ECLI:NL:RBMNE:2026:2234

ECLI:NL:RBMNE:2026:2234

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 11657180
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Wahv, geen matiging boete ondanks schending hoorplicht en overschrijding redelijke termijn van berechting. Bij de kantonrechter is alleen geklaagd over de schending van de hoorplicht als zodanig, zonder inhoudelijke argumenten over de boete. Hoewel de hoorzitting een essentieel onderdeel is van de procedure is niet aannemelijk dat de betrokkene in haar belangen is geschaad. Er is ook geen reden om te veronderstellen dat zij onbehagen, irritatie en frustratie heeft gevoeld door de lange duur van de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: 11657180 AM VERZ 25-2318

CJIB-nummer: 260334107

beslissing van de kantonrechter van 4 mei 2026 en proces-verbaal van de zitting van 20 april 2026

inzake

[betrokkene] uit [plaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene,

gemachtigde: mr. B. de Jong.

Inleiding

Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd van € 110,00. De boete is opgelegd omdat de auto van de betrokkene op 2 mei 2023 in Veenendaal stond geparkeerd op een plek binnen een parkeerverbodszone waar parkeren niet is toegestaan.

De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 20 april 2026. Een kantoorgenoot van de gemachtigde van de betrokkene was aanwezig. Namens de officier van justitie was een zittingsvertegenwoordiger aanwezig.

De beoordeling van het beroep

Het verloop van de procedure

1. In deze zaak wordt al bijna drie jaar geprocedeerd. Al die tijd heeft de gemachtigde van de betrokkene niet duidelijk gemaakt om welke reden zijn cliënt het niet eens is met de boete die zij heeft gekregen voor fout parkeren. De kantonrechter ziet in deze proceshouding aanleiding om geen consequenties te verbinden aan de schending van de hoorplicht en aan de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

2. De boete is opgelegd op 21 augustus 2023, op basis van een verklaring van een buitengewoon opsporingsambtenaar. Kort daarna heeft de gemachtigde een administratief beroepschrift ingesteld met gestandaardiseerde tekstblokken. Daarin staat dat de betrokkene in algemene zin de gedraging betwist, dat zij de wens heeft om gehoord te worden en dat zij om een nadere termijn verzoekt om de beroepsgronden aan te vullen.

3. In maart 2024 heeft de officier van justitie de gemachtigde een brief gestuurd, met het verzoek om binnen 4 weken de beroepsgronden aan te vullen. De gemachtigde heeft daarop niet gereageerd.

4. In juni 2024 heeft de officier van justitie het administratief beroep ongegrond verklaard. De reden daarvoor was dat de betrokkene haar standpunt niet heeft onderbouwd en dat er geen reden was om te twijfelen aan de verklaring van de buitengewoon opsporingsambtenaar. In de beslissing staat verder dat de betrokkene niet is gehoord, vanwege de hoge instroom van beroepschriften en het tijdig willen afdoen van zaken.

5. De gemachtigde van de betrokkene heeft kort daarna beroep ingesteld bij de kantonrechter. In oktober 2024 heeft hij de inhoudelijke beroepsgronden toegestuurd. Die houden in dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden in de fase van administratief beroep en dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. Volgens de gemachtigde zou dit tweemaal tot matiging met 25% van het boetebedrag moeten leiden.

6. Op de zitting bij de kantonrechter had de gemachtigde van de betrokkene geen toevoegingen of aanvullingen op de schriftelijke beroepsgronden.

De boete is terecht opgelegd

7. De kantonrechter overweegt dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de auto van de betrokkene fout geparkeerd stond op 2 mei 2023 en zij als kentekenhouder daarvoor terecht een boete heeft gekregen.

De schending van de hoorplicht

8. De betrokkene voert terecht aan dat de hoorplicht is geschonden. De officier van justitie had de betrokkene moeten horen, voordat hij een beslissing nam op het administratief beroep. Dat volgt uit artikel 7:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

9. De schending van de hoorplicht was in de periode waarin deze zaak speelde veel vaker aan de orde. Er was sprake van een structureel gebrek in de procedure, dat ook nog is blijven voortduren nadat daarop in de rechtspraak is gewezen. Inmiddels is echter geen sprake meer van een structurele schending van de hoorplicht en heeft het Openbaar Ministerie zijn werkwijze weer op orde.

10. De kantonrechter overweegt vervolgens dat de betrokkene en haar gemachtigde bij de kantonrechter geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om over de boete datgene naar voren te brengen, dat zij niet naar voren hebben kunnen brengen door de schending van de hoorplicht. In het beroepschrift bij de kantonrechter en op de zitting bij de kantonrechter is alleen geklaagd over de schending van de hoorplicht als zodanig. De gemachtigde van de betrokkene is een professionele rechtsbijstandverlener die gespecialiseerd is in Wahv-zaken. Hij heeft geen inhoudelijke argumenten naar voren gebracht over de boete. Dat doet vermoeden dat er geen goede argumenten tegen de boete zijn en dat een hoorzitting inhoudelijk niets had toegevoegd. Hoewel de hoorzitting een essentieel onderdeel is van de procedure van administratief beroep, oordeelt de kantonrechter onder deze omstandigheden dat niet aannemelijk is dat de betrokkene in haar belangen is geschaad door de schending van de hoorplicht.

11. In dit geval is er daarom geen reden om de betrokkene te compenseren vanwege de schending van de hoorplicht. De kantonrechter zal het gebrek in de besluitvorming passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De kantonrechter is zich ervan bewust dat hij hiermee afwijkt van de rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij deze structurele schending van de hoorplicht in zaken waarbij een professionele gemachtigde is betrokken wordt gecompenseerd door de boete met 25% te matigen (zie het arrest van 8 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2852).

De overschrijding van de redelijke termijn

12. De kantonrechter stelt vast dat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. De kantonrechter had uitspraak moeten doen binnen twee jaar na het opleggen van de boete op 21 augustus 2023. Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat een overschrijding van de redelijke termijn in Wahv-zaken door de rechter wordt gecompenseerd door de boete met 25% te matigen. Aan dat uitgangspunt ligt ten grondslag dat mag worden verondersteld dat rechtzoekenden in Wahv-zaken gevoelens van onbehagen, irritatie en frustratie ondervinden bij de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De kantonrechter verwijst naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.

13. In deze zaak heeft de betrokkene in augustus 2023 haar gemachtigde ingeschakeld, waarna zij zich niet meer (kenbaar) met de zaak heeft bemoeid. Zij was niet op de zitting van de kantonrechter en heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien om haar gemachtigde te vragen om daadwerkelijk inhoudelijk verweer te voeren tegen de boete. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat de betrokkene onbehagen, irritatie en frustratie heeft gevoeld door de lange duur van de procedure. De kantonrechter wijkt in deze zaak daarom af van het uitgangspunt dat overschrijding van de redelijke termijn van berechting wordt gecompenseerd met een matiging het boetebedrag. Hij zal volstaan met de constatering dat de redelijke termijn van berechting is geschonden.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond. De boete blijft in stand en wordt niet gematigd. De officier van justitie hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier, de kantonrechter,

mr. L. Nafzger mr. K. de Meulder

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

Het beroepschrift moet worden ingediend bij

de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,

locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.

Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

Datum toezending proces-verbaal:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K. de Meulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand