[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
De directie van de RDW, de RDW
(gemachtigde: mr. J. Choufoer-van der Wel).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de RDW om voor zijn voertuig met kenteken [kenteken] (het voertuig) een verbod op te leggen om te rijden op de weg.
Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiser is de RDW bij dat besluit gebleven.
Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De RDW heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de RDW deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt of de RDW in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om het rijverbod voor het voertuig op te leggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser voert aan dat de RDW het besluit niet op de meting heeft kunnen baseren. Deze is uitgevoerd door de politie en niet door de RDW zelf, er is geen meting in de wagen zelf gedaan en verder voldoen de gehanteerde tussenafstanden van 30 tot 40 meter niet aan die bij richtlijn en regelgeving zijn gegeven. Ook vindt eiser van belang dat er aan hem geen strafrechtelijke sanctie is opgelegd. Verder voert eiser aan dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Eiser wijst er op dat het voertuig tweedehands is gekocht, het om een voertuig van buitenlandse makelij gaat en eiser zelf het voertuig nimmer heeft opgevoerd.
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het voertuig een motorrijtuig met beperkte snelheid (mmbs) betreft die niet harder mag dan 30 km/h (25 km/h + 5 km/h). Ook uit het verslag van de hoorzitting in de bezwaarfase blijkt dat eiser zich daarvan bewust was.
5. Op 19 september 2024 heeft de politie een melding gemaakt bij de RDW dat het voertuig niet voldoet aan de vastgestelde eisen omdat dit voertuig veel harder kan dan de constructiesnelheid van 25 km/h. Om dit vast te stellen zijn er twee rijproeven uitgevoerd. In beginsel mag de RDW hiervan uitgaan, tenzij een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van deze melding.
6. De rechtbank ziet dat de RDW in de bezwaarfase navraag heeft gedaan bij de politie over de rijproeven. Daarop is gemeld dat de rijproeven zijn uitgevoerd op basis van een goedgekeurde trajectsnelheidsmeter en conform de in de Instructie meting maximum snelheid voorgeschreven werkwijze. In die Instructie is verwezen naar de artikelen 28 en 29a van bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 van de Regeling Voertuigen. Beide rijproeven resulteerden in een gecorrigeerde snelheid van meer dan 70 km/u. Ook staat er vermeld dat de meetafstand bij beide rijproeven meer dan 1.000 meter bedroeg. De tussenafstand aan het begin van de meting was telkens 30 meter en aan het einde van de meting 40 meter. Dat dit in strijd zou zijn met de richtlijn of regelgeving is niet gebleken en ook geheel niet onderbouwd door eiser.
7. Voor zover eiser betoogt dat hij niet strafrechtelijk is vervolgd, is dit ook niet onderbouwd en heeft eiser ook geen andere (leesbare) stukken overgelegd die grond bieden voor het oordeel dat niet van de juistheid van de meting uit mag worden gegaan. Bovendien gaat het in dit geval om een bevoegdheid van de RDW ter behartiging van het belang van de verkeersveiligheid. Dit betreft een ander toetsingskader dan het strafrechtelijke toetsingskader.
8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dus geen aanknopingspunten die maken dat de RDW niet van de melding en de daarin genoemde gegevens mocht uitgaan. De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid om een rijverbod op te leggen daarmee is gegeven.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat de RDW het algemeen belang van de verkeersveiligheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het individuele belang van eiser. Daarbij is er door de RDW terecht op gewezen dat het belang van verkeersveiligheid niet alleen geldt voor andere weggebruikers maar ook voor eiser zelf. Het voertuig is beoordeeld als mmbs en wanneer eiser meent dat dit voertuig harder zou mogen kunnen, dan kan hij zijn voertuig opnieuw laten beoordelen door de RDW. Zolang niet bekend is of dit voertuig geschikt is om harder te gaan, is de verkeersveiligheid in het geding. Een overschrijding van 40 km/h is bovendien zeer fors. De overige punten van eiser – dat het voertuig tweedehands is gekocht, van buitenlandse makelij is, niet door hem zelf is opgevoerd en dat eiser het voertuig zal laten begrenzen – zijn verder allemaal niet onderbouwd. Bovendien laat dit onverlet dat eiser de eigenaar is van het voertuig en daarom er verantwoordelijk voor is. Ook overigens heeft eiser niet toegelicht en onderbouwd waarom zijn belangen zwaarder zouden moeten wegen dan het belang van de verkeersveiligheid.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de RDW het rijverbod voor het voertuig kon opleggen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026 door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.