RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4316
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts)
en
(gemachtigde: I.K. Beek)
Procesverloop
In de beschikking van 22 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 355.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 3 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde vastgesteld op € 342.000,-.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van 11 december 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar en [deskundige] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
2. In geschil is de toezending van het taxatieverslag en de hoogte van de proceskostenvergoeding. Niet in geschil is de hoogte van de WOZ-waarde.
Toezending taxatieverslag
3. In het beroepschrift en in de reactie op het verweerschrift stelt de gemachtigde van eiser dat hij het taxatieverslag niet heeft ontvangen.
4. Op 19 april 2023 heeft de heffingsambtenaar met een brief de ontvangst van twaalf bezwaarschriften, waaronder het bezwaarschrift in onderhavige zaak, bevestigd en verstuurd per aangetekende post. Met dezelfde aangetekende post heeft hij ook een batch met de op deze twaalf bezwaarschriften betrekking hebbende taxatieverslagen gestuurd naar de gemachtigde van eiser. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde Track & Trace informatie is gebleken dat de aangetekende post is ontvangen op het adres van gemachtigde.
5. Op 2 juni 2023 heeft een medewerker van het bureau van gemachtigde een e-mail verstuurd naar de heffingsambtenaar waarin wordt verzocht om het taxatieverslag dat zou ontbreken, alsnog te versturen. Deze e-mail is over het hoofd gezien door de heffingsambtenaar.
6. De gemachtigde van eiser betwist in de reactie op het verweerschrift dat hij de brief met taxatieverslagen heeft ontvangen. De ontvangstbevestiging van de aangetekende post is volgens hem ondertekend door een onbekend persoon. Hij heeft daarom geen schriftelijke aanvulling kunnen sturen.
7. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar voldoende heeft aangetoond dat de aangetekende post van 19 april 2023 is verstuurd en is ontvangen op het adres van de gemachtigde. Dat de ontvangst van de aangetekende post is ondertekend door een voor eiser onbekend persoon kan niet aan de heffingsambtenaar worden tegengeworpen. Gelet hierop kan dus worden vastgesteld dat de ontvangstbevestiging van 19 april 2023 en de batch met taxatieverslagen is ontvangen. De beroepsgrond slaagt niet.
Proceskostenvergoeding en griffierechten
8. Eiser voert aan dat de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase verkeerd is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft de wegingsfactor onterecht vastgesteld op ‘zeer licht’.
9. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting toegelicht dat de WOZ-waarde van de woning in bezwaar is verlaagd naar aanleiding van een informeel gesprek met eiser. De vermindering van de waarde was niet bekend bij de gemachtigde van eiser toen hij een bezwaarschrift indiende tegen de beschikking. Daarom is er wel en proceskosten-vergoeding toegekend van € 77,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift). De wegingsfactor is op zeer licht gesteld. De heffingsambtenaar stelt in zijn verweerschrift dat is gekeken naar de daadwerkelijk gedane arbeid door de gemachtigde van eiser. De stukken in deze zaak beoordelende is er uitsluitend een bezwaarschrift opgestuurd waarin alleen de naam en adresgegevens anders zijn dan de vele andere bezwaarschriften die deze gemachtigde in heeft gediend. Daarmee kan geen andere conclusie worden getrokken dat de factor ‘zeer licht’ op zijn plaats is.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer. Hieruit volgt dat wegingsfactor 1 wordt gehanteerd voor een zaak met een per saldo gemiddeld belang en gemiddelde ingewikkeldheid.
11. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert.
12. Eiser voert aan dat artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser wijst op het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van
17 december 2024, waarin het hof het gelijkluidende artikel 13a, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) buiten toepassing heeft gelaten.
13. De rechtbank ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op toekomstige onzekere gebeurtenissen waarbij dit artikel mogelijk buiten toepassing zal worden gelaten. De rechtbank wijst er ook op dat Advocaat-Generaal P.J. Wattel de Hoge Raad heeft geadviseerd om artikel 30a van de Wet WOZ in stand te laten.
14. De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. Eiser heeft verzocht om proceskostenvergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift en deelname aan de hoorzitting. Omdat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, worden deze kosten niet vergoed. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 666,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift) met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). De rechtbank ziet, gelet op het eerdergenoemde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en het Richtsnoer, geen reden om af te wijken van wegingsfactor 1. Het beroep slaagt dus voor zover het is gericht tegen de proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar. Er is immers een onjuist bedrag per punt gehanteerd in de bezwaarfase.
15. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Eiser heeft, zowel in de beroeps- als in de bezwaarfase verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar ook te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep.
16. De uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase dan ook vast met toepassing van artikel 30a van de
Wet WOZ op € 233,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-, wegingsfactor 0,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25). Gelet op het Richtsnoer is de wegingsfactor 0,5 van toepassing, omdat het geschil beperkt is tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de (proces)kosten.
17. In totaal wijst de rechtbank € 899,50,- aan proceskosten toe.
18. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.
Immateriële schadevergoeding
19. De gemachtigde van eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
20. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 23 maart 2023. De rechtbank constateert dat sinds de indiening van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) tien maanden is overschreden.
21. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 heeft De Hoge Raad beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan € 1.000,- en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Eiser heeft enkel verzocht om een immateriële schadevergoeding. Eiser heeft hiervoor geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- dat eiser heeft betaald moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 899,50,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem .
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.