RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/607798 / FV RK 26-587
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1940 in [geboorteplaats] (Nederlands-Indië),
hierna: betrokkene,
wonend en verblijvende bij [woon- en verblijfplaats] , locatie [locatie] in [plaats]
advocaat: mr. C.T.W. van Dijk.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 2 maart 2026 ontvangen.
De mondelinge behandeling stond gepland op 19 maart 2026. Er was geen arts fysiek aanwezig. Vanwege de slechte verbinding was het destijds geen optie om de arts telefonisch te laten aansluiten. De rechtbank heeft besloten om de beslissing op het verzoek aan te houden voor de duur van twee weken.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [A] , specialist ouderengeneeskunde;
- [B] , verpleegkundige;
- [C] , echtgenote.
2. Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
3. De beoordeling
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van twaalf maanden. Er is voldaan aan de voorwaarden uit de Wet zorg en dwang. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening. Er is sprake van cognitieve stoornissen passend bij dementie, waarschijnlijk een mengbeeld van Alzheimer met het component vasculair. De rechtbank baseert zich hierbij op de medische verklaring van 13 februari 2026.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
Hoewel de advocaat pleit voor afwijzing op basis van voldoende vrijwilligheid, oordeelt de rechtbank dat opname en verblijf noodzakelijk blijven. De specialist ouderengeneeskunde heeft ter zitting uitgelegd dat betrokkene graag naar huis wil. Ondanks dat betrokkene ergens beseft dat terugkeren naar huis geen optie is, uit hij consequent, soms geagiteerd, deze wens. Daarnaast is het niet mogelijk om in de thuissituatie te kunnen voldoen aan zijn zorgbehoefte. Met name de onplanbare momenten kunnen door de echtgenote en thuiszorg niet worden ondervangen.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
4. De beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1940 in [geboorteplaats] (Nederlands-Indië);
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 2 april 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 door mr. J.P.M. Schwillens, rechter, in aanwezigheid van R. Staal, griffier en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.