RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16-231655-25; 18-190215-25 (t.t.z. gevoegd); 18-201677-25 (t.t.z. gevoegd); 16-198367-25 (t.t.z. gevoegd); 16-210862-25 (t.t.z. gevoegd); 08-239321-25 (t.t.z. gevoegd); 18-004025-23 (vord. tul).
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2007] in [geboorteplaats] (Haïti),
op dit moment gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 21 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16-231655-25; 18-190215-25; 18-201677-25; 16-198367-25; 16-210862-25 en 08-239321-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1 tot en met 6, de feiten 7 en 8, de feiten 9 en 10, de feiten 11 en 12, feit 13, en de feiten 14 en 15.
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
in of omstreeks de periode 22 mei 2025 tot en met 24 mei 2025 in Emmeloord meerdere kentekenplaten heeft gestolen, door middel van verbreking;
feit 2
op 24 mei 2026 in Emmeloord geprobeerd heeft om een personenauto van [benadeelde 1] te stelen door middel van verbreking;
feit 3
op 24 mei 2026 in Emmeloord opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing heeft veroorzaakt, in een BMW personenauto, ten gevolge waarvan die BMW en een in de directe nabijheid bevindende Citroën personenauto zijn verbrand;
feit 4
op 24 mei 2025 in Emmeloord een autosleutel van [benadeelde 2] heeft gestolen, door middel van braak of verbreking;
feit 5
op 24 mei 2025 in Emmeloord geprobeerd heeft om een personenauto van [benadeelde 2] te stelen, door gebruik te maken van de eerder gestolen autosleutel;
feit 6
op 20 juni 2025 in Hooghalen geprobeerd heeft om een personenauto te stelen, welke voorgenomen diefstal werd vergezeld van geweld;
feit 7
op 22 juni 2025 in Groningen twee verpakkingen snoep heeft gestolen van winkelbedrijf Plus ( […] );
feit 8
op 22 juni 2025 in Groningen opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] heeft mishandeld;
feit 9
op 26 juni 2025 in Groningen opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] heeft mishandeld;
feit 10
op 26 juni 2025 in Groningen opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] heeft mishandeld;
feit 11
op 28 juni 2025 in Emmeloord [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
feit 12
op 28 juni 2025 in Emmeloord [slachtoffer 1] heeft bedreigd met de dood;
feit 13
op 9 juli 2025 in Emmeloord, [slachtoffer 2] heeft mishandeld;
feit 14
op 25 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025 in Vilsteren, wederrechtelijk is binnengedrongen in meerdere recreatiewoningen;
feit 15
op 25 augustus 2025 in Vilsteren meerdere goederen heeft gestolen van [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] , door middel van inklimming.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Geldigheid van de dagvaarding
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat partiële nietigheid van de dagvaarding moet volgen. Volgens de verdediging is volstrekt onduidelijk op welke auto de beschuldiging van feit 2 precies ziet, zodat de dagvaarding in strijd is met artikel 261 Sv.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier voldoende duidelijk blijkt dat feit 2 betrekking heeft op de zwarte BMW van aangeefster [benadeelde 1] .
Oordeel van de rechtbank
Aangeefster [benadeelde 1] heeft aangifte gedaan van twee verschillende auto’s, en niet van een poging tot diefstal van één van die auto’s. Gelet hierop, en ook in aanmerking genomen dat in het dossier met betrekking tot dit parketnummer meerdere verschillende auto’s voorkomen, is onduidelijk waartegen [verdachte] zich dient te verdedigen. De dagvaarding voldoet daarmee niet aan de wettelijke vereisten. De rechtbank verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig en acht zich onbevoegd van de beschuldiging kennis te nemen.
4. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 tot en met 15 heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd over het bewijs ten aanzien van de feiten 1, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 13, 14 en 15. Wel heeft de advocaat de rechtbank verzocht om [verdachte] partieel vrij te spreken van feit 6, en integraal van de feiten 3 en 12.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 4.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat alle feiten, met uitzondering van feit 2, zijn bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsoverwegingen
Bewijsoverweging feit 1 – diefstal of diefstal met verbreking?
Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat weliswaar kan worden bewezen dat [verdachte] de kentekenplaten heeft weggenomen met het oogmerk deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, maar niet dat bij dit wegnemen schade is ontstaan. Uit wat ter zitting is besproken en uit het dossier blijkt namelijk niet dat er schade is ontstaan. Daarom kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake is geweest van verbreking. Wel is bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de kentekenplaten.
Bewijsoverwegingen feit 3 – beroep op onherstelbaar vormverzuim en bewijsuitsluiting
Uit het dossier volgt dat [verdachte] op 27 mei 2025 ten overstaan van de groepsleiding van de woongroep waar hij destijds verbleef, een verklaring heeft afgelegd, waarna de politie is gebeld. Verbalisant [verbalisant] heeft vervolgens in een proces-verbaal gerelateerd dat hij, nadat hij [verdachte] de cautie had gegeven, een aantal vragen heeft gesteld om te kunnen bevestigen dan wel ontkrachten of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Vervolgens heeft [verdachte] ten overstaan van verbalisant [verbalisant] een aantal verklaringen afgelegd.
De verdediging heeft aangevoerd dat deze verklaringen, die ten overstaan van verbalisant [verbalisant] zijn afgelegd, van het bewijs moeten worden uitgesloten vanwege een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] – toen de vragen aan hem werden gesteld – al als verdachte was aangemerkt, en dat met de vragen van verbalisant [verbalisant] sprake was van een verhoorsituatie, waarin een verdachte recht heeft op consultatie van een advocaat. De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] niet is bijgestaan door een advocaat, terwijl hij ten tijde van het verhoor minderjarig was en daarvan als minderjarige geen afstand kan doen. Volgens de verdediging is sprake van een vormverzuim waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken en dient, gelet op de ernst daarvan, bewijsuitsluiting te volgen. Dit brengt volgens de verdediging mee dat feit 3 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] duidelijk is gewezen op zijn rechten, waaronder het recht om geen antwoord te geven op vragen. Daarbij kan feit 3– ook indien bewijsuitsluiting zou volgen – volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat in de situatie waarin verbalisant [verbalisant] met [verdachte] in gesprek ging, sprake was van een verhoorsituatie. [verdachte] had daarbij duidelijk moeten worden gewezen op zijn rechten, waaronder het recht op consultatiebijstand, waarvan hij ingevolge het Wetboek van Strafvordering geen afstand kan doen. Dit ter waarborging van de rechten van een kwetsbare minderjarige. Die kwetsbaarheid wasextra duidelijk, omdat de verhoorsituatie plaatsvond in de begeleide woonplek van [verdachte] . Ook bleek verder niet van een dringende noodzaak om direct tot het verhoor over te gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Gezien de ernst van het verzuim, in het bijzonder de kwetsbaarheid en minderjarigheid van [verdachte] , en het daardoor geleden nadeel, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen die [verdachte] op 27 mei 2025 tegenover verbalisant [verbalisant] heeft afgelegd, van het bewijs worden uitgesloten.
Desondanks komt de rechtbank tot het oordeel dat feit 3 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er zijn meerdere aangiften gedaan van brandstichting. Daarnaast heeft een lid van de groepsleiding van de woongroep waar [verdachte] verbleef, aangegeven dat zij van [verdachte] zelf gehoord heeft dat hij een auto in brand heeft gestoken. Verder is een A4’tje aangetroffen met daarop een handgeschreven tekst waarin onder meer is opgeschreven dat hij een auto in brand heeft gestoken. Gelet op het feit dat het A4’tje is aangetroffen in de woongroep waar [verdachte] verbleef, op het A4’tje staat dat ‘hij‘ het gedaan heeft, op het A4’tje ook iets staat over kentekens en [verdachte] tijdens zijn verhoor toen hij geconfronteerd werd met het A4’tje niet heeft ontkend dat hij dit heeft geschreven, gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte] het A4’tje heeft geschreven. Tot slot zijn bij [verdachte] meerdere kentekenplaten aangetroffen afkomstig van auto’s die in dezelfde straat stonden, en die zijn gestolen rondom de dag en het tijdstip van de brandstichting. Dit alles, in onderlinge samenhang bezien, maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan feit 3, zoals hieronder bewezen is verklaard.
Bewijsoverweging feit 6 – diefstal (met geweld)
Ten aanzien van feit 6 heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld, waarvan hij wordt beschuldigd. De verdediging heeft gesteld dat weliswaar kan worden bewezen dat [verdachte] een mes heeft getoond, maar dat dit niet kan worden gekwalificeerd als ‘geweld’. De officier van justitie heeft aangevoerd dat in de beschuldiging duidelijk het tonen van een mes is opgenomen, hetgeen volgens haar een ‘bedreiging met geweld’ oplevert. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat in het woord ‘geweld’, zoals opgenomen in de beschuldiging, ‘bedreiging met geweld’ moet worden ingelezen.
Net als de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld, zoals opgenomen in de beschuldiging. Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van bedreiging met geweld, maar daarvan wordt [verdachte] niet beschuldigd. Bedreiging met geweld is wezenlijk anders dan geweld. Wel kan diefstal zoals bedoeld in artikel 310 Sr wettig en overtuigend worden bewezen, daartegen heeft de verdediging ook geen verweer gevoerd.
Bewijsoverweging feit 12 – bedreiging
De verdediging heeft verzocht om [verdachte] vrij te spreken van feit 12, omdat geen aangifte is gedaan van bedreiging, en ook niet uit de aangifte volgt dat aangever zich bedreigd heeft gevoeld. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel degelijk uit de aangifte volgt dat aangever zich bedreigd heeft gevoeld, en acht feit 12 wettig en overtuigend te bewijzen.
Met de officier van justitie acht de rechtbank feit 12 wettig en overtuigend bewezen. Uit de aangifte, en ook uit een verklaring van een collega van aangever, volgt dat [verdachte] tegenover aangever en diens collega heeft gezegd dat hij hen dood zal maken. Uit de aangifte blijkt dat aangever zich bedreigd heeft gevoeld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitlatingen bovendien van dien aard en onder zodanige omstandigheden gedaan dat zij in het algemeen een redelijke vrees kunnen opwekken.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
Feit 1 in de periode 22 mei 2025 tot en met 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, kentekenplaten, die geheel of ten dele aan [benadeelde 6] ( [kenteken] ), [benadeelde 7] ( [kenteken] ) en [benadeelde 8] ( [kenteken] ), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 3 op 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder opzettelijk brand heeft gesticht, in een BMW personenauto (voorzien van kenteken [kenteken] ), welke zich bevond op een parkeerplaats in een woonwijk nabij meerdere personenauto's, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk
(open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die BMW personenauto en een zich in de directe nabijheid bevindende Citroën personenauto geheel zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de personenauto's en de in die personenauto's aanwezige goederen en nabij geparkeerde personenauto's te duchten was;
Feit 4 op 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder een autosleutel, die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft gebracht door middel van braak;
Feit 5 op 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een personenauto (Audi), die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met bij een eerder uit de woning van die [benadeelde 2] wederrechtelijk weggenomen autosleutel heeft geprobeerd de auto te starten en daarmee weg te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 6 op 20 juni 2025 te Hooghalen, gemeente Midden-Drenthe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een personenauto (Volkswagen Caddy), die geheel of ten dele aan [benadeelde 9] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 7 op 22 juni 2025 te Groningen 2 verpakkingen snoep, die geheel of ten dele aan winkelbedrijf Plus ( […] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Feit 8 op 22 juni 2025 te Groningen, [opsporingsambtenaar 1] heeft mishandeld, door hem in hem in het gezicht te stompen, te slaan en door hem op de arm te krabben,terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Feit 9 op 26 juni 2025 te Groningen, [opsporingsambtenaar 2] (agent bij de Eenheid Noord-Nederland) heeft mishandeld, door die [opsporingsambtenaar 2] , meermalen te slaan en stompen in/tegen het gezicht, alhtans het hoofd, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Feit 10 op 26 juni 2025 te Groningen, [opsporingsambtenaar 3] (brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland) heeft mishandeld, door die [opsporingsambtenaar 3] eenmaal te trappen in het gezicht, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Feit 11 op 28 juni 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door hem met een router tegen de arm en het hoofd te slaan en door hem meermalen tegen het hoofd en lichaam te stompen en in de nek te krabben;
Feit 12 op 28 juni 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem de woorden toe te voegen: "ik maak jullie dood, als ik terug kom maak ik jullie dood." in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Feit 13 op 9 juli 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te slaan tegen het gezicht;
Feit 14 op meerdere tijdstippen in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025 te Vilsteren in de woning, te weten meerdere (recreatie)woningen [adres] en [adres] , gelegen op [naam] ) bij meerdere anderen, te weten bij [benadeelde 10] en [benadeelde 11] in gebruik,wederrechtelijk is binnengedrongen;
Feit 15
op 25 augustus 2025 te Vilsteren- een paar schoenen (Nike),- een spijkerbroek,- een vest,- een identiteitsbewijs,- een OV-chipkaart,- een of meerdere geldbedragen,- een grinder, en - een fietssleutel,meerdere goederen, die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
5. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1: diefstal, meermalen gepleegd;
Feit 3: opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
Feit 4: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Feit 5: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
Feit 6: poging tot diefstal;
Feit 7: diefstal;
Feit 8: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Feit 9: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Feit 10: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
Feit 11: mishandeling;
Feit 12: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feit 13: mishandeling;
Feit 14: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd;
Feit 15: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
6. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat aan [verdachte] wordt opgelegd:
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel);
een jeugddetentie van 249 dagen, althans gelijk aan het voorarrest, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan [verdachte] een jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest, met aftrek. Ten aanzien van de PIJ-maatregel heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de Pro Justitia-rapportage.
Oordeel van de rechtbank
Adolescenten strafrecht feiten 13, 14 en 15
[verdachte] was ten tijde van het plegen van de feiten 13 tot en met 15 meerderjarig. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over de persoon van [verdachte] ziet de rechtbank aanleiding het jeugdstrafrecht op deze feiten tot te passen.
De rechtbank legt aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op, en een jeugddetentie voor de duur van 248 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft in een periode van drie maanden een groot aantal strafbare feiten gepleegd, waaronder ook zeer ernstige. Zo heeft hij onder meer brand gesticht in een auto. Daarnaast heeft hij meerdere vermogensdelicten gepleegd en geprobeerd verschillende auto’s te stelen. Ook heeft hij geweld gebruikt tegen meerdere personen. Daarbij ging het onder meer om mishandeling en bedreiging van medewerkers van zijn woongroep en van verbalisanten, allemaal personen die hem op dat moment probeerden te helpen. Tevens is hij wederrechtelijk binnengedrongen in meerdere recreatiewoningen. De door [verdachte] gepleegde feiten hebben veel schade veroorzaakt bij de betrokken slachtoffers. Zij hebben niet alleen geleid tot overlast, maar vooral ook tot angst en een gevoel van onveiligheid. De hierna te bespreken mate waarin deze feiten aan [verdachte] zijn toe te rekenen, doet niet af aan de ernst van deze feiten en de gevolgen die deze hebben gehad voor de slachtoffers.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 11 februari 2026. Daaruit blijkt dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Gebleken is dat [verdachte] tot nu toe geen gemakkelijk leven heeft gehad. Het vermoeden is dat hij al op zeer jonge leeftijd ingrijpende en traumatische ervaringen heeft meegemaakt in zijn geboorteland Haïti. [verdachte] is toen hij twee jaar oud was geadopteerd en in Nederland komen wonen. Er is bij hem een complexe gedragsproblematiek ontstaan. Op 13-jarige leeftijd is [verdachte] uit huis geplaatst. Daarna heeft hij op veel verschillende groepen verbleven, bij verschillende hulpverleningsinstanties. Hij heeft al vanaf jonge leeftijd hulp gekregen voor zijn problemen, maar deze hulp heeft zijn gedrag niet kunnen keren.
[verdachte] is onderzocht door een psycholoog en een psychiater, en zij hebben op 2 februari 2026 een Pro Justitia-rapport uitgebracht. Zij zien achteraf dat al vanaf jonge leeftijd een patroon van ontregeling, gekenmerkt door vreemd, moeilijk te volgen, onvoorspelbaar en agressief gedrag zichtbaar was. In het rapport volgt de conclusie dat bij [verdachte] sprake is van schizofrenie, met daarbij behorende katatone kenmerken. Dit is een stoornis met een levenslange kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van recidiverende psychoses. Omdat het psychotische proces rond [verdachte] ’s 15e levensjaar is begonnen en hij daarna in toenemende mate psychotisch en katatoon ontregeld raakte, concluderen de deskundigen dat deze problematiek ook aanwezig was ten tijde van de feiten en van grote invloed is geweest op zijn keuzes. De deskundigen hebben daarom geadviseerd om de feiten in sterk verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.
PIJ-maatregel
In het Pro Justitia-rapport komt naar voren dat [verdachte] kampt met ernstige psychiatrische problematiek, die gepaard gaat met een hoog risico op gewelddadig gedrag. Deze problematiek vereist volgens de deskundigen een intensieve en gespecialiseerde behandeling. Daarom vinden de deskundigen het noodzakelijk dat deze behandeling plaatsvindt in een omgeving met voldoende psychiatrische expertise, zowel in de dagelijkse begeleiding als binnen het behandelteam. De behandeling zal onder meer bestaan uit medicatie. De deskundigen geven aan dat pas wanneer het risico op herhaling door behandeling voldoende is verminderd, kan worden gekeken naar het verdere toekomstperspectief van [verdachte] . Daarbij moet ook aandacht zijn voor zijn cognitieve mogelijkheden en passende vervolgstappen.
Het ontbreken van ziektebesef en -inzicht, de zeer ernstige psychopathologie, het hoge recidiverisico en de noodzaak van een langdurige behandeling geven de deskundigen aanleiding tot het adviseren van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De deskundigen zijn van oordeel dat zijn gebrek aan structuur en zijn beperkte vermogen om zijn gedrag te sturen, in combinatie met zijn neiging om medicatie te willen afbouwen, maken dat een minder ingrijpend kader geen reële optie is. Zij achten dat deze behandeling alleen mogelijk is binnen een onvoorwaardelijk kader, omdat in een voorwaardelijk kader wordt uitgegaan van een mate van medewerking en vrijwilligheid die momenteel ontbreekt.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 8 april 2026 ook een advies uitgebracht. De Raad is het eens met de conclusies uit het Pro Justitia-rapport, en acht een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel de enige mogelijkheid voor behandeling. De Raad ziet geen lichtere adviesmogelijkheden om de gevaren voor [verdachte] en anderen af te wenden.
Ook de jeugdreclassering heeft op 16 april 2026 een advies uitgebracht, en sluit zich aan bij de bevindingen uit het Pro Justitia-rapport. De jeugdreclassering ziet geen mogelijkheden om [verdachte] te begeleiden.
De rechtbank neemt de hiervoor genoemde adviezen en conclusies over, en zal aan [verdachte] de PIJ-maatregel onvoorwaardelijk opleggen. Uit de adviezen volgt dat [verdachte] een gebrekkige ontwikkeling of stoornis heeft, dat de PIJ-maatregel nodig is voor de veiligheid van anderen en in het belang is van de zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . De maatregel wordt opgelegd voor meerdere delicten waarop de wet een gevangenisstraf van vier jaren of meer stelt. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de PIJ-maatregel die worden genoemd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht.
De PIJ-maatregel geldt voor een termijn van drie jaren. Na twee jaren eindigt de maatregel van rechtswege voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze zoals bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt vast dat de maatregel is opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom kan de maatregel verlengd worden, telkens met ten hoogste twee jaren en tot een maximum van zeven jaren, als bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering.
Jeugddetentie
Omdat het gaat om ernstige strafbare feiten vindt de rechtbank, naast de PIJ-maatregel, ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend. De rechtbank heeft bij het opleggen van deze straf enerzijds rekening gehouden met ernst van de bewezen feiten, maar anderzijds ook met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van [verdachte] . De rechtbank zal geen jeugddetentie opleggen die langer is dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Alles overwegend legt de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie op van 248 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de maatregel
Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel geeft de rechtbank in overweging mee, gelet op het advies ter zitting van de Raad voor de Kinderbescherming, [verdachte] te plaatsen op een voor hem geschikte plek, zoals op een VIC-afdeling (Very Intensive Care).
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partijen
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1)
De heer [benadeelde 6] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 208,46 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de kosten voor een garagebedrijf (€ 164,95) en voor de aanschaf van twee nieuwe kentekenplaten (€ 43,51). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 3)
Mevrouw [benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.207,- voor feit 3, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 7.207,- voor vergoeding van materiële schade.
De materiële schade bestaat uit de kosten van verloren brillen (€ 689,-), contant geld (€ 30,-), de auto berekend naar de dagwaarde (€ 6000,-) en voor de berging van de uitgebrande auto (€ 488,-). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Vordering van benadeelde partij [opsporingsambtenaar 1] (feit 8)
De heer [opsporingsambtenaar 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 400,- voor feit 8, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 11] (feit 14)
Mevrouw [benadeelde 11] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 127,50 voor feit 14, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de kosten voor een nieuwe raamhor. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd alle vorderingen geheel toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering van mevrouw [benadeelde 1] in haar geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe is aangevoerd dat de materiële schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Uit de aangifte blijkt niet dat er brillen en contant geld in de auto aanwezig waren. Volgens de verdediging had het op de weg van de benadeelde partij gelegen om nadere informatie te verstrekken over de dagwaarde en om een betalingsbewijs van de bergingskosten van de auto over te leggen. Ook het immateriële deel van de vordering is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering van de heer [benadeelde 6] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot de vordering van de heer [opsporingsambtenaar 1] heeft de verdediging verzocht het gevorderde bedrag te matigen, gelet op soortgelijke gevallen.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van mevrouw [benadeelde 11] onvoldoende is onderbouwd. In de vordering is volgens de verdediging geen rekening gehouden met afschrijving en het is onduidelijk waarom de verzekering slechts een gedeelte van de schade heeft vergoed.
Oordeel van de rechtbank
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1)
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 22 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de proceskosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 208,46 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald. De rechtbank bepaalt dat hierbij geen gijzeling zal worden toegepast.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 3)
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de berging van de uitgebrande auto (€ 488,-). is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 3 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de dagwaarde zijn geen gegevens overgelegd op basis waarvan deze is vastgesteld, zodat de rechtbank daarvan geen inschatting kan maken. Ook is de vordering ten aanzien van de brillen en het contant geld onvoldoende onderbouwd.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om het overige gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is mogelijk op grond van art. 6:106 sub b BW, als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de situatie voor de benadeelde ingrijpend geweest is, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor haar heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.
De benadeelde partij krijgt ook voor wat betreft het immateriële deel geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 24 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel [verdachte] als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat [verdachte] aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan, moet [verdachte] de proceskosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 488,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden.
Vordering van benadeelde partij [opsporingsambtenaar 1] (feit 8)
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, en ook vanwege de ernst van het letsel, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 22 juni 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 400,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald. De rechtbank bepaalt dat hierbij geen gijzeling zal worden toegepast.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 11] (feit 14)
Materiële schade
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding niet onderbouwd. Onvoldoende duidelijk is geworden hoe oud de hor was, en wat de achterliggende reden is geweest dat de verzekering (kennelijk) slechts een deel van de hor heeft vergoed. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 18-004025-23 op 29 september 2023 een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering afwijst.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Hoewel [verdachte] zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit, acht de rechtbank tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde straf, gelet op de opgelegde maatregel, niet opportuun en ook niet mogelijk.
9. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 138, 157, 285, 300, 304, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
geldigheid dagvaarding
- verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregel
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 3)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [opsporingsambtenaar 1] (feit 8)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 11] (feit 14)
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (18-004025-23)
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter tevens kinderrechter, mr. B.F. Hammerle en mr. S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.
De oudste rechter, jongste rechter en griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
16-231655-25 feit 1hij in of omstreeks de periode 22 mei 2025 tot en met 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, kentekenplaten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 6] ( [kenteken] ), [benadeelde 7] ( [kenteken] ) en/of [benadeelde 8] [kenteken] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
feit 2hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking,
- de portierdeur heeft opengebroken, en/of;
- het contactslot heeft geopend en/of
- ( vervolgens) de personenauto heeft geprobeerd te starten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, in een BMW personenauto (voorzien van kenteken [kenteken] ), welke zich bevond op eenparkeerplaats in een woonwijk nabij een of meerdere personenauto's, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk- een hoeveelheid onbekend gebleven (brandbare) vloeistof/mengesel in het voertuig besprenkeld en/of overgoten, en/of- (vervolgens) deze/dat vloeistof/mengesel in voornoemd voertuig in brand gestoken en/of doen ontvlammen,in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die BMW personenauto en/of een zich in de directe nabijheid bevindende Citroën personenauto geheel en/of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de personenauto's en/of de in die personenauto's aanwezige goederen en/of nabij geparkeerde personenauto's te duchten was;
feit 4hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder een autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
feit 5hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een personenauto (Audi), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, met bij een eerder uit de woning van die [benadeelde 2] wederrechtelijk weggenomen autosleutel heeft geprobeerd de auto te starten en daarmee weg te rijden, terwijl de uitvoering vandat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 6hij op of omstreeks 20 juni 2025 te Hooghalen, gemeente Midden-Drenthe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een personenauto (Volkswagen Caddy), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke voorgenomen diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [benadeelde 9] , gepleegd met het oogmerkom die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte,- in de personenauto is gestapt, en/of- heeft geprobeerd de auto te doen starten, en/of- op het moment dat hij wordt overlopen door die [benadeelde 9] hem een mes heeft getoond,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
18-190215-25 feit 1hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Groningen 2 verpakkingen snoep, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan winkelbedrijf Plus ( […] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 2hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Groningen, [opsporingsambtenaar 1] heeft mishandeld, door hem in hem in het gezicht te stompen en/of te slaan en/of door hem op de arm te krabben,terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
18-201677-25 feit 1hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Groningen, althans in Nederland [opsporingsambtenaar 2] (agent bij de Eenheid Noord-Nederland) heeft mishandeld, door die [opsporingsambtenaar 2] , eenmaal of meermalen te slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, alhtans het hoofd, in ieder geval het lichaam, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
feit 2hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Groningen, althans in Nederland, [opsporingsambtenaar 3] (brigadier bij de Eenheid Noord-Nederland) heeft mishandeld, door die [opsporingsambtenaar 3] eenmaal of meermalen te schoppen en/of trappen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, in ieder geval het lichaam, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
16-198367-25 feit 1hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door hem met een router tegen de arm en het hoofd te slaan en door hem meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en in de nek te krabben;
feit 2hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem de woorden toe te voegen: "ik maak jullie dood, als ik terug kom maak ik jullie dood." in elk geval woorden vsn gelijke dreigende aard of strekking;
16-210862-25 feit hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te slaan tegen het gezicht;
08-239321-25 feit 1hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025 te Vilsteren in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten een of meerdere (recreatie)woningen [adres] en/of [adres] , gelegen op [naam] ) bij een of meerdere anderen, te weten bij [benadeelde 10] en/of [benadeelde 11] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruikwederrechtelijk is binnengedrongen;
feit 2hij op of omstreeks 25 augustus 2025 te Vilsteren- een paar schoenen (Nike),- een spijkerbroek,- een vest,- een identiteitsbewijs,- een OV-chipkaart,- een of meerdere geldbedragen,- een grinder, en/of- een fietssleutel,althans een of meerdere goederen, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;