ECLI:NL:RBMNE:2026:2119

ECLI:NL:RBMNE:2026:2119

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer UTR 26/2988
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Kennelijk ongegrond, omdat spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Vergunninghouder bouwt voor eigen rekening en risico. Omgevingsvergunning niet evident onrechtmatig. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2026 in de zaak tussen

1. [verzoeker sub 1] en

2. [verzoeker sub 2], allebei uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M.E. Beukers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. E.W.M. Verdonk).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

[derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] uit [plaats] , vergunninghouders.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de door het college op 1 april 2026 aan vergunninghouders verleende omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de eerste verdieping aan de achterzijde van de woning op het adres [adres 1] in [plaats] .

Verzoekers wonen aan de [adres 2] in [plaats] . Zij zijn de directe buren van vergunninghouders en ze zijn het niet eens met het realiseren van de uitbreiding van de woning. Daarom hebben zij bij het college bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is wegens het ontbreken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bouwwerkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning is verleend al grotendeels gereed zijn. Vergunninghouders hebben op eigen risico en voor eigen rekening een aanvang gemaakt met de bouwwerkzaamheden voordat de verleende omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de bouwwerkzaamheden niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de door verzoekers ingediende bezwaren de omgevingsvergunning zou herroepen. Dit betekent dat er nu geen onomkeerbare situaties ontstaan die een spoedeisend belang opleveren om een voorlopige voorziening te treffen.

6. Ter onderbouwing van hun spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening hebben verzoekers aangevoerd dat na volledige afbouw de financiële en feitelijke drempel om in de bodemprocedure nog tot een (gedeeltelijke) verwijdering of aanpassing van de uitbouw te komen aanzienlijk zal toenemen. Deze onderbouwing van hun spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening leidt niet tot een ander oordeel. Zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is, bouwen vergunninghouders voor eigen rekening en risico. Het komt dus voor hun rekening en risico dat als de omgevingsvergunning wordt herroepen zij de uitbreiding van de woning, ook als deze al in gebruik is genomen, in zijn geheel zullen moeten slopen of moeten aanpassen.

7. De conclusie van het voorgaande is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorziening. De door verzoekers gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of de omgevingsvergunning in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Dat betekent dat vergunninghouders bij deze stand zaken zolang het college nog niet op de bezwaren van verzoekers heeft beslist voor eigen rekening en risico gebruik mogen maken van de aan hen verleende omgevingsvergunningen en de activiteiten waarvoor deze zijn verleend mogen uitvoeren.

9. Omdat het verzoek wordt afgewezen, bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand