[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Baarn, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: S. Quijs).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 april 2025.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd.
Eiser is tegen deze beschikking in bezwaar gegaan. Eiser heeft de heffingsambtenaar op 2 januari 2025 in gebreke gesteld. Eiser heeft vervolgens op 19 maart 2025 een beroep niet tijdig ingediend.
Met de uitspraak op bezwaar van 10 april 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft aangegeven het beroep te willen voorzetten. Het beroep van eiser wordt dan ook geacht mede gericht te zijn tegen de uitspraak op bezwaar van 10 april 2025.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en het griffierecht te laten vergoeden. Het beroep niet tijdig is namelijk niet terecht ingediend. Op grond van artikel 6:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep niet tijdig worden ingediend als het bestuursorgaan in gebreke is gesteld. De ingebrekestelling van eiser van 2 januari 2025 is echter prematuur. De heffingsambtenaar heeft namelijk op 30 december 2024 de uitspraak op bezwaar verdaagd met zes weken. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar het aanslagnummer waar ook de afvalstoffenheffing op staat, heeft opgenomen in de verdagingsbrief. Dit acht de rechtbank voldoende specifiek en daarmee blijkt uit de verdagingsbrief duidelijk welke beslissing wordt verdaagd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien het voor eiser onduidelijk was op welke zaak (de rioolheffing en/of afvalstoffenheffing) de verdagingsbrief betrekking had, het op de weg van eiser had gelegen om contact op te nemen met de heffingsambtenaar.
Vragen
4. Eiser heeft een beroepsschrift ingediend met 17 punten over de afvalstoffenheffing. De rechtbank is van oordeel dat de punten onder 1, 3, 4, 9, 10, 11, 13, 16 en 17 vragen betreffen waarop door de heffingsambtenaar in de stukken en ter zitting antwoord is gegeven. De rechtbank ziet daarom geen reden om deze inmiddels beantwoorde vragen als beroepsgrond aan te merken. De rechtbank zal deze punten dan ook buiten beschouwing laten.
Publicatieplicht (punt 7 en 14)
5. Eiser stelt dat de verordening en beleidsregels niet op de juiste manier worden gepubliceerd. Oudere verordeningen moeten 10 jaar raadpleegbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing gemeente Baarn 2024 (de Verordening) en de vastgestelde beleidsregels van de gemeente Baarn op de juiste wijze zijn gepubliceerd. Deze zijn te raadplegen op overheid.nl. De heffingsambtenaar heeft hierover in de stukken en op de zitting toegelicht dat indien er een wettelijke verplichting is om beleid vast te stellen, er ook beleid is vastgesteld en gepubliceerd. Als er geen beleidsregels zijn vastgesteld, kan dit ook niet worden gepubliceerd. Eiser heeft dit niet onderbouwd weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Verordening en de vastgestelde beleidsregels van de gemeente Baarn op de juiste wijze zijn gepubliceerd. Voor zover eiser stelt dat het onduidelijk is of er beleid is in een keuzesituatie, wijst de rechtbank eiser op de gepubliceerde beleidsregel “Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie in Baarn”. Ook wijst de rechtbank eiser op het “Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Baarn 2020”, dat ook is gepubliceerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Kostendekkende tarieven (punt 2)
6. Volgens eiser worden verkeerde kosten berekend waardoor de kostendekkende tarieven in het geding zijn. Volgens eiser geeft de gemeente al in het verweerschrift van d.d. 7 september 2023 aan dat zij per abuis niet alle kosten had toegekend die het had mogen worden toegerekend; welke dat zouden zijn is op dit moment nog steeds een geheim, aldus eiser. Overigens als de gemeente een dergelijke fout maakt hoort zij dit toch met een tussentijdse begrotingswijziging door de gemeente raad te laten corrigeren, stelt eiser. Maar ook daarvan blijkt volgens eiser niets. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting aangegeven dat de opmerkingen niet over het belastingjaar 2024 gaan. De begroting en kostenberekening worden ieder jaar opnieuw gemaakt. Voor 2024 is een eigen begroting opgesteld. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. Deze beroepsgrond van eiser lijkt te zien op voorgaande belastingjaren. De thans aan de orde zijnde zaak gaat echter alleen over belastingjaar 2024. Ook overigens heeft eiser niet concreet gemaakt waar hij precies op doelt met zijn beroepsgrond. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leegstand (punt 5 en 6)
7. De gemeente Baarn maakt zich volgens eiser schuldig aan willekeurige belastingheffing, omdat zij leegstaande panden niet in de afvalstoffenheffing betrekt. Volgens eiser is het bedrag aan leegstand (ongeveer € 100.000,-) te hoog. Dit zou betekenen dat er 330 panden leegstaan. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting toegelicht dat de afvalstoffenheffing in de basis een gebruikersheffing is. Bij leegstand voor een korte termijn wordt er geen aanslag opgelegd. Na zes maanden wordt er bij leegstand wel een aanslag opgelegd aan de eigenaar, die dan als gebruiker wordt aangemerkt. Bij niet-natuurlijke personen wordt echter geen heffing opgelegd, omdat het bij afvalstoffenheffing gaat om huishoudelijk afval. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor hem verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. De rechtbank is van oordeel dat het beleid van de gemeente Baarn valt binnen de grenzen van de beleidsvrijheid die zij van de wetgever heeft gekregen bij het vormgeven van de afvalstoffenheffing. Bovendien is de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel dat de heffingsambtenaar de Basisregistratie Personen als uitgangspunt mag hanteren bij het opleggen van een aanslag. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Zwerfafval (punt 8)
8. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte kosten van algemeen zwerfaval, bestaande uit het ophalen van de vuilniszakken gedumpt naast verzamelcontainers, meeneemt in de kostenonderbouwing. Eiser verwijst hierbij naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 november 2009, nr. 2009/00287, waaruit volgens hem blijkt dat dat niet mag. De heffingsambtenaar heeft hierover ter zitting toegelicht dat dit arrest gaat over de toerekening van kosten en het te veel aan reinigingsrecht (reinigingsrechten hebben betrekking op bedrijven en niet op huishoudelijk afval) en dat die situatie niet vergelijkbaar is met die van eiser. Straatvegen kan mag wel worden opgenomen in de begroting. Dit is apart in de begroting en in de berekening meegenomen. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. De rechtbank is van oordeel dat straatvegen als een ‘last ter zake’ mocht worden aangemerkt. Tot de kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden gerekend de kosten betreffende het voorkomen, beperken en opruimen van zwerfaval, voor zover die kosten worden opgeroepen door huishoudelijke afvalstoffen. Eiser heeft zijn standpunt verder niet gemotiveerd onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de toelichting door de heffingsambtenaar. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondstoffen (punt 12)
9. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar weliswaar aangeeft dat de opbrengsten van grondstoffen zakken, maar dat volgens eiser deze kosten in werkelijkheid juist stijgen. Het tarief moet daarop volgens eiser worden aangepast. Nu eiser dit punt als een zeer algemene opmerking formuleert en deze beroepsgrond niet concreet gemotiveerd heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de begroting van de heffingsambtenaar. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de heffingsambtenaar ter zitting hierover heeft toegelicht dat in de begrotingen altijd reële opbrengsten van grondstoffen zijn opgenomen. Dat wordt gedaan aan de hand van de prijzen van grondstoffen van voorgaande jaren en met prognoses voor de komende jaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Ophaalplicht (punt 15)
10. Eiser stelt dat de gemeente niet voldoet aan de ophaal- en inzamelplicht. Containers voor glas, kleding en restafval zijn namelijk meer dan 250 meter van zijn woning verwijderd. Bovendien dient eiser klein chemisch afval, bouwpuin, asbest, huisraad, bruingoed en witgoed naar een recyclingstation of de milieustraat te brengen. Hierdoor wordt een aanzienlijk deel van het afval niet bij zijn pand opgehaald. Indien de loopafstand meer dan 125 meter is, wordt volgens eiser niet voldaan aan het nabijheidsvereiste. Eiser heeft tijdens de zitting een richtlijn van de gemeente Baarn overgelegd, waarin een afstandseis van 125 m wordt genoemd. De heffingsambtenaar heeft hierover ter zitting toegelicht dat dat een groot gedeelte van het afval door de gemeente bij de woning van eiser wordt opgehaald. Het gaat dan bijvoorbeeld om restafval, plastic, papier en GFT. Verder is de glasbak in de buurt van de woning van eiser en kan het overige naar de milieustraat worden gebracht. Daarmee wordt eiser voldoende gelegenheid geboden om van zijn afval af te komen. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. De rechtbank stelt vast dat papier, PMD, GFT en restafval bij eiser wordt opgehaald in zijn eigen containers. Voor overig afval bevinden zich containers nabij het perceel van eiser of kan eiser zaken naar de milieustraat brengen. Hiermee wordt voldaan aan de ophaal- en inzamelplicht. De richtlijn die eiser heeft overlegd ziet op bewoners van hoogbouw, waar over het algemeen gft, pmd en restafval niet wordt opgehaald in minicontainers nabij het perceel. Voor deze bewoners worden ondergrondse containers op korte afstand van de hoogbouw geplaatst en wordt daarvoor een richtafstand genoemd. De heffingsambtenaar handelt met de hiervoor weergegeven werkwijze in lijn met het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Baarn 2020. Dat de glasbak en de milieustraat niet op een redelijke afstand van de woning van eiser zijn gelegen, is verder niet gebleken. Ook bestaan er geen formele eisen aan de maximale afstand van het perceel van eiser tot de glasbak of de milieustraat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gemeente haar inzamelplicht nakomt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
12. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
13. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. In deze zaak zit minder dan 2 jaar tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (1 februari 2024) en deze uitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.