Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 607799 HA RK 26-37
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
21 april 2026
op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 2 maart 2026 mr. L.M.M. Heppe gewraakt. Mr. Heppe (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het parketnummer 16/259792-25 (hierna: de hoofdzaak). Per e-mail van 5 maart 2026 heeft [verzoeker] zijn wrakingsgronden aangevuld.
Het wrakingsverzoek is op 7 april 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker was daarbij aanwezig. De rechter was niet aanwezig. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker noemt in zijn wrakingsverzoek 21 wrakingsgronden. De wrakingsgronden die betrekking hebben op de rechter, zijn als volgt samen te vatten. Verzoeker had al voor de zitting een aanhoudingsverzoek gedaan. Een van de redenen was dat het Openbaar Ministerie een incompleet procesdossier aan hem had verstrekt. Er ontbraken namelijk vijf pagina’s. Volgens verzoeker wilde de rechter de tegen hem opgebouwde strafzaak desondanks inhoudelijk behandelen. Tijdens de zitting zijn er daarnaast nieuwe stukken overhandigd door een bij de zaak betrokken partij. De rechter vond dat verzoeker de nieuwe stukken tijdens de zitting kon lezen en daarop kon reageren. Verzoeker voelde zich hierdoor onder druk gezet. De rechter had daarnaast te weinig tijd uitgetrokken voor de behandeling van de zaak. Ook klopt het proces-verbaal van de zitting niet en is nadat de rechter de zitting had geschorst meteen een nieuwe zittingsdatum bepaald. Kennelijk denkt de rechter dat zij de behandeling dan weer kan voortzetten. Verzoeker wil dat zijn strafzaak wordt verwezen naar een andere rechtbank. Volgens hem is hij al schuldig bevonden voordat de zaak inhoudelijk is behandeld.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter was nog bezig met de behandeling van het aanhoudingsverzoek van verzoeker op het moment dat verzoeker het wrakingsverzoek deed. Van enige vooringenomenheid is geen sprake. De hoofdzaak is, nadat verzoeker het wrakingsverzoek had gedaan, geschorst en verwezen naar een zittingsdatum waaraan nog geen rechter is gekoppeld.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij of zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij of zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek onder meer ten grondslag dat de rechter de tegen hem opgebouwde strafzaak inhoudelijk wilde behandelen, terwijl verzoeker over een incompleet procesdossier beschikte en tijdens de zitting ook nog eens nieuwe stukken in het geding waren gebracht. De rechter heeft in haar schriftelijke reactie laten weten dat zij nog bezig was met de inventarisatie van de gronden van het aanhoudingsverzoek van verzoeker toen verzoeker het wrakingsverzoek deed.
Uit het proces-verbaal van de zitting kan worden afgeleid dat verzoeker in zijn procesdossier de eerste vijf pagina’s miste. Dat zijn een inhoudsopgave, een voorblad waar de gegevens van de verdachte op staan, een relaas van het dossier en de bijbehorende tekenbladen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter verzoeker heeft voorgehouden dat deze stukken door de bode geprint konden worden, zodat verzoeker van de inhoud van deze stukken kon kennisnemen. Verzoeker wilde van die mogelijkheid geen gebruik maken. De wrakingskamer leest in het proces-verbaal niet dat de rechter de zaak inhoudelijk wilde behandelen. Uit het proces-verbaal kan juist worden opgemaakt dat zij daarover nog geen beslissing had genomen toen verzoeker het wrakingsverzoek deed. Anders dan verzoeker meent, bevat het proces-verbaal overigens een zakelijke weergave van wat tijdens een zitting is besproken. Het is dus geen woordelijk verslag.
De beslissing om een uur uit te trekken voor de behandeling van de hoofdzaak, is geen beslissing van de rechter. Dat zou anders zijn als de rechter zou hebben besloten om een verzoek om de zittingsduur te verlengen, niet in te willigen, wat niet het geval is. Een dergelijke beslissing zou dan overigens een procesbeslissing zijn geweest, die in beginsel geen reden kan vormen voor wraking.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek zal afwijzen. Dit betekent dat de behandeling van de zaak voortgezet kan worden. Dat zal zijn op de datum die tijdens de zitting door de rechter al was bepaald.
De zaak zal niet worden verwezen naar een andere rechtbank, zoals verzoeker wil. Dat gebeurt ook niet als een wrakingsverzoek wordt toegewezen. Hiervoor bestaat namelijk geen wettelijke grond.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het wrakingsverzoek af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoeker met parketnummer 16/259792-25 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
Deze beslissing is genomen door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. M.E. Heinemann en
mr. A.F. Hermans als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. D. van Wijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.