ECLI:NL:RBMNE:2026:223

ECLI:NL:RBMNE:2026:223

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 06-01-2026
Datum publicatie 31-01-2026
Zaaknummer UTR 25/3560
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen dat gelet op de beperkte werkbelasting van de gemachtigde in bezwaar een wegingsfactor van 0,5 voor de bezwaarfase passend is. Het beroep is ongegrond

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar

(gemachtigde: I.K. Beek).

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 29 januari 2025 (het primaire besluit) op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2025 vastgesteld op € 1.014.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2024. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

2. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 28 april 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning verlaagd tot € 921.000,-.

3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

4. De zaak is behandeld op de zitting van 25 november 2025. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

5. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser zijn beroepsgrond dat eiser ten onrechte niet is gehoord door de heffingsambtenaar ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet meer bespreken in haar uitspraak.

Proceskostenvergoeding in bezwaar

6. De gemachtigde van eiser stelt daarnaast dat de heffingsambtenaar ten onrechte een wegingsfactor “licht” heeft toegepast en dat er een wegingsfactor “gemiddeld” moest worden toegepast. Het toepassen van een wegingsfactor 0,5 bovenop de wettelijke WOZ-factor is volgens de gemachtigde van eiser disproportioneel. Daarnaast verwijst de gemachtigde van eiser naar het richtsnoer die door de belastingkamers van de gerechtshoven is vastgesteld en als bijlage is opgenomen bij de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Uit het richtsnoer volgt volgens de gemachtigde van eiser dat de wegingsfactor voor WOZ-zaken op ‘gemiddeld’ moet worden gesteld.

7. De heffingsambtenaar heeft hierover toegelicht dat de werkbelasting van de gemachtigde van eiser in deze zaak zeer beperkt is geweest. De enige inspanning is de toezending van een standaard bezwaarschrift geweest. Volgens de heffingsambtenaar is er in deze zaak daarom voldoende aanleiding om af te wijken van het richtsnoer.

8. De rechtbank merkt allereerst op dat de heffingsambtenaar en de rechtbank niet gebonden zijn aan het richtsnoer van de hoven. Tegelijkertijd is het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wel van oordeel dat, als de rechtbank een andere proceskostenveroordeling uitspreekt dan uit het richtsnoer volgt, de uitspraak van de rechtbank vernietigd moet worden. Om niet het risico te lopen in hoger beroep vernietigd te worden, ziet de rechtbank daarom geen andere mogelijkheid dan om de proceskostenvergoeding die in bezwaar is toegekend te toetsen aan het richtsnoer.

9. De rechtbank overweegt verder als volgt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm blijkt dat de proceskostenvergoeding wordt bepaald door (i) de punten per proceshandeling te vermenigvuldigen met, (ii) de waarde per punt, (iii) de zwaarte van de zaak en (iv) de wettelijke factor. Volgens de rechtbank moet de wegingsfactor op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht daarom worden toegepast naast het toepassen van de wettelijke WOZ-factor en dit sluit daarom niet uit dat naast de wettelijke WOZ-factor ook een wegingsfactor lager (of hoger) dan gemiddeld wordt toegepast.

10. Uit het richtsnoer van de gerechtshoven volgt dat waar het om een materieelrechtelijk belastinggeschil gaat het gewicht van de zaak als gemiddeld is aan te merken. Dat is het geval bij een normale WOZ-zaak. Uit het richtsnoer blijkt echter ook dat hiervan kan worden afgeweken en dat een afwijking geen specifieke motivering vergt. Uit het richtsnoer volgt verder dat het gewicht van de zaak, en dus ook de wegingsfactor, wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Het richtsnoer biedt dus ruimte om in een concrete WOZ-zaak waarbij de werkbelasting beperkt is geweest voor de rechtsbijstandverlener in plaats van een gemiddeld gewicht een licht gewicht of zelfs een zeer licht gewicht te hanteren. De rechtbank moet dus op basis hiervan beoordelen welke wegingsfactor in dit specifieke geval van toepassing is.

11. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het bezwaarschrift staat inhoudelijk enkel het volgende:“De WOZ-waarde is te hoog vastgesteld, op basis van een quick-scan ben ik van mening dat de WOZ-waarde vastgesteld dient te worden op een bedrag van: € 927.000,-.”Het bezwaarschrift bevat dus slechts één blote, niet onderbouwde stelling. Daarnaast geeft de gemachtigde zelf al aan dat er alleen maar een quick-scan wordt gemaakt van de vastgestelde WOZ-waarde. Deze quick-scan is een snelle, beperkte beoordeling van de zaak. Zoals de gemachtigde ter zitting heeft verteld, vullen zijn cliënten een vragenlijst in. De enige werklast voor de gemachtigde is om daarna op basis van de quick-scan te beoordelen of een bezwaar kansrijk is. Zijn bezwaarschrift bestaat vervolgens inhoudelijk gezien uit één zin zonder onderbouwing of concrete gronden.

12. Naar het oordeel van de rechtbank zit hier veel minder werk in dan bij een gemiddeld bezwaarschrift in WOZ-zaken, waarbij de aanslag wél volledig is bestudeerd en het bezwaar inhoudelijk wordt gemotiveerd. De rechtbank weegt daarin ook mee dat de heffingsambtenaar onbetwist heeft gesteld dat meer dan de helft van de ingediende bezwaren weer wordt ingetrokken. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens dat die quick-scan daarom maar een zeer beperkte beoordeling kan zijn. Bovendien is het indienen van dit summiere bezwaarschrift de enige handeling van de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase geweest. De rechtbank kan daarom het standpunt van de heffingsambtenaar volgen dat gelet op de beperkte werkbelasting van de gemachtigde in bezwaar een wegingsfactor van 0,5 voor de bezwaarfase passend is. De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 april 2025 waarin ook een wegingsfactor 0,5 werd toegepast en de gemachtigde in die procedure onmiskenbaar meer had gedaan dan de gemachtigde in deze zaak.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?