[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.H. Bouwman),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Eiser heeft zich op 1 februari 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om compensatie in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen heeft dit verzoek afgewezen en bij besluit van 17 april 2021 aangegeven dat eiser niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van de lichte toets. Eiser krijgt dus geen € 30.000,-.
Na de lichte toets voert Dienst Toeslagen nog een integrale herbeoordeling uit, waarbij nogmaals wordt gekeken of eiser een gedupeerde is van de toeslagenaffaire en daardoor in aanmerking komt voor compensatie. Met het besluit van 21 april 2023 heeft Dienst Toeslagen een definitieve beschikking genomen. Hierin is eiser niet als gedupeerde aangemerkt, waardoor hij geen recht heeft op compensatie. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiser namelijk nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd. En dat is wel de eerste voorwaarde om voor compensatie in aanmerking te kunnen komen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 25 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Eiser voert aan dat hij in 2009 kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en heeft ontvangen. De Belastingdienst heeft hem in 2009 of 2010 in een brief meegedeeld dat hij wegens frauduleus handelen niet langer recht had op kinderopvangtoeslag. Vanwege het tijdsverloop, een brand en een verhuizing kan hij niet met schriftelijke stukken onderbouwen dat hij een aanvraag heeft ingediend. Uit het feit dat Dienst Toeslagen heeft geïnformeerd of eiser kinderen heeft, leidt eiser af dat Dienst Toeslagen niet beschikt over de juiste gegevens, omdat dit Dienst Toeslagen duidelijk had moeten zijn aangezien hij kinderbijslag ontving. Verder zit bij de gedingstukken een uitdraai van een zoekopdracht door Dienst Toeslagen die ziet op iemand anders. Het bestreden besluit is volgens eiser gebaseerd op foutieve en/of onvolledige informatie en daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
4. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit uitgelegd dat uit de systemen van Belastingdienst/Toeslagen niet blijkt dat eiser kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, dat kinderopvangtoeslag aan hem is toegekend en is teruggevorderd dan wel is verrekend met andere toeslagen. In het onderzoek door Dienst Toeslagen is ook een stuk met betrekking tot een derde, die niets met de zaak van eiser te maken heeft, met eiser gedeeld. Dat is op zichzelf onzorgvuldig, maar betekent niet dat het onderzoek naar de situatie van eiser ook onzorgvuldig is. Op de zitting heeft Dienst Toeslagen namelijk uitgelegd dat in de bezwaarfase en ook in de beroepsfase (nogmaals) in het SAS-bestand en het TVS-systeem is gezocht naar aanknopingspunten dat eiser kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Uit dat onderzoek blijkt geen enkel stuk dat aannemelijk maakt dat een aanvraag kinderopvangtoeslag is ingediend. De rechtbank ziet geen reden te concluderen dat het onderzoek van Dienst Toeslagen niet zorgvuldig is geweest of dat het bestreden besluit is gebaseerd op onvolledige informatie.
5. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wel aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dat niet gedaan. Eiser heeft geen stukken overgelegd van bijvoorbeeld de bank, de kinderopvanginstelling of de Belastingdienst, waaruit zou blijken dat hij kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, ontvangen of heeft moeten terug betalen of stukken die aanleiding hadden kunnen geven voor nader onderzoek door Dienst Toeslagen. Het feit dat eiser een kind heeft en (in de desbetreffende periode) heeft gewerkt, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat eiser kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Dat de Belastingdienst in 2017 beslag heeft laten leggen op een auto van eiser is ook onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, gekregen, moest terugbetalen en daarbij tekort is geschoten. Eiser heeft namelijk niet het stuk overgelegd waaruit blijkt voor welke vorderingen de Belastingdienst beslag heeft gelegd en heeft dit, als hij zelf niet meer over dat stuk beschikt, ook niet bij de Belastingdienst nagevraagd.
6. Uit artikel 2.1 van de Wht volgt dat alleen een aanvrager van kinderopvangtoeslag compensatie kan krijgen. Omdat eiser geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en hij ook geen schade heeft geleden door toedoen van Dienst Toeslagen komt hij niet in aanmerking voor compensatie. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag voor compensatie daarom terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 2.1. van de Wht. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.