Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 608640 HA RK 26-53
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
21 april 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker,
bijgestaan door mr. D.B. Pathak.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 17 maart 2026 mr. O. Veldman gewraakt. Mr. Veldman (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaken met de zaaknummers AWB 25/21206 en AWB 26/21208 (hierna: de hoofdzaken).
Het wrakingsverzoek is op 7 april 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting was mr. Pathak aanwezig. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend en was niet bij de zitting aanwezig.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Het verloop van de zitting in de hoofdzaken van 5 februari 2026 heeft bij verzoeker de schijn van partijdigheid van de rechter gewekt. Volgens verzoeker heeft de rechter niet naar hem geluisterd en heeft hij stukken geweigerd. Bovendien zou de rechter tijdens de zitting hebben toegezegd dat verzoeker de mogelijkheid zou krijgen om – na afloop van de zitting – nog te reageren op een aangehaalde uitspraak van verweerster in de hoofdzaken. De rechter is die toezegging niet nagekomen.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Volgens de rechter is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek voor zover dit betrekking heeft op de zitting, omdat het wrakingsverzoek te laat is gedaan. Verder schrijft de rechter dat hij niet heeft toegezegd dat verzoeker na de zitting nog zou mogen reageren op de aangehaalde uitspraak.
3. De beoordeling
In artikel 8:15 Awb staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
In artikel 8:16 lid 1 Awb staat dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker wijst in zijn wrakingsverzoek grotendeels op omstandigheden die zich tijdens de zitting van 5 februari 2026 hebben voorgedaan. Pas op 17 maart 2026 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend. Dat is te laat. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop tussen de zitting en het indienen van het wrakingsverzoek (van meer dan een maand) rechtvaardigen. Dit betekent dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek, voor zover dit betrekking heeft op het handelen van de rechter tijdens de zitting.
Verzoeker heeft verder aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter hem na afloop van de zitting geen mogelijkheid heeft geboden zich uit te laten over een uitspraak die door verweerster werd genoemd tijdens de zitting, hoewel de rechter dit tijdens de zitting wel had toegezegd. Dit blijkt echter niet uit de zittingsaantekeningen. Integendeel: hieruit blijkt juist dat het onderzoek was gesloten. Uit de zittingsaantekeningen blijkt ook dat de rechter tijdens de zitting heeft voorgesteld om een leespauze in te lassen zodat verzoeker de desbetreffende uitspraak kon lezen, maar dat verzoeker van die mogelijkheid geen gebruik wilde maken.. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Daarom zal het wrakingsverzoek voor het overige worden afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op het handelen van de rechter tijdens de zitting;
wijst het wrakingsverzoek voor het overige af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedures van verzoeker met zaaknummers AWB 25/21206 en AWB 26/21208 moeten worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. M.E. Heinemann, voorzitter, en mr. D. Wachter en
mr. A.F. Hermans als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. D. van Wijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.