ECLI:NL:RBMNE:2026:219

ECLI:NL:RBMNE:2026:219

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 31-01-2026
Zaaknummer UTR 25/2071
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Rioolheffing. Ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: S. Quijs).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 april 2025.

De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag in de rioolheffing opgelegd.

Eiser is tegen deze beschikking in bezwaar gegaan. Eiser heeft de heffingsambtenaar op 2 januari 2025 in gebreke gesteld. Eiser heeft vervolgens op 11 maart 2025 een beroep niet tijdig ingediend.

Met de uitspraak op bezwaar van 1 april 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft aangegeven het beroep te willen voorzetten. Het beroep van eiser wordt dan ook geacht mede gericht te zijn tegen de uitspraak op bezwaar van 1 april 2025.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

Leegstand (punt 7 en 8)

2. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.

3. De rechtbank ziet geen aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en het griffierecht te laten vergoeden. Het beroep niet tijdig is namelijk niet terecht ingediend. Op grond van artikel 6:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep niet tijdig worden ingediend als het bestuursorgaan in gebreke is gesteld. De ingebrekestelling van eiser van 2 januari 2025 is echter prematuur. De heffingsambtenaar heeft namelijk op 30 december 2024 de uitspraak op bezwaar verdaagd met zes weken. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar het aanslagnummer waar ook de rioolheffing op staat, heeft opgenomen in de verdagingsbrief. Dit acht de rechtbank voldoende specifiek en daarmee blijkt uit de verdagingsbrief duidelijk welke beslissing wordt verdaagd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien het voor eiser onduidelijk was op welke zaak (de rioolheffing en/of afvalstoffenheffing) de verdagingsbrief betrekking had, het op de weg van eiser had gelegen om contact op te nemen met de heffingsambtenaar.

Vragen

4. Eiser heeft een beroepsschrift ingediend met 22 punten. De rechtbank is van oordeel dat de punten onder 4, 5, 6, 16, 17, 18, 19, 20 en 22 vragen betreffen waarop door de heffingsambtenaar in de stukken en ter zitting antwoord is gegeven. De rechtbank ziet daarom geen reden om deze inmiddels beantwoorde vragen als beroepsgrond aan te merken. De rechtbank zal deze punten dan ook buiten beschouwing laten.

Publicatieplicht (punt 1 en 21)

5. Eiser stelt dat de Verordening en beleidsregels niet op de juiste wijze zijn gepubliceerd. De rechtbank stelt vast dat de Verordening Riool- en waterzorgheffing Baarn 2024 (de Verordening) en de vastgestelde beleidsregels van de gemeente Baarn op de juiste wijze zijn gepubliceerd. Deze zijn te raadplegen op overheid.nl. De heffingsambtenaar heeft hierover in de stukken en op de zitting toegelicht dat indien er een wettelijke verplichting is om beleid vast te stellen, er ook beleid is vastgesteld en gepubliceerd. Als er geen beleidsregels zijn vastgesteld, kan dit ook niet worden gepubliceerd. Eiser heeft dit niet onderbouwd weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Verordening en de vastgestelde beleidsregels van de gemeente Baarn op de juiste wijze zijn gepubliceerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Indirecte kosten (punt 2)

6. Eiser stelt dat de indirecte kosten niet verhaalbaar zijn, omdat met deze kosten het algemeen belang wordt gediend. Het gaat om beleidsvoorbereiding, handhaving, toezicht, controle, algemene inspraakprocedures alsmede bezwaar- en beroepsprocedures. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting toegelicht dat indirecte kosten die meer dan 10% zijdelingsverband houden mogen worden toegerekend. Er zijn volgens de heffingsambtenaar alleen kosten toegerekend die volgens deze regel mogen worden toegerekend. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. De rechtbank overweegt hierover dat onder ‘lasten ter zake’ dienen te worden verstaan op de gemeente drukkende lasten die voortvloeien uit de verlening van belaste diensten of daarmee meer dan zijdelings verband houden. Kostenposten hangen slechts zijdelings met belaste diensten samen indien zij daarmee voor minder dan 10% samenhangen (vgl. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313 en 08/00314, LJN BL0990 en LJN BL1015). Eiser heeft dit niet onderbouwd weersproken. Ook heeft hij niet concreet gemaakt waar hij precies op doelt met zijn beroepsgrond. Nu eiser niet concreet heeft onderbouwd waarom de heffingsambtenaar in strijd zou handelen met deze regel slaagt de beroepsgrond niet.

7. Eiser stelt dat het tarief voor het doorrekenen van leegstand niet klopt. Volgens eiser moeten percelen die leegstaan ook een aanslag ontvangen. Ook handelt de heffingsambtenaar hiermee in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een leegstaand pand geen aanslag krijgt. De heffingsambtenaar heeft hierover toegelicht dat als een pand voor korte termijn leegstaat er geen rioolheffing wordt opgelegd. Als een pand langer dan zes maanden leegstaat, dan wordt er wel een aanslag aan de eigenaar opgelegd. Er wordt dan verondersteld dat de eigenaar de gebruiker is.

De rechtbank overweegt hierover dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet gemeenten bij de vormgeving van de rioolheffing grote vrijheid wordt gelaten (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 578, nr. 3, blz. 22). De rechtbank is van oordeel dat dit beleid van de heffingsambtenaar valt binnen de grenzen van de beleidsvrijheid die de heffingsambtenaar heeft bij het vormgeven van de rioolheffing. Voor zover eiser naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4722 verwijst, is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraak over een andere gemeente gaat met een andere Verordening. Hierdoor is deze uitspraak niet vergelijkbaar met de situatie van eiser. Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat artikel 1 van de Grondwet niet ieder verschil in behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar slechts die verschillen waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Uit de Verordening blijkt dat de rioolheffing een gebruikersheffing is. Een pand dat leegstaat is echter niet in gebruik en is daardoor geen gelijk geval met de woning van eiser. De woning van eiser is immers wel in gebruik. Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen. De beroepsgrond slaagt niet.

Toename van het aantal aanslagen (punt 9)

8. Eiser stelt dat sinds 2024 ook gebruikers zonder fysieke drinkwateraansluiting op de riolering in de rioolheffing kunnen worden betrokken. Het is daardoor raar dat de tarieven in 2023 (2,9 miljoen) en 2024 (2,8 miljoen) niet gelijk zijn gebleven. De tarieven hadden volgens eiser gelijk moeten blijven dan wel flink moeten zakken. Bovendien is € 3.175.000,- verkeerd in de begroting vermeld. De rechtbank stelt vast dat er inderdaad meer aanslagen zijn opgelegd, omdat ook gebruikers zonder fysieke drinkwateraansluiting zijn meegenomen in de rioolheffing. Dit was in 2023 nog niet het geval. De heffingsambtenaar heeft hierover toegelicht dat elk jaar opnieuw een kostenberekening wordt gemaakt en de tarieven aan de hand hiervan worden bepaald. Bovendien gaat het niet om een enorme toename, omdat de objecten die ook in de heffing zijn betrokken voornamelijk zijn aangeslagen voor het lagere tarief. Eiser heeft dit niet onderbouwd weersproken. Bovendien heeft eiser geen concrete punten naar voren gebracht waarom er een fout in de begroting zou staan en waarom de tarieven zouden moeten zakken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de door de heffingsambtenaar vastgestelde tarieven. De beroepsgrond slaagt niet.

Beleidsvrijheid (punt 3, 10-15)

9. De beroepsgronden van eiser in de punten 3, 10-15 van het beroepschrift gaan over de vraag of de Verordening van de gemeente Baarn wel voldoet aan de daarvoor geldende criteria. Eiser is het namelijk niet eens met de tariefvaststelling, tariefdifferentiatie en de keuzes van de heffingsambtenaar voor welk perceel wel of geen aanslag wordt opgelegd. Ook hier stelt de rechtbank voorop dat dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet gemeenten bij de vormgeving van de rioolheffing grote vrijheid wordt gelaten (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 578, nr. 3, blz. 22). Die vrijheid moet de gemeente naar het oordeel van de rechtbank worden gelaten bij het voorzien in een objectvrijstelling en tariefdifferentiatie. Het staat de gemeente dan ook vrij om de door eiser genoemde percelen (voor een bepaalde periode) niet in de rioolheffing te betrekken en een verschillend tarief te hanteren voor een perceel zonder drinkwateraansluiting en met drinkwateraansluiting. Ook is het aan de gemeente om wel of geen beleid op te stellen ten aanzien van het loskoppelen van regenpijpen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gemeente hier binnen de haar door de wetgever verleende vrijheid blijft. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Het verzoek om immateriële schadevergoeding

11. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.

12. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. In deze zaak zit minder dan 2 jaar tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (1 februari 2024) en deze uitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?