Inleiding
1. Orgaworld exploiteert een bedrijf dat groente, fruit, tuinafval en overig organisch afval composteert. Voor het gebruik van haar composteerinstallatie aan de [adres] in [vestigingsplaats] heeft Orgaworld op 30 maart 2010 een milieu(revisie)vergunning gekregen. Op 28 oktober 2014 en op 16 mei 2022 is deze vergunning deels gewijzigd. Orgaworld verwerkt thans zo’n 112.000 ton organisch afval per jaar.
2. Het organisch afval wordt bij Orgaworld gemengd en uitgelegd op een veld in een grote hal. Na compostering wordt het materiaal gezeefd met een fijne zeef (0-11 millimeter). Het gezeefde materiaal is bruikbare compost, ook wel ‘keur-compost’ genoemd. Het overgebleven grove materiaal wordt gemengd met slib en in acht tunnels (twee secties van elk vier tunnels) verder gecomposteerd. Het materiaal uit de secties wordt gemengd en achtereenvolgens gezeefd met een fijne zeef (0-10 millimeter) en een grove zeef (0-80 millimeter). Het materiaal uit de fijne zeef is bruikbare compost, ook wel ‘hoog nutriënten-compost’ genoemd. Het materiaal uit de grove zeef wordt opnieuw ter compostering in twee tunnelsecties gebracht, waarna het weer wordt gezeefd en zo voort. Het materiaal dat achterblijft in de grove zeef, en dus een korrelgrootte heeft van meer dan 80 millimeter, is residu en wordt afgevoerd.
3. Bij het composteringsproces is zuurstof nodig. Daarom wordt er van onderaf lucht door het organisch afval in het veld en de tunnels geblazen. Voordat de lucht wordt uitgestoten wordt het gefilterd. De lucht in de hal, waar de veldcompostering plaatsvindt, wordt de twee tunnelsecties ingezogen waarna het per sectie door een zure wasser wordt geleid. Hierin wordt de lucht opgelost in zuur waswater waardoor onder meer ammoniak en vluchtige organische stoffen er gedeeltelijk uit worden gefilterd. De lucht uit de zure wassers wordt gemengd en door een neutrale wasser heen geleid. Aan dit waswater is (natron)loog toegevoegd met een PH-waarde van 7 dat zorgt voor gedeeltelijke neutralisering van de zure dampen. Tot slot gaat de lucht nog door een bioscrubber heen, waarin het wordt opgelost in een vloeistof waar micro-organismen aan zijn toegevoegd die verontreinigingen in de lucht omzetten in stoffen zoals koolstofdioxide en water. Tot slot wordt de lucht via een 37 meter hoge schoorsteen uitgestoten.
4. Inrichtingen, zoals Orgaworld, moeten gebruikmaken van de voor hun inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT). Wat de BBT zijn, wordt op Europees niveau vastgesteld. De BBT-conclusies voor afvalbehandeling zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1147 van de Europese Commissie van 10 augustus 2018. Onder 3 van dit Uitvoeringsbesluit staan de BBT-conclusies voor de biologische behandeling van afval. BBT 34 ziet op de emissies naar lucht. Voor de geurconcentratie bij de biologische behandeling van afval is hierin een range van 200 – 1.000 ouE/Nm3 opgenomen, waarbij ouE staat voor European Odour Unit (de Europese standaardmaatstaf voor de geurconcentratie in lucht) en Nm3 voor normaal kubieke meter.
5. Op 14 februari 2023 heeft MOB bij gedeputeerde staten verzocht om de milieuvergunning van Orgaworld aan te scherpen, specifiek door de geur- en ammoniakemissie-eis voor Orgaworld te verlagen naar de laagste waarde (ondergrens) van de range uit BBT 34. Orgaworld acht dit niet haalbaar en heeft ter onderbouwing daarvan stukken ingediend. Met het besluit van 19 augustus 2025 hebben gedeputeerde staten vergunningvoorschriften 3.1.9. en 3.1.10. bij de milieu(revisie)vergunning van 20 maart 2010 (de rechtbank leest: 30 maart 2010) ingetrokken en onder meer vervangen door:
BBT-eis geurnorm
Tenzij anders voorgeschreven moet vergunninghouder voldoen aan de BBT-conclusies van 10 augustus 2018 (UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/1147).
Voor de bepaling van het van toepassing zijnde BBT-GEN van tabel 6.7 van de
BBT-conclusies Afvalbehandeling van 10 augustus 2018 is de geurconcentratie leidend ten opzichte van de emissie van ammoniak.
Noot: de emissie van ammoniak is geregeld via rechtstreekse regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. De meet- en registratieverplichtingen voor geuremissies zijn reeds vastgelegd in de vigerende omgevingsvergunningen.
De geurvracht uit de centrale schoorsteen naar de buitenlucht mag niet meer dan
84 x l06 ouE/uur bedragen.
Noot: deze geurvracht is gebaseerd op een genormaliseerde geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3. (volgens de bovengrens van de BBT-conclusies Afvalbehandeling van 10 augustus 2018) vermenigvuldigd met een afgasdebiet van 83.600 Nm3/uur.
6. Met het bestreden besluit is de geurvracht (de hoeveelheid ouE per Nm3 per uur) die Orgaworld uit de centrale schoorsteen mag emitteren dus aangescherpt tot 84 miljoen. Sinds de laatste revisievergunning van 28 oktober 2014 gold voor Orgaworld een maximale geurvracht van 409 x 106, ofwel 409 miljoen ouE/Nm3/uur. Met het bestreden besluit is dit dus bijna vijf keer strenger geworden.
7. Zowel Orgaworld als MOB zijn het niet eens met het bestreden besluit. Kort gezegd vindt Orgaworld de wijziging te streng en vindt MOB die niet streng genoeg. Zij hebben allebei beroep ingesteld. Ter onderbouwing van haar beroep heeft Orgaworld een rapport van 28 november 2025 van [adviesbureau 1] in samenwerking met [adviesbureau 2] overgelegd, en een notitie van [adviesbureau 2] van 8 december 2025. Omdat MOB gedeputeerde staten inmiddels om handhaving van het bestreden besluit had verzocht heeft Orgaworld de voorzieningenrechter gevraagd om het bestreden besluit te schorsen tot er op haar beroep is beslist.
8. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) gevraagd om advies over de zaak. Op 18 december 2025 heeft de StAB haar deskundigenrapport uitgebracht. Partijen hebben hier alle drie op gereageerd. Orgaworld heeft daarbij onder meer een aanvullende notitie van [adviesbureau 2] meegestuurd van 9 januari 2026.
9. De beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn vervolgens op 20 januari 2026 gevoegd bij de rechtbank op een zitting behandeld. Orgaworld heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [A] , manager business Line Organics Renewi, [B] , procestechnoloog, en [C] , adviseur bij [adviesbureau 2] . MOB is op de zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden en door [D] , medewerker luchtkwaliteit en geur, en ir. ing. [E] , vergunningverlener. Namens de StAB zijn mr. [F] en ing. [G] op de zitting verschenen.
10. Na de toezegging van gedeputeerde staten niet te zullen handhaven tot er uitspraak is gedaan in de bodemprocedure, heeft Orgaworld haar verzoek om een voorlopige voorziening op de zitting ingetrokken.
Overwegingen
Strijd met de goede procesorde
11. Op de zitting heeft MOB aangevoerd dat Orgaworld bij cumulatie niet voldoet aan de voorgeschreven geurimmissie-normen. Doordat MOB dit pas op de zitting naar voren heeft gebracht hebben de andere partijen, maar ook de rechtbank, daar niet adequaat op kunnen reageren. De rechtbank acht dat in strijd met de goede procesorde, zodat zij deze beroepsgrond niet zal betrekken bij haar beoordeling van het bestreden besluit.
Is de Omgevingswet wel van toepassing?
12. MOB voert aan dat gedeputeerde staten ten onrechte de Omgevingswet (Ow) hebben toegepast. Omdat het besluit is genomen naar aanleiding van het actualisatieverzoek van MOB van 14 februari 2023 was, gelet op het overgangsrecht, nog de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.
13. Ook de rechtbank stelt vast dat ten onrechte de Ow is toegepast. Het verzoek van een belanghebbende om de actualisatie van een omgevingsvergunning is een ‘aanvraag’ in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). MOB heeft gedeputeerde staten verzocht om de milieu(revisie)vergunning van Orgaworld te actualiseren aan de hand van het Uitvoeringsbesluit, specifiek door de geur- en ammoniakemissie-eis in de vergunning te verlagen naar de ondergrens van de range uit BBT 34. Hierop hebben gedeputeerde staten met het bestreden besluit beslist. Het bestreden besluit is dus niet ambtshalve genomen, maar is een beslissing op een aanvraag.
14. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om de wijziging van een omgevingsvergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet het recht van toepassing zoals dat onmiddellijk voor die inwerkingtreding gold. Nu het verzoek van MOB nog voor de inwerkingtreding van de Ow, namelijk op 14 februari 2023 is ingediend, is in deze zaak dus nog de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing. Door niet de Wabo, maar de Ow toe te passen, hebben gedeputeerde staten zich bij het bestreden besluit dus op een onjuiste wettelijke grondslag gebaseerd. Deze beroepsgrond slaagt.
15. De van toepassing zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat het hierin opgenomen beoordelingskader, voor zover in deze zaak relevant, materieel niet verschilt van het door gedeputeerde staten toegepaste kader uit de Ow en onderliggende regelingen.
Is er volledig beslist op de aanvraag?
16. MOB heeft verder aangevoerd dat gedeputeerde staten met het bestreden besluit niet volledig op haar aanvraag hebben beslist. Het actualisatieverzoek van MOB zag niet alleen op geuremissie maar ook op de emissie-eis voor ammoniak uit BBT 34. Bovendien heeft MOB verzocht om actualisatie van de milieu(revisie)vergunning conform het Uitvoeringsbesluit in het algemeen. Hierin staan ook regels over de vermindering van afvalwater en waterverbruik en daar is met het bestreden besluit niet over beslist.
17. De rechtbank volgt MOB hierin niet. MOB heeft haar actualisatieverzoek enkel waar het de geur- en ammoniakemissie-eisen betreft concreet gemaakt door daarvoor naar BBT 34 te verwijzen. Voor zover MOB om actualisatie van de milieuvergunning conform het Uitvoeringsbesluit in het algemeen heeft gevraagd, acht de rechtbank het verzoek te onbepaald om van een ‘aanvraag’ in de zin van de Awb te kunnen spreken. In het verzoek staat niets over de vermindering van afvalwater en waterverbruik of over BBT 35. De rechtbank ziet dan ook niet dat gedeputeerde staten gehouden waren om daar op grond van het verzoek, over te beslissen.
18. Verder geldt dat BBT 34 het met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveau (BBT-GEN) voor ammoniak óf geur voorschrijft. Het is aan het bevoegd gezag om te kiezen welk van de twee moet worden toegepast. In lijn hiermee, hebben gedeputeerde staten in geval van Orgaworld gekozen voor toepassing van het voorgeschreven niveau voor geurconcentratie, zodat er over de uitstoot van ammoniak (terecht) geen voorschriften in het bestreden besluit zijn opgenomen. Ook in zoverre bestaat er dus geen aanleiding voor de conclusie dat gedeputeerde staten niet volledig op de aanvraag zouden hebben beslist. De beroepsgrond slaagt niet.
19. Overigens is met partijen op de zitting vastgesteld dat het bestreden besluit voor zover daarin is opgenomen dat de emissie van ammoniak sinds de invoering van de Ow is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), niet is gericht op rechtgevolg. Voor zover hierover beroepsgronden zijn aangevoerd, laat de rechtbank die dan ook buiten beschouwing.
Vergunningvoorschrift 3.1.1.
20. Orgaworld voert aan dat voorschrift 3.1.1. onvoldoende concreet en daardoor in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van vergunningvoorschrift 3.1.1. moet Orgaworld voldoen aan alle BBT-conclusies uit het Uitvoeringsbesluit, maar BBT zijn met een vergunningvoorschrift niet op deze wijze in algemene zin van toepassing te verklaren.
21. De rechtbank volgt Orgaworld in dit betoog. De normen voor afvalbehandeling uit het Uitvoeringsbesluit hebben geen rechtstreekse werking. Op grond van de Wet milieubeheer (Wmb) en de Wabo moeten in een inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Het bevoegd gezag moet emissiegrenswaarden in een omgevingsvergunning vaststellen die waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de van toepassing zijnde met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus. BBT-conclusies vormen de referentie voor toetsing en vaststelling van vergunningsvoorschriften en actualisatie van deze voorschriften.
22. Dit betekent dat het aan gedeputeerde staten is om de normen uit het Uitvoeringsbesluit voor Orgaworld te vertalen naar bruikbare en praktisch hanteerbare vergunningvoorschriften, afgestemd op de specifieke installatie(s) en bedrijfsproces(sen) van de inrichting. Zij moeten daarbij ook bepalen welke specifieke emissiegrenswaarde binnen de range uit een BBT-conclusie van toepassing is, zodat duidelijk is aan welke waarde een bedrijf gebonden is. Met voorschrift 3.1.1. is die vertaalslag overgeslagen en zijn de BBT-conclusies, en dus de range als geheel, rechtstreeks van toepassing verklaard. Dat is in strijd met het systeem van de wet. Op de zitting hebben gedeputeerde staten toegelicht dat zij met dit voorschrift eventuele onduidelijkheden over de vraag welke versie van het Uitvoeringsbesluit van toepassing zou zijn, hebben willen wegnemen, maar dat kan hier niet aan af doen. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Gelijkwaardig milieubeschermingsniveau
23. Orgaworld voert aan dat het aanscherpen van de geuremissie niet noodzakelijk is, omdat zij met vergelijkbare technieken al een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau haalt. Het gaat bij geur om de mate van hinder voor de omgeving, zodat niet de emissie maar immissiebepalend is voor het gewenste beschermingsniveau. Bij de milieu(revisie)vergunning van 30 maart 2010 zijn niet voor niets voorschriften ten aanzien van geurimmissie gesteld. Ter plaatse van woonwijken mag die niet meer bedragen dan 0,5 ouE/Nm3 als 98 percentiel en ter plaatse van agrarische bedrijfswoningen in het buitengebied niet meer dan 1,5 ouE/Nm3 als 98 percentiel. [adviesbureau 1] heeft met verspreidingsberekeningen de geurbelasting voor de omgeving bepaald in zowel de huidige situatie, als in de situatie waarin sprake is van een geurconcentratie van 200 ouE/Nm3 (de ondergrens van de BBT-range). Hieruit blijkt dat in beide gevallen aan deze immissie-eisen wordt voldaan. Daar komt bij dat het aantal geurklachten beperkt is.
24. De rechtbank volgt Orgaworld hierin niet. Waar de uitstoot via een 37 meter hoge schoorsteen door verspreiding en verdunning in een lagere geurimmissie kan resulteren, maakt dat de geurémissie (de hoeveelheid ouE per Nm3) die uit de schoorsteen komt niet anders. In BBT 34 zijn geen immissie-, maar emissienormen voorgeschreven die moeten worden toegepast bij het actualiseren van de vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.
BBT-norm niet haalbaar voor composteringsbedrijven in het algemeen
25. Orgaworld voert verder aan dat de range van 200 – 1.000 ouE per Nm3 uit BBT 34 niet representatief is voor composteerinstallaties, zodat zij daar niet aan kan worden gehouden. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar het rapport van 28 november 2025 van [adviesbureau 1] in samenwerking met [adviesbureau 2] , en de notities van [adviesbureau 2] van 8 december 2025 en 9 januari 2026. Hieruit volgt dat de range te laag is, omdat die voornamelijk is gebaseerd op (lagere) geurconcentraties bij vergisting en mechanische biologische behandeling, in plaats van compostering. Ook zijn er veelal geurmetingen van referentie-installaties uit het buitenland gebruikt waar tot voor kort, kort gezegd als gevolg van verkeerde meetapparatuur, veel lagere geurconcentraties werden gemeten dan in Nederland. Verder zijn voor de geurconcentratie andere belangrijke aspecten niet meegenomen, zoals de verhouding tussen verwerkingscapaciteit en ventilatiedebiet, en ontbreken details over de toegepaste technieken bij de referentiebedrijven. Dat de BBT-range niet haalbaar is voor composteringsbedrijven wordt tot slot breed gedeeld onder ervaringsdeskundigen, zo blijkt uit een enquête die [adviesbureau 2] heeft afgenomen bij andere composteerders en geurdeskundigen.
26. De rechtbank volgt Orgaworld hierin niet. Vooropgesteld zij dat de in het Uitvoeringsbesluit opgenomen BBT-conclusies betrekking hebben op de in bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE) omschreven activiteiten. Eén van die activiteiten is opgenomen onder categorie 5.3, onder a en onder i en ii, te weten: de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van een (…) biologische behandeling en/of fysisch chemische behandeling. Niet in geschil is dat Orgaworld hier, met een verwerkingscapaciteit van meer dan 75 ton per dag, onder valt. Dat betekent dat BBT 34 en dus ook de daarin opgenomen range voor geurconcentratie van 200 – 1.000 ouE/Nm3, op haar moet worden toegepast bij het actualiseren van de vergunning.
27. Zoals vermeld, is het vervolgens aan het bevoegd gezag om de van toepassing zijnde BBT-normen te vertalen naar bruikbare en praktisch hanteerbare vergunningvoorschriften, afgestemd op de specifieke installatie(s) en bedrijfsproces(sen) van de betreffende inrichting. Het bevoegd gezag moet daarbij ook bepalen welke specifieke emissiegrenswaarde binnen de range uit een BBT-conclusie van toepassing is, zodat duidelijk is aan welke waarde een bedrijf gebonden is. BBT-conclusies (en BBT-referentiedocumenten) worden op Europees niveau vastgesteld en regelmatig herzien. Het is niet aan het bevoegd gezag, of aan de rechtbank, om in een individuele vergunningprocedure te toetsen of de BBT-norm zelf rechtens juist en uitvoerbaar is. Een andere uitleg zou er toe leiden dat bij elke actualisatie de noodzaak en legitimiteit van de BBT zelf ter discussie zouden kunnen worden gesteld en dat is niet de bedoeling, gelet op de ontstaansgeschiedenis van BBT-conclusies die zijn ontwikkeld om een gelijk speelveld te creëren en milieunormen in de Europese Unie te harmoniseren. De beroepsgrond slaagt niet.
BBT-norm niet haalbaar voor Orgaworld
28. Orgaworld voert verder aan dat een geurconcentratie van maximaal 1.000 ouE/Nm3 financieel en technisch niet haalbaar is voor haar inrichting. Het is aan gedeputeerde staten om die haalbaarheid te onderbouwen, en dat hebben gedeputeerde staten volgens Orgaworld niet gedaan. Orgaworld heeft in 2021 – 2023 een bedrijfsoptimalisatie doorgevoerd waarbij onder andere de zure wassers aan de installatie zijn toegevoegd en de bestaande bioscrubber is gerenoveerd. Hierbij heeft Orgaworld al bijna 2 miljoen euro geïnvesteerd in luchtbehandeling. Uit berekeningen van [adviesbureau 2] blijkt dat de huidige geurconcentratie fors hoger is. Om die te reduceren tot 1.000 ouE/Nm3 zou er tussen de zure wassers en de bioscrubber een extra biofilter moeten worden geplaatst en zou Orgaworld daarnaast haar productie met een factor 7 moeten verlagen. Een biofilter vergt een eenmalige investering van € 1.500.000,- en betekent, afhankelijk van de afschrijvingstermijn, jaarlijks terugkomende onderhoudskosten van € 300.00,- tot € 900.000,-. Verlaging van de productie met een factor 7 leidt tot 85% omzetverlies. De bedrijfsvoering zal dan dus niet meer rendabel zijn. Ter onderbouwing heeft Orgaworld verwezen naar het rapport van 28 november 2025 van [adviesbureau 1] in samenwerking met [adviesbureau 2] en de notities van [adviesbureau 2] van 8 december 2025 en 9 januari 2026.
29. De rechtbank stelt voorop dat gedeputeerde staten op grond van de wet- en regelgeving, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, moeten toetsen of de bij een milieuvergunning gestelde voorschriften voldoen aan de toepasselijke BBT-conclusies en of het noodzakelijk is die voorschriften te actualiseren. Daarbij vastgestelde emissiegrenswaarden moeten waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus uit deze BBT-conclusies.
30. Het is aan het bevoegd gezag om te motiveren dat een geuremissie-eis die is opgenomen in een vergunningvoorschrift onder normale bedrijfsomstandigheden haalbaar is. Als immers redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat een inrichting hieraan kan voldoen behoort een vergunning te worden geweigerd of (in het kader van actualisering) te worden ingetrokken. Op gedeputeerde staten rust dus de verantwoordelijkheid om te beoordelen of de gestelde emissiegrenswaarde voor Orgaworld haalbaar is. Het is aan Orgaworld om gedeputeerde staten hiertoe te voorzien van alle benodigde gegevens.
31. Als moet worden geconcludeerd dat de geuremissie-eis niet haalbaar is omdat dit zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, dan kunnen gedeputeerde staten in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden vaststellen. De buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen moeten dan wel het gevolg zijn van de geografische ligging van de betrokken inrichting, de lokale milieuomstandigheden, of de technische kenmerken van de betrokken installatie.
32. Uit het bestreden besluit blijkt dat gedeputeerde staten zich voor het bepalen van de maximale geurvracht hebben gebaseerd op de resultaten van drie geurmetingen die door [adviesbureau 1] in opdracht van Orgaworld zijn verricht op 25 augustus 2023, 26 september 2023 en 1 november 2023. Gedeputeerde staten hebben het bij één van de deelmetingen hoogst gemeten afgasdebiet van 83.600 Nm3/uur als uitgangspunt genomen. Hierbij hebben zij betrokken dat dit debiet aanzienlijk hoger is dan het bij de afzonderlijke deelmetingen laagst gemeten debiet van 54.900 Nm3/uur, en ook nog hoger is dan het gemiddelde van alle deelmetingen van 72.467 Nm3/uur. Door het debiet van 83.600 Nm3/uur te vermenigvuldigen met de geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3 hebben gedeputeerde staten de maximale geurvracht die Orgaworld uit de centrale schoorsteen mag emitteren berekend op (afgerond) 84 miljoen ouE/Nm3/uur. Dat deze geurvracht haalbaar is voor Orgaworld blijkt volgens gedeputeerde staten niet alleen uit de metingen van [adviesbureau 1] , maar ook uit de geurmetingen die op 14 juli 2022 en 18 augustus 2022 door de Omgevingsdienst regio Arnhem (ODRA) bij Orgaworld zijn verricht, mits gecorrigeerd met een factor 2.
33. Gedeputeerde staten hebben de haalbaarheid van de aangescherpte geurvracht verder onderbouwd door te wijzen op verschillende mogelijkheden om de installatie optimaal ‘in te regelen’. Dit kan Orgaworld doen door het verminderen van de te verwerken afvalstroom of door te selecteren op de input daarvan, het efficiënter maken van de huidige installatie en bedrijfsvoering en het toepassen van geur-reducerende maatregelen en/of installaties, of een combinatie hiervan. Volgens gedeputeerde staten is het aan Orgaworld om te onderbouwen dat dit niet mogelijk zou zijn.
34. Zoals vermeld, heeft de rechtbank in deze zaak de StAB om advies gevraagd. De StAB heeft eerst de onderbouwing van het bestreden besluit tegen het licht gehouden. Volgens de StAB is het allereerst onjuist om uitkomsten van afzonderlijke deelmetingen te gebruiken, zoals gedeputeerde staten hebben gedaan. Een geurmeting bestaat uit het meetkundig gemiddelde van ten minste drie deelmetingen samen. Alleen de gemiddelde waarde van die metingen kan worden gebruikt voor het vaststellen van de emissie van een geurbron.
35. Vervolgens heeft de StAB de door [adviesbureau 1] en [adviesbureau 2] gemeten geurconcentraties (als gemiddelden over drie deelmetingen) en debieten, en de geurvrachten die daaruit volgen schematisch weergegeven in onderstaande tabellen. Hieruit blijkt dat de geurconcentraties in alle gevallen hoger waren dan de bovengrens van de BBT-range van 1.000 ouE/Nm3 die door gedeputeerde staten ten grondslag is gelegd aan de aangescherpte geurvracht van 84 miljoen ouE/Nm3/uur. De rechtbank ziet verder dat ook de berekende geurvrachten in alle gevallen hoger waren dan 84 miljoen ouE/Nm3/uur.
36. De StAB merkt op dat niet duidelijk is of de gebruikte metingen van de ODRA en [adviesbureau 1] überhaupt wel representatief zijn voor de nu aanwezige installatie. De zure wassers zijn op 9 oktober 2023 pas in gebruik genomen en de bioscrubber is op 2 november 2023 grondig gerenoveerd. De metingen zijn, behalve de meting van [adviesbureau 1] van 1 november 2023 waar het de ingebruikname van de zure wassers betreft, allemaal van daarvóór. Het geurverwijderingsrendement van de huidige installatie (dus inclusief zure wassers en gerenoveerde bioscrubber) is dus niet verdisconteerd in de metingen die gedeputeerde staten hebben gebruikt.
37. Verder geldt dat de debietmetingen door [adviesbureau 1] en de ODRA zijn verricht in de horizontale aanvoerleiding op het dak van de tunnelcompostering. De StAB stelt vast dat waar de ODRA de gemeten debieten in de aanvoerleiding een-op-een heeft aangehouden (zonder de toevoer van extra lucht uit de ontvangsthal), [adviesbureau 1] daar een correctiefactor op heeft toegepast. De correctie is door [adviesbureau 1] gebaseerd op debietmetingen die bij Orgaworld zijn verricht op 14 september 2012, waarbij de deuren van de tunnelcompostering gesloten waren en de ventilatoren afwisselend waren ingesteld op 60, 80 en 100%, om zo de relatie te kunnen bepalen tussen het debiet in de aanvoerleiding en het debiet in de schoorsteen. De StAB heeft door een gebrek aan informatie over de overige procesomstandigheden bij die meting uit 2012, echter niet kunnen bepalen of de door [adviesbureau 1] toegepaste correctiefactor juist is. De rechtbank concludeert dat in ieder geval kan worden vastgesteld dat hier een correctiefactor door [adviesbureau 1] voor is toegepast, dat de metingen van [adviesbureau 1] op dit punt verschillen van die van de ODRA, en dat gedeputeerde staten hiervan geen rekenschap hebben gegeven.
38. Over de verwijzing van gedeputeerde staten naar de metingen van de ODRA overweegt de StAB tot slot nog dat het onjuist is om voor de haalbaarheid van een vergunde geurvracht uit te gaan van meetresultaten na toepassing van de meetcorrectie met een factor 2. Deze meetcorrectie wordt alleen toegepast als in het kader van toezicht moet worden gecontroleerd of de inrichting aan de vergunning-eisen voldoet.
39. Vervolgens heeft de StAB beoordeeld of een geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3 desondanks haalbaar zou zijn voor Orgaworld. Daarvoor heeft zij het van belang geacht om eerst te kijken naar het huidige geurverwijderingsrendement van de installatie van Orgaworld. Orgaworld heeft hiervoor de twee notities van [adviesbureau 2] overgelegd. Volgens de StAB is met de notitie van [adviesbureau 2] van 8 december 2025 in ieder geval niet aannemelijk gemaakt wat het geurverwijderingsrendement is van de huidige installatie. Hieruit blijkt dat het rendement na veldcompostering, tunnelcompostering, zure wassers en bioscrubber in totaal 75% is, maar de StAB wijst erop dat [adviesbureau 2] hier meetgegevens voor heeft gebruikt die (deels) van vóór het bedrijfsoptimalisatieproces in 2021 – 2023 zijn. Die meetresultaten zijn dus grotendeels niet representatief voor de huidige installatie.
40. De zes monsters waar [adviesbureau 2] het verwijderingsrendement van de tunnelcompostering op heeft gebaseerd, zijn genomen vóór de optimalisering van het composteerproces vanaf mei 2021. Sindsdien wordt de geurhoudende luchtstroom van de veldcompostering niet meer (deels) alleen door de bioscrubber geleid (ge-bypasst), maar in zijn geheel ook door de tunnelcompostering geleid. Verder is er sindsdien sprake van een verminderde inname van anaeroob slib. De StAB wijst erop dat dat deze maatregelen al in een forse daling van het aantal geurklachten lijken te hebben geresulteerd. De rechtbank ziet dit bevestigd in de klachtenregistratie waaruit blijkt dat er in 2020 nog 30 en in 2021 nog 22 klachten over geurhinder waren ingediend, terwijl dat er in 2022 en 2023 nog 5 respectievelijk 3, waren. De 37 metingen waar [adviesbureau 2] het geurverwijderingsrendement van de zure wassers en de bioscrubber op heeft gebaseerd, zijn verricht in 2022 – 2024, en dus ook (voor een groot deel) van vóór de ingebruikname van de zure wassers en de renovatie van de bioscrubber eind 2023. Ook die metingen zijn dus niet representatief voor de huidige installatie.
41. Orgaworld heeft een aanvullende notitie van [adviesbureau 2] van 9 januari 2026 overgelegd. Hierin heeft [adviesbureau 2] de geurverwijderingsrendementen opnieuw berekend, maar daarbij een kenbaar onderscheid gemaakt tussen de metingen in de periode vóór en na afronding van het bedrijfsoptimalisatieproces op 1 november 2023:
42. [adviesbureau 2] stelt een geurverwijderingsrendement vóór 1 november 2023 vast van 73%. Aan de metingen die hieraan ten grondslag liggen heeft [adviesbureau 2] de metingen van de ODRA van 14 juli 2022 en 18 augustus 2022 toegevoegd. Het geurverwijderingsrendement ná 1 november 2023 is volgens [adviesbureau 2] 77%. Omdat hieruit een (te hoge) geurvracht van 386 miljoen ouE/Nm3/uur bij een geur-concentratie van 5.260 ouE/Nm3 blijkt, heeft [adviesbureau 2] bekeken wat de winst zou kunnen zijn van een nieuw te plaatsen biofilter tussen de zure wassers en de bioscrubber. Volgens [adviesbureau 2] is dat nog de enige resterende techniek voor Orgaworld om de geur verder te reduceren. Naar schatting zal de toepassing van een biofilter volgens [adviesbureau 2] leiden tot een aanvullend verwijderingsrendement van 25%, waardoor een geurconcentratie van 2.400 ouE/Nm3 haalbaar zou zijn.
43. De StAB heeft op de zitting gereageerd op de aanvullende notitie van [adviesbureau 2] en desgevraagd aangegeven dat de bovengrens van de BBT-range voor geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3 voor de huidige installatie gelet hierop, inderdaad niet haalbaar zal zijn. De StAB heeft echter vraagtekens geplaatst bij de inrichting en werking van de huidige installatie van Orgaworld. Uit de informatie die Orgaworld in de aanloop naar het bestreden besluit aan gedeputeerde staten heeft verstrekt, blijkt namelijk dat er in december 2023 een drukmeter, biowasserframe en biofilterblokken in de bioscrubber van Orgaworld zijn geplaatst. Op basis hiervan en de bijgeleverde foto’s heeft de StAB de indruk gekregen dat er sinds november 2023 geen sprake is van een gerenoveerde bioscrubber, maar (in feite) van een biotricklingfilter. Biotricklingfilters hebben een geurverwijderingsrendement van 70 tot 95%. Bij een afgasdebiet tussen 1.000 en 500.000 ouE/uur en een ingaande geurconcentratie van meer dan 10.000 ouE/Nm3 met een temperatuur tussen de 30C en 40C, kan met een goed werkend biotricklingfilter een (rest)geurconcentratie van 1.500 ouE/Nm3 worden behaald.
44. De StAB heeft ook verwezen naar een notitie van Ingenia van 29 januari 2019, waaruit volgt dat een biotricklingfilter, ter vervanging van de bioscrubber, de meest voor de hand liggende techniekkeuze is voor Orgaworld. Voor een biofilter (biobed) biedt de locatie namelijk beperkte ruimte en er ontbreekt een waterzuivering. Uit de notitie van Ingenia volgt ook dat de pakking van de bioscrubber op dat moment (begin 2019, dus vóór de renovatie ervan) dusdanig was ingezakt dat de luchtstroom over de pakking heen stroomde, in plaats van erdoorheen. Hierdoor en doordat de temperatuur van de ingaande luchtstroom regelmatig hoger was dan 40C, had de bioscrubber op dat moment waarschijnlijk een zeer beperkt geurverwijderingsrendement.
45. De StAB heeft geen duidelijkheid kunnen krijgen over de precieze inrichting en werking van de huidige installatie van Orgaworld. Het werkbezoek van de StAB ter plaatse heeft hier geen verandering in gebracht. De StAB blijft daarom bij de schatting dat, uitgaande van de juiste condities (ideale temperatuur en ingaande geurconcentratie) bij een goed werkend biotricklingfilter, een geurconcentratie van 1.500 ouE/Nm3 haalbaar zou moeten zijn voor Orgaworld. Hierbij heeft de StAB in aanmerking genomen dat het individuele verwijderingsrendement van het biotricklingfilter in serieschakeling met de zure wassers iets lager zal zijn, omdat het filter (deels) dezelfde componenten afvangt als de zure wassers. Tot slot acht de StAB het niet nodig dat de zure wassers worden vervangen door gaswassers, zoals door gedeputeerde staten nog te berde is gebracht. Deze wassers hebben immers dezelfde functie: het verwijderen van ammoniak.
46. De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van de StAB volgen. Dat betekent dat Orgaworld in ieder geval kan worden gevolgd in het standpunt dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben onderbouwd dat de met het bestreden besluit aangescherpte geurvracht van 84 miljoen ouE/Nm3/uur (gebaseerd op een geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3) onder normale bedrijfsomstandigheden haalbaar is voor Orgaworld. Gedeputeerde staten hebben er nog op gewezen dat de geuremissie door het optimaal ‘inregelen’ van de installatie verder zou kunnen worden verlaagd, maar dit is geenszins geconcretiseerd naar de bedrijfsvoering en installatie van Orgaworld. Hoeveel winst er op dat vlak in geval van Orgaworld nog zou kunnen worden behaald, is daardoor allerminst duidelijk. Het onjuiste uitgangspunt van gedeputeerde staten dat het aan Orgaworld zou zijn om de haalbaarheid van de gestelde geurnorm te onderbouwen, terwijl het aan gedeputeerde staten is om dat te onderbouwen, lijkt hier debet aan te zijn geweest.
47. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit is op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. Daar komt bij dat de haalbaarheid ook uit het onderzoek van de StAB niet is gebleken. Een goed werkend biotricklingfilter kan naar schatting immers nog steeds slechts leiden tot een geurconcentratie van 1.500 ouE/Nm3. Dat betekent dat er nader onderzoek nodig zal zijn om het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering te kunnen voorzien.
48. Mocht uit dat nadere onderzoek blijken dat Orgaworld redelijkerwijs niet kan voldoen aan de bovengrens van de BBT-range van 1.000 ouE/Nm3 behoren gedeputeerde staten de vergunning in beginsel in te trekken. Alleen als de geuremissie-eis niet haalbaar is omdat dit zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, dan kunnen gedeputeerde staten in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden vaststellen. De buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen moeten dan wel het gevolg zijn van de geografische ligging van de betrokken inrichting, de lokale milieuomstandigheden, of de technische kenmerken van de betreffende installatie. Over de door Orgaworld overgelegde kostenberekening heeft de StAB overwogen dat die uitgaat van de noodzaak van een extra biofilter, maar dat die noodzaak niet vaststaat zolang er nog onduidelijkheid bestaat over de inrichting en werking van de bestaande installatie van Orgaworld.
Ondergrens van de BBT-range van 200 ouE/Nm3
49. MOB heeft zich op het standpunt gesteld dat gedeputeerde staten met het bestreden besluit ten onrechte zijn aangesloten bij de bovengrens in plaats van de ondergrens van de BBT-range van 200 ouE/Nm3.
50. De rechtbank volgt MOB hierin niet. Op 4 augustus 2024 is de Richtlijn (EU) 2024/1785 van 24 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (…) in werking getreden. Deze richtlijn wijzigt dus de RIE. Eén van de wijzigingen houdt in dat het bevoegd gezag bij het verlenen van vergunningen in beginsel de laagste (strengste) waarde van een range uit een BBT-conclusie moet voorschrijven. Inrichtingen moeten hiervoor informatie aanleveren zodat het bevoegd gezag een beoordeling kan maken of deze strengste waarde in het concrete geval haalbaar is: de assessment. Deze assessment moet gaan over de gehele BBT-emissierange. Als een bedrijf vindt dat het gegronde redenen heeft niet te kunnen voldoen aan de laagste (strengste) waarde uit een BBT-range, moet het bedrijf daarvoor bewijzen aanleveren aan het bevoegde gezag. Niet alleen het uitgangspunt wijzigt dus, maar ook de bewijslast wordt verlegd naar de inrichting die onder het toepassingsbereik van de BBT-conclusie valt. De wijzigingen moeten echter pas uiterlijk 1 juli 2026 door de lidstaten zijn geïmplementeerd, en dat is tot op heden nog niet gebeurd. Ten tijde van het bestreden besluit gold dit dus nog niet. Van een (verzwaarde) motiveringsplicht voor gedeputeerde staten om van de ondergrens van de BBT-range af te wijken is dus geen sprake. In het licht van wat de rechtbank hiervoor over de haalbaarheid van de bovengrens van de BBT-range heeft overwogen, hebben gedeputeerde staten kunnen besluiten dat een geurconcentratie van 200 ouE/Nm3 niet haalbaar is voor Orgaworld. De beroepsgrond slaagt niet.
Was het toegestaan om de geurvracht te limiteren?
51. Zowel MOB als Orgaworld hebben aangevoerd dat het niet juist is om de in de vergunning opgenomen geurvracht aan te scherpen, in plaats van een vergunningvoorschrift toe te voegen waarin de geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3 is voorgeschreven. MOB heeft erop gewezen dat hiermee onvoldoende is gegarandeerd dat de BBT-norm van 1.000 ouE/Nm3 niet wordt overschreden. Orgaworld heeft aangevoerd dat het beperken van de geurvracht, en daarmee dus ook het beperken van het afgasdebiet, niet werkbaar en bovendien niet nodig is nu Orgaworld aan de gestelde geurimmissie-eisen uit de Beleidsregel van de provincie voldoet. Verder zal, als Orgaworld een nieuw biofilter moet installeren als gevolg van het bestreden besluit, juist een ophoging van het debiet nodig zijn om dat filter voldoende te kunnen koelen.
52. De rechtbank overweegt als volgt. Door alleen de geurvracht te maximeren hebben gedeputeerde staten aan Orgaworld (binnen die randvoorwaarde) de ruimte gelaten om zelf de verhouding te bepalen tussen concentratie (ouE/Nm3) en debiet (Nm3/per uur). Dit betekent dat Orgaworld er bijvoorbeeld voor kan kiezen om per uur 84.000 normale kubieke meters met een concentratie van elk 1.000 ouE uit te stoten, maar er bijvoorbeeld ook voor kan kiezen om per uur 42.000 normale kubieke meters met een concentratie van elk 2.000 ouE uit te stoten. Als de totale geurvracht maar niet hoger is dan 84 miljoen ouE/Nm3/uur.
53. De rechtbank stelt vast dat het gedeputeerde staten vrij staat om andere emissiegrenswaarden, perioden of referentieomstandigheden vast te stellen dan uit de BBT-conclusie volgt. Dit is echter alleen toegestaan zolang de monitoringsresultaten van de emissie één keer per jaar worden beoordeeld. Deze monitoring moet een vergelijking met de BBT-waarden mogelijk maken en de resultaten moeten beneden de bovenkant van de bandbreedte van de BBT-range blijven. De rechtbank is niet gebleken dat gedeputeerde staten met het bestreden besluit in deze wijze van monitoring hebben voorzien. Hierdoor kan het dus zijn dat Orgaworld de bovengrens van de BBT-range voor geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3 overschrijdt, terwijl zij binnen de grenzen van het bestreden besluit blijft. De beroepsgrond van MOB slaagt.
54. Dat gedeputeerde staten niet voor het aanscherpen van de geurvracht zouden hebben mogen kiezen, omdat volgens Orgaworld wordt voldaan aan de immissienormen volgt de rechtbank overigens niet. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierover al is opgenomen onder overweging 24. De beroepsgrond van Orgaworld slaagt niet.
Implementatietermijn
55. Orgaworld heeft aangevoerd dat het überhaupt niet haalbaar is om aan de gestelde vergunningvoorschriften te voldoen, nu daar ten onrechte geen implementatietermijnen voor in het bestreden besluit zijn opgenomen.
56. De rechtbank kan Orgaworld hierin volgen. Door het ontbreken van implementatietermijnen komt het bestreden besluit er nu op neer dat Orgaworld direct nadat het bestreden besluit van kracht wordt, moet voldoen aan de voorschriften 3.1.1 tot en met 3.2.2. Dit is praktisch gezien niet mogelijk als er aanpassingen moeten plaatsvinden aan het productieproces, de installatie moet worden vervangen, of als er een nieuwe installatie moet worden geplaatst. Dat het bestreden besluit niet voorschrijft welke maatregelen er moeten worden getroffen, doet hier niet aan af. Dat betekent immers niet dát Orgaworld geen tijd nodig zou hebben om maatregelen te treffen. Gedeputeerde staten hebben er op gewezen dat Orgaworld feitelijk de benodigde tijd voor implementatie krijgt omdat bij handhaving van de vergunningvoorschriften Orgaworld een begunstigingstermijn wordt gegund om daar alsnog aan te voldoen. Hier gaat de rechtbank niet in mee. Een implementatietermijn is immers bedoeld om te voorkomen dat de inrichting direct na de inwerkingtreding al in overtreding zou zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie
57. Gelet op het voorgaande slagen meerdere van de door MOB en Orgaworld aangevoerde beroepsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag (overweging 12 – 15), is vergunningvoorschrift 3.1.1. in strijd met het systeem van de wet (overweging 20 – 23), is de haalbaarheid voor Orgaworld van een geurvracht van 84 miljoen ouE/Nm3/uur, gebaseerd op een geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3, onvoldoende gemotiveerd (overweging 28 – 48), sluit het bestreden besluit een overschrijding van de bovengrens van de BBT-range van 1.000 ouE/Nm3 niet uit (overweging 51 – 53) en is er tot slot ten onrechte geen implementatietermijn in het bestreden besluit opgenomen (overweging 55 – 56).
58. Gelet hierop moeten de beroepen gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Dat betekent dat er een nieuw besluit zal moeten worden genomen op de aanvraag van MOB. Omdat er nader onderzoek nodig is en dit besluit deels afhankelijk is van bestuurlijke afwegingen die gedeputeerde staten moeten maken, kan de rechtbank daar niet zelf in voorzien. Voor een bestuurlijke lus ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Een nieuw besluit op de aanvraag van MOB zal naar verwachting namelijk worden doorkruist door implementatie van de gewijzigde RIE uiterlijk per 1 juli 2026. Vanaf dan zullen gedeputeerde staten moeten uitgaan van de ondergrens van de BBT-range en is het aan Orgaworld om te onderbouwen dat zij daar niet aan kan voldoen. Gedeputeerde staten zullen met inachtneming van de dan geldende regels ter uitvoering van de RIE een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van MOB. Op de voorbereiding hiervan is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure weer van toepassing.
59. Voor het treffen van een voorziening in de tussengelegen periode ziet de rechtbank geen aanleiding.
Proceskosten en griffierecht
60. Omdat de beroepen gegrond zijn, veroordeelt de rechtbank gedeputeerde staten in de proceskosten die Orgaworld en MOB in beroep hebben gemaakt. De kosten van Orgaworld voor de beroepsmatige rechtsbijstand van haar gemachtigde stelt de rechtbank vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het StAB-rapport, met een waarde per punt van € 934,-, onder een wegingsfactor 1). Hetzelfde geldt voor de proceskosten van MOB. De genoemde tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
61. Tot slot moeten gedeputeerde staten het door Orgaworld en MOB betaalde griffierecht van € 385,- aan elk van hen vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt gedeputeerde staten op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van MOB, met inachtneming van wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen;
veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van Orgaworld tot een bedrag van € 2.335,- en van MOB eveneens tot een bedrag van € 2.335,-;
bepaalt dat gedeputeerde staten het door Orgaworld en MOB betaalde griffierecht van € 385,- aan elk van hen moet vergoeden.
Deze uitspraak is op 1 mei 2026 in het openbaar gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. ing. A. Rademaker en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.
(de voorzitter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen)
griffier voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.30
1. Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Onder ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu wordt mede verstaan de vaststelling van nieuwe of herziene conclusies over beste beschikbare technieken, overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid, van richtlijn nr. 201/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334).
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën inrichtingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangewezen categorieën gevallen.
Artikel 2.31
1. Het bevoegd gezag wijzigt voorschriften van de omgevingsvergunning:
(…)
b. indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt;
(…)
2. Het bevoegd gezag kan voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op:
(…)
b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is;
(…)
Artikel 2.31a
(…)
2. Indien het bevoegd gezag voornemens is toepassing te geven aan artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, verschaft de vergunninghouder desgevraagd aan het bevoegd gezag de gegevens die voor die toepassing noodzakelijk zijn.
Artikel 2.33
1. Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, voor zover:
(…)
b. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien door toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
(…)
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 5.10 Actualisatieplicht
1. Binnen vier jaar na de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van, voor de hoofdactiviteit van de betreffende IPPC-installatie, relevante BBT-conclusies:
a. toetst het bevoegd gezag of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies, aan overige relevante BBT-conclusies en aan bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die sinds het verlenen van de vergunning of de laatste toetsing zijn vastgesteld of herzien,
b. actualiseert het bevoegd gezag, indien noodzakelijk, de vergunningvoorschriften, en
(…)
Artikel 5.5. Doelvoorschriften
(…)
2. Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor de stoffen, genoemd in bijlage II bij de EU-richtlijn industriële emissies, en voor andere stoffen die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen milieucompartimenten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.
3. Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke voorafgaande verdunning. (…)
(…)
6. De ingevolge het tweede of derde lid vastgestelde emissiegrenswaarden waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in BBT-conclusies.
7. In afwijking van het zesde lid kan het bevoegd gezag in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden vaststellen, indien het halen van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de BBT-conclusies zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van:
a. de geografische ligging van de betrokken inrichting,
b. de lokale milieuomstandigheden, of
c. de technische kenmerken van de betrokken installatie.
8. Voor de toepassing van het zesde en zevende lid wordt onder met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus verstaan: bandbreedte van emissieniveaus verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van beste beschikbare technieken als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden.