[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde van [eiser 1] : [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn
(gemachtigde: B.N.N. Hiemstra, M. Eijbaard en L.J. Van Wegen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het verkeersbesluit van 4 september 2024 (bekend gemaakt op 8 november 2024) waarbij het college heeft bepaald om het bestaande parkeerverbod langs de westkant van de Jan Steenlaan te Baarn te vervangen door een ‘parkeerverbodzone.’ Hierdoor mag uitsluitend in de vakken worden geparkeerd. Verder is besloten om aan de zuidkant van de Jan Steenlaan de borden ‘parkeren uitsluitend bewoners’ weg te halen.
2. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het verkeersbesluit. Het college heeft het bezwaar bij besluit van 30 juni 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartegen hebben eisers vervolgens beroep ingesteld.
3. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
4. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van het college van 30 juni 2025 op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser 1] en de gemachtigden van het college.
6. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep.
Overwegingen
Omvang van het geschil
7. De rechtbank stelt vast dat het besluit bestaat uit twee onderdelen: het instellen van een parkeerverbodzone en het verwijderen van de bordjes ‘parkeren uitsluitend bewoners.’ Eisers hebben geen gronden aangevoerd tegen de parkeerverbodzone. Ter zitting is ook gebleken dat eisers het daar op zich mee eens zijn. Het beroep richt zich alleen tegen het verwijderen van de bordjes door het college.
Het oordeel
8. De rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van het beroep. Dat komt omdat het beroep strekt tot het verwijderen van verkeerstekens, waarvoor geen verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet (WVW) is vereist. Ingevolge artikel 15, eerste lid van de WVW geschiedt de plaatsing of verwijdering van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven verkeerstekens en onderborden voorzover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit. In artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake wegverkeer (BABW) staat welke verkeerstekens krachtens een verkeersbesluit worden geplaatst of verwijderd. Het bord ‘parkeren uitsluitend bewoners’ is niet in de lijst opgenomen.
9. De wettelijke grondslag van het primaire besluit wordt gevormd door artikel 15 van de WVW en de op deze bepaling gebaseerde regelgeving. Het bord ‘parkeren uitsluitend bewoners’ is niet opgenomen in de lijst, waardoor geen verkeersbesluit nodig is. Aangezien in artikel 15, eerste lid, van WVW zich beperkt tot verkeerstekens die krachtens een verkeersbesluit zijn geplaatst of verwijderd, ontbreekt een wettelijke grondslag voor het verwijderen van de bordjes. Het verwijderen van de bordjes wordt daarom aangemerkt als een feitelijke handeling die aan de rechtsmacht van de bestuursrechter is onttrokken.
10. Het voorgaande brengt ook mee dat de bordjes juridisch niet van waarde zijn. Met of zonder de bordjes ‘parkeren uitsluiten bewoners’, was het iedereen toegestaan op de aangewezen plekken een auto te parkeren. Als ‘niet-bewoners’ daar zouden parkeren, terwijl de bordjes er staan, leidt dit niet tot een overtreding en kan er niet beboet worden of anderszins worden opgetreden. Het plaatsen of weghalen van de bordjes heeft daarom juridisch geen gevolgen, hoewel de rechtbank begrijpt dat het in praktische zin de omwonenden wel heeft geholpen.
11. De rechtbank is daarom onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.