RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,
de heffingsambtenaar van de gemeente Almere, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1392
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 19 januari 2026 een beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting blijft gehandhaafd. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 13 maart 2026 heeft verweerder een e-mail naar verzoeker gestuurd waarin hij vermeldt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte aan verzoeker is opgelegd. Verweerder stelt daarom voor om de beroepsprocedure door middel van een schikking te beëindigen. Het schikkingsvoorstel houdt het volgende in; de naheffingsaanslag wordt alsnog vernietigd, het reeds betaalde bedrag wordt teruggestort, het door verzoeker betaalde griffierecht wordt vergoed en verzoeker trekt zijn beroep in. Verzoeker is akkoord gegaan met het schikkingsvoorstel en heeft het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Verzoeker heeft bij zijn intrekking wel het bijgevoegde formulier ‘opgave proceskosten’ ingevuld, maar alle opties zijn met “nee” beantwoord. Er zijn dus geen gemaakte kosten geclaimd. Overigens is ook niet gebleken dat verzoeker kosten heeft gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
7. Verweerder heeft reeds aangeboden het griffierecht aan verzoeker te vergoeden. Dit volgt ook rechtstreeks uit de wet (artikel 8:41 Awb).
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.