RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12137952 \ UE VERZ 26-105
Beschikking van 24 april 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. C.T. de Jong-Boersma,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. S.J.A. Jansen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van [verzoeker] ;
de brief van [verweerder] van 24 maart 2026;
het e-mailbericht van [verzoeker] van 9 april 2026.
Daarna is een beschikking bepaald op vandaag.
2. De rechtbank Midden-Nederland is niet bevoegd
De gemachtigde van [verweerder] heeft bij brief van 24 maart 2026 gesteld dat [verzoeker] woonachtig is in [woonplaats] , dat [verweerder] gevestigd is in [vestigingsplaats] en dat [verzoeker] de werkzaamheden altijd in [vestigingsplaats] heeft verricht, zodat de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is in deze zaak. Bij e-mailbericht van 9 april 2026 heeft de gemachtigde van [verzoeker] erkend dat de rechtbank Midden-Nederland niet bevoegd is en dat ze de verwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant tegemoet ziet.
Het verzoek van [verzoeker] heeft betrekking op het einde van een (individuele) arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in Titel 10 afdeling 9 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). Op grond van artikel 7:686a lid 9 BW worden zulke verzoeken – in afwijking van wat is bepaald in artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) – gedaan aan de kantonrechter die volgens de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 Rv bevoegd is. Gelet op artikel 99 en artikel 100 Rv is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, dan wel de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk werd verricht.
Gebleken is dat [verweerder] gevestigd is in [vestigingsplaats] en dat [verzoeker] zijn werkzaamheden verrichtte in Vught. Aangezien Vught binnen het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch valt, is de kantonrechter van die rechtbank bevoegd. De kantonrechter te Utrecht zal zich daarom onbevoegd verklaren van het geschil kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch.
3. De beslissing
De kantonrechter
verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen,
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.