[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
Ministerie van Financiën, verweerder.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend op 27 oktober 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van 7 augustus 2025.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft op 7 augustus 2025 een Woo-verzoek ingediend. Verweerder moet beslissen binnen vier weken na ontvangst van het Woo-verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid van de Woo. Verweerder had dus uiterlijk op 4 september 2025 moeten beslissen.
4. Eiseres heeft verweerder op 10 oktober 2025 in gebreke gesteld. Eiseres heeft op
27 oktober 2025, en daarmee meer dan twee weken nadat zij verweerder in gebreke heeft gesteld, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar Woo-verzoek.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels een schriftelijke beslissing heeft genomen op het verzoek van eiseres bij besluit van 5 december 2025.
6. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser heeft aangegeven het niet eens te zijn met het alsnog genomen besluit.
7. De rechtbank zal het beroep echter niet zelf behandelen, maar met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb doorsturen aan de minister om in bezwaar te behandelen. De rechtbank ziet daar aanleiding toe omdat een heroverweging van het besluit, gelet op onder andere het bezwaar van eiser, naar verwachting bijdraagt aan een nader gemotiveerd besluit op eisers Woo-verzoek.
8. Omdat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen en er geen recht bestaat op een bestuurlijke dwangsom, heeft eiseres geen belang meer bij een oordeel over het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Het beroep van eiseres is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
9. De rechtbank ziet aanleiding voor vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,-. Verweerder heeft immers pas beslist nadat eiseres met reden beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De griffier is buiten staatte ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: