat moment nog steeds aan de telefoon met [valse naam 10] . Deze gaf aan dat ik een nieuw pasje zou krijgen. Mijn oude pas zou zijn geblokkeerd. Ik hoorde hem zeggen dat ik een nieuw pasje zou krijgen van de ING.[valse naam 10] vertelde mij dat ik mijn pincode van mijn pinpas moest opzeggen in mijn telefoon. Dit moest ik dan doen nadat er een pieptoon op mijn telefoon te horen was. [valse naam 10] vertelde mij dat zij dit niet konden zien. Ik gaf vervolgens mijn pincode.[valse naam 10] gaf aan dat ik een nieuwe pas zou krijgen. Hierop ben ik nog aan de telefoon gebleven maar hoorde ik niks meer. Na ongeveer 10 minuten hing ik de telefoon op. Ik vertrouwde het niet meer en ik belde vervolgens direct de ING, dit was om 18.25 uur.Ik vroeg de ING of er geld was opgenomen aangezien ik zelf vandaag geen geld had opgenomen. Ik hoorde dat er vandaag 1500 euro was opgenomen.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Onderzoek telefoon [medeverdachte 1]
Ik bekeek de bij verdachte [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iPhone SE voor 25 september 2024.Ik zag een afbeelding die om 13.40 uur gemaakt was. Ik zag in de foto verschillende boodschappen in papieren tassen bij een geopende achterkant van een auto.Ik zag een afbeelding met precies dezelfde foto. Ik zag dat aan deze foto de GPS coördinaten [GPS coördinaten] gekoppeld waren. Ik bekeek deze coördinaten op een kaart. Ik zag dat de locatie overeenkwam met de [adres] in [woonplaats] . Het is aannemelijk dat de gebruiker van de iPhone SE om 13.40 uur aan de [adres] in [woonplaats] was.
25-09-2024 15.11 uurIk zag een afbeelding van een kaart met een pin bij het adres [adres] in [woonplaats] . Ik zag in de mij beschikbare politiesystemen in registratie PL1500-2024311112 een mutatie over een bankhelpdeskfraude gepleegd op 25 september 2024 aan de [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat het slachtoffer het telefoongesprek had afgebroken voordat er iemand aan de deur was gekomen.
Ik zag dat er omstreeks 19.57 uur op de telefoon, met de Safari browser, via de site google.com gezocht was op de termen “9 karaat goud prijs”.
Onderzoek telefoon [verdachte] Ik bekeek de bij verdachte [verdachte] in beslaggenomen iPhone 7 voor 26 september 2024. 2024.26-09-2024 16.35 uur.Ik zag een afbeelding van een telefoon met daarop de tijd 15:18 en de website detelefoongids.nl. Ik zag op deze site de gegevens van [slachtoffer 10] , [adres] , [woonplaats] . Ik herkende hierin de naam en het adres van het slachtoffer.
Ik zag dat de eerder genoemde notitie die op 23 september 2024 aangemaakt werd op 25 september 2024 omstreeks 16.42 uur voor het laatst bewerkt was. Ik zag dat de inhoud van de notitie na deze bewerking was: Nr [huisnummer] [valse naam 1] [vals dienstnummer 1]Ik zag dat het huisnummer [huisnummer] en de naam [valse naam 1] overeenkwamen met de aangifte van de fraude aan de [adres] in [woonplaats] , waarbij de koerier ongeveer 48 minuten na het bewerken van deze notitie aan de deur was geweest.
26-09-2024 16.59 uur
Ik zag een afbeelding met de tijd 16.59 uur in een folder die hoort bij Snapchat. Het is aannemelijk dat deze afbeelding om 16.59 uur op de iPhone 7 ontvangen is.
Ik zag in de afbeelding een foto met daarop verschillende sieraden. Ik zag meerdere goud- en
zilverkleurige armbanden, kettingen en ringen.
Ik zag een op een Post-it note gelijkend voorwerp. Ik maakte een uitsnede van dit voorwerp waar ik het contrast van verhoogde. Ik zag op het voorwerp de teksten:
“ [valse naam 9] ”“ [vals dienstnummer 3] ”“recher??ge”“? [valse naam 10] ”
“ [valse naam 10]
“112”
Ik zag sterke overeenkomsten tussen deze teksten en de aangifte waarin genoemd worden:
[valse naam 9]
[vals dienstnummer 4]
[valse naam 10] van de recherche.
26-09-2024 17.49 uur
Ik zag een filmopname met de tijd 17.49 in een folder die hoort bij Snapchat. Het is aannemelijk dat deze afbeelding om 17.49 uur op de iPhone 7 ontvangen is.
Ik zag in het filmpje een scherm dat ik herkende als een Geldmaat pinautomaat.
Ik zag dat het filmpje begon op het moment dat er 4 cijfers van een pincode ingevoerd waren. Ik kon niet zien wat de pincode was. Ik zag dat de persoon die de Geldmaat bediende het saldo opvroeg.
Ik zag dat er 500 euro opgenomen kon worden en dat het saldo 5612,91 euro was.
Ik zag dat er gekozen werd voor de optie om geld op te nemen. Ik zag dat het filmpje eindigde voordat er een bedrag ingevoerd werd.
Ik zag een vergelijkbaar filmpje. Ik zag dat het bedrag 490 euro ingetoetst werd en dat het filmpje direct hierna eindigde.
Ik zag in de iPhone 7 een snapchatgesprek tussen [Snapchat useraccount medeverdachte 1] (de waarschijnlijke gebruiker van de iPhone SE) en [Snapchat username verdachte] (de gebruiker van de iPhone 7) van 25 september 2024.
17:53:10 [Snapchat useraccount medeverdachte 1] : Door
18:05:39 [Snapchat username verdachte] : Dus niet 1. 4x in 1. Eerst 2. En dan 2?
18:06:09 [Snapchat useraccount medeverdachte 1] : Ja gwn 4. Is limiet 2x2. 2 gold 2 red.
18:06:54 [Snapchat username verdachte] : Doe nu. 2. Red. 2 gold.
18:07:13 [Snapchat useraccount medeverdachte 1] : Cool.
18:07:40 [Snapchat username verdachte] : Pas doet t niet.
18:07:44 [Snapchat useraccount medeverdachte 1] : Andere ooh niet?
18:07:49 [Snapchat username verdachte] : Nee.
Ik zag in registratie PL 1500-2024311435 dat er om 17.53 uur voor het laatst gebruik gemaakt was van de pas van het slachtoffer.
Onderzoek telefoon [verdachte] . Ik bekeek de aangeleverde gegevens voor het IMEI-nummer [IMEI-nummer] , het IMEI-nummer van het toestel dat op donderdag 26 september 2025 bij verdachte [verdachte] in beslag was genomen.Op woensdag 25 september 2025 vond er een oplichting plaats in [woonplaats] . Ik zag in de aangifte dat het slachtoffer niet precies wist hoe laat, maar dacht dat er omstreeks 17.30 uur aangebeld was door [valse naam 1] .Ik zag dat het toestel met het nummer [IMEI-nummer] op 25 september 2024 omstreeks 17.14 uur verbinding had gemaakt met de antenne [… ] in zuidoostelijke richting van de mast aan de [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat het adres van het slachtoffer op ongeveer 200 meter van deze mast in de richting van de antenne lag.
Onderzoek naar pin-opnames met de gestolen pinpas.
Na de voltooide babbeltruc, was de verdachte naar de pinautomaat van Geldmaat, gelegen aan de [adres] , te [woonplaats] gegaan. Aldaar had de verdachte voor 1000,- euro gepind met de bankpas van het slachtoffer.De gevorderde camerabeelden van de Geldmaat had ik ontvangen op 27 september 2024.Op de camerabeelden zag ik op tijdstip 17.12 uur en 18 seconden, linksboven in beeld een persoon verschijnen.Ik zag dat de verdachte met het bovengenoemde signalement een pinpas in de automaat stak en vervolgens geld begon te pinnen. Ik zag dat hij, terwijl hij bezig was met pinnen, druk aan het bellen/op zijn telefoon bezig was.
Uit onderzoek bleek dat er op woensdag 25 september 2024 met het slachtoffer haar pinpas
om 17.46 uur en 17.53 uur pintransacties zijn geweest, bij de Shell op de Noordsingel 10 te Leidschendam.
Wij zagen op de beelden dat de transactie door een man wordt gedaan. Wij zagen dat de verdachte eerst richting de Shell loopt uit de richting van het parkeerdeck van de Mall aan de Noordsingel. Wij verbalisanten zagen op de beelden dat de verdachte 2 sloffen sigaretten afrekent me een oranje pinpas. Wij zagen vervolgens dat de verdachte weer in de richting van de Mall loopt.
Wij zagen op de beelden dat na enkele minuten de verdachte weer uit de zelfde richting riching de Shell loopt en hier nogmaals 2 sloffen sigaretten afrekent met een oranje pinpas. Wij verbalisanten zagen dat de verdachte wederom weer terug loopt in de richting van de Mall.
Wij zagen op de beelden dat de verdachte in de richting van de parkeerplaats P5 van de West Field Mall liep.
Wij zagen dat de beveiliger naar eerdere beelden keek en wij zagen op die beelden dat de verdachte met 2 overige nog onbekende verdachte in een Peugeot, blauw van kleur, voorzien van kenteken: [kenteken] aan komt rijden.
Wij zagen dat de verdachte die de sloffen sigaretten heeft afgerekend, aan een van de andere twee verdachten overhandigd.
Ik heb het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] in het voor mij beschikbare politieraadplegingssysteem VI-IB bevraagd. Ik zag dat het voertuig te naam gesteld is op: [medeverdachte 1] , geboren op [1998] te [geboorteplaats] .
Ik zag dat de bestuurder van het eerder genoemde voertuig dat parkeerde bij the Mall, hoogstwaarschijnlijk de tenaamgestelde [medeverdachte 1] is. [medeverdachte 1] zijn SKB-foto komt overeen met de persoon welke te zien is op de beelden in de parkeergarage.
Ik zag tevens dat er een aandacht vestiging op betreffend persoon was. Ik zag dat er het volgende in deze aandacht vestiging stond vermeld: Bij betrokkene een telefoon aangetroffen met telefoonbestanden die als tekst hadden: “Oudjes Friesland, adressen Friesland”.
De verdachte heeft bij de politie het volgende verklaard:
O: In de Iphone 7 zien wij een snapchatgesprek op woensdag 25 september 2024 tussen [Snapchat username verdachte] en [Snapchat useraccount medeverdachte 1] . Dit gesprek vindt plaats rond 17.53 uur. Dit is rond het tijdstip dat er met de pinpas van het slachtoffer wordt gepind. V: Wie is [Snapchat username verdachte] ?A: Dat is mijn snapchat account.
De verdachte heeft ter zitting verklaard:
Ik ben de persoon op de camerabeelden van de pintransacties bij de Geldmaat en bij de Shell. Ik heb geld gepind met de pasjes die waren meegenomen.
[medeverdachte 1] was erbij in de parkeergarage van de Mall.