ECLI:NL:RBMNE:2026:2255

ECLI:NL:RBMNE:2026:2255

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer C/16/604640 / FO RK 25-1625
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eenhoofdig gezag. Verdrag van Istanbul. Contactverbod man vanwege strafrechtelijke veroordeling. Nu geen omgang vanwege contactverbod. Afwijzing ontzegging omgang. Raadsonderzoek of omgang in het belang van het kind is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummers: C/16/604640 / FO RK 25-1625 (omgang) en C/16/604786 / FO RK 25-1640 (gezag)

Gezag en omgang

Beschikking van 09 april 2026

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [plaats 1] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.J.M. Vélu,

tegen

[de vrouw] ,

wonende in [plaats 2] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.M. Suurmeijer.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

In de zaak C/16/604640 / FO RK 25-1625 (omgang)

het verzoekschrift van de man (met 5 bijlagen), binnengekomen op 23 december 2025;

de brief van de man (met bijlagen) van 26 januari 2026;

het verweerschrift van de vrouw (met 4 bijlagen) met daarin een zelfstandig verzoek van 29 januari 2026;

het bericht van de man van 9 maart 2026.

In de zaak C/16/604786 / FO RK 25-1640 (gezag)

het verzoekschrift van de vrouw (met 3 bijlagen), binnengekomen op 29 december 2025;

het bericht van de vrouw van 15 januari 2026 (via F9-formulier) met de geboorteakte en de akte van erkenning;

het verweerschrift van de man (met bijlagen) van 26 januari 2026;

het bericht van de man van 9 maart 2026.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de vrouw en haar advocaat, de advocaat van de man en dhr. [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De man was via een videoverbinding aanwezig.

De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , de dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2. Waar de procedure over gaat

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

Zij hebben samen een kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .

[minderjarige] woont bij de vrouw.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] nemen.

De vrouw heeft de relatie rond [maand] 2022 beëindigd. Partijen hebben toen afgesproken dat [minderjarige] op vrijdag naar de man gaat en op zondag weer naar de vrouw wordt teruggebracht. Eind augustus 2024 is de zorgregeling gestopt en sindsdien is er geen contact meer geweest tussen de man en [minderjarige] .

De man verzoekt om een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, waarbij [minderjarige] één weekend per 14 dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man is en ook de helft van de schoolvakantie en de helft van de feestdagen.

De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt om de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Daarnaast verzoekt de vrouw om eenhoofdig gezag.

De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag.

3. De beoordeling

De rechtbank zal:

beslissen dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] heeft;

het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling aanhouden;

het verzoek om de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen aanhouden;

een Raadsonderzoek gelasten.

De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

Het wettelijk kader

Volgens de wet heeft een kind het recht op omgang met zijn beide ouders. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan de omgang slechts in een beperkt aantal omstandigheden ontzeggen. Wanneer het gezamenlijk gezag van ouders door de rechtbank kan worden beëindigd, wordt ook door de wet bepaald. In deze zaak moet naar artikel 1:253n BW worden gekeken. Daarin is bepaald dat op verzoek van niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen, de rechtbank het gezamenlijk gezag kan beëindigen, als de omstandigheden zijn gewijzigd. Verder staat in de wet dat de rechtbank het gezag van een ouder alleen kan beëindigen wanneer er een te groot risico is dat het kind klem komt te zitten of verloren raakt door de strijd tussen de ouders en de rechtbank niet verwacht dat dat binnenkort beter wordt of wanneer de rechtbank dat in het belang van het kind noodzakelijk vindt.

Internationale rechten

De rechtbank moet bij het nemen van een beslissing niet alleen kijken naar de Nederlandse wet maar ook naar internationale verdragen. Op grond van het Internationale Verdrag inzake de rechten van het Kind (hierna: IVRK), moet bij het nemen van een beslissing over kinderen het belang van het kind voorop staan. Ook het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul) is in dit verband van belang. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden. Op basis van dat verdrag moet Nederland wetgevende of andere maatregelen nemen die ervoor zorgen dat bij de vaststelling van een omgangsregeling of de voogdij voor kinderen, rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag. Ook is Nederland verplicht om wetgevende of andere maatregelen te nemen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij, niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

Voor de rechtbank betekent dit dat zij bij de beslissing in deze zaak er rekening mee moet houden dat de rechten en de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw gewaarborgd zijn.

Waar heeft de rechtbank rekening mee gehouden in haar beslissing?

De vrouw heeft beschreven dat zij tijdens de relatie van partijen door de man fysiek en mentaal is mishandeld. Ook zou de vrouw zijn vernederd, geslagen en zijn opgesloten in een kelder in een huis in Turkije. Rond [maand] 2022 heeft de vrouw de relatie beëindigd. Ongeveer een jaar na het beëindigen van de relatie zou de man zijn begonnen met het hevig stalken van de vrouw. De man heeft de vrouw onder andere bedreigd met de dood en heeft gedreigd dat hij [minderjarige] zou ontvoeren naar Turkije. Toen de vrouw [minderjarige] op zondag 25 augustus 2024 kwam ophalen nadat [minderjarige] een weekend bij de man was geweest, zag de vrouw letsel op het gezicht en lichaam van [minderjarige] . [minderjarige] zou hebben gezegd dat zij door haar vader was geslagen. De vrouw heeft vervolgens aangifte bij de politie gedaan.

Hoewel de man ontkent wat er is gebeurd, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het verhaal van de vrouw. De man is namelijk op 25 oktober 2024 door de politierechter van de rechtbank Rotterdam veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling van een kind en mishandeling. Aan de man is toen een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van een maand met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een contactverbod met de vrouw en [minderjarige] en een locatieverbod voor de gemeente [plaats 2] . Het contactverbod houdt in dat de man op geen enkele wijze - direct of indirect - contact mag (laten) opnemen, zoeken of hebben met de vrouw en [minderjarige] . Alleen ingeval van het afstemmen van belangrijke zaken omtrent [minderjarige] wordt bij uitzondering de mogelijkheid geboden het contactverbod tijdelijk te kunnen onderbreken in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van een instelling of een andere deskundige. Het contact- en locatieverbod loopt tot en met oktober 2026.

De man heeft tijdens de zitting gezegd dat het een onterechte veroordeling is, maar de man is niet in hoger beroep gegaan tegen het vonnis. Daarmee staat de veroordeling van de man vast.

Het gezag

De rechtbank zal beslissen dat de vrouw voortaan alleen het gezag over [minderjarige] heeft. Dit betekent dat de vrouw voortaan zelfstandig de beslissingen over [minderjarige] mag nemen.

Niet ter discussie staat dat sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:253n lid 1 BW. De ouders hebben namelijk niet langer een relatie, er is tussen de man en [minderjarige] geen omgang meer en de ouders hebben geen contact meer met elkaar.

De rechtbank is van oordeel dat aan beide criteria voor het beëindigen van het gezag is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er niet alleen een te groot risico dat [minderjarige] klem komt te zitten of verloren raakt en niet is te verwachten dat dat binnenkort beter wordt, maar is het ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd.

Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De ouders moeten in ieder geval in staat zijn om afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De vrouw heeft tijdens de zitting uitgelegd dat de communicatie op dit moment via haar hulpverlener bij het buurtteam en de reclassering van de man verloopt. De communicatie verloopt volgens de vrouw moeizaam omdat er veel tijd overheen gaat voordat ze toestemming heeft van de man voor het regelen van zaken zoals een tandartsafspraak en het aanvragen van een ID-kaart. Doordat de toestemming niet altijd op tijd komt heeft ze afspraken moeten verzetten. Zolang het contactverbod geldt, zal hierin geen verandering komen.

Maar ook na afloop van het contactverbod is de rechtbank, net als de Raad, van oordeel dat een constructieve communicatie tussen de man en de vrouw zeer lastig zal zijn. Daarbij heeft de rechtbank gelet op het stalken van de vrouw door de man en de gewelddadige houding van de man naar de vrouw. De vrouw blijft in een afhankelijke situatie van de man zolang zij voor het maken van belangrijke beslissingen rondom [minderjarige] met de man moet overleggen en zijn toestemming nodig heeft. De vrouw heeft tijdens de zitting gezegd dat ze veel angst heeft voor de man en ook het indirecte contact via de hulpverleners bij haar voor veel stress zorgt. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de eerder genoemde bepalingen uit het Verdrag van Istanbul, van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij contact opneemt met de man om belangrijke zaken omtrent [minderjarige] met de man af te stemmen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de man heeft gehandeld in strijd met zijn plicht als gezaghebbende ouder. In de wet is opgenomen dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat om zijn kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind. In deze verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe. De man heeft [minderjarige] mishandeld en daarmee gehandeld in strijd met het lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige] .

De omgang

Vanwege de strafrechtelijke veroordeling van de man geldt op dit moment voor de man een contactverbod met [minderjarige] en de vrouw. Het contactverbod van de man geldt nog tot en met oktober 2026. De rechtbank is, anders dan de advocaat van de man, van oordeel dat het contactverbod geen ruimte geeft voor het vaststellen van een omgangsregeling. De politierechter heeft bepaald dat indien belangrijke zaken omtrent [minderjarige] geregeld moeten worden, het contactverbod tijdelijk kan worden onderbroken in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van een instelling of een andere deskundige. Daaronder valt naar het oordeel van de rechtbank niet het vaststellen van een omgangsregeling. Alleen al om die reden ziet de rechtbank op dit moment geen mogelijkheid om een omgangsregeling vast te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om de uitspraak van de politierechter en het daarin opgenomen contactverbod naast zich neer te leggen en te beslissen dat er omgang moet komen tussen de man en [minderjarige] . Het is namelijk op dit moment niet duidelijk hoe het met [minderjarige] gaat en of omgang in haar belang is. Daarnaast is onduidelijk of en wat de draagkracht van [minderjarige] en de vrouw is als er een omgangsregeling wordt vastgesteld. De vrouw heeft tijdens zitting wel gezegd dat ze veel angst heeft voor de man en niet wil dat er omgang komt tussen [minderjarige] en de man omdat ze vreest voor de veiligheid van [minderjarige] . Ook is onbekend wat op dit moment de situatie van de man. De man zou een keer een week bij [instelling] in behandeling zijn geweest. Tijdens de zitting heeft de man niet duidelijk kunnen maken waarvoor hij precies in behandeling is. De man leek te suggereren dat hij in behandeling is voor een psychose, maar of dat daadwerkelijk het geval is, is onbekend. Ook de advocaat van de man heeft op dit punt geen duidelijkheid kunnen geven. Omdat er op dit moment zoveel onduidelijk is, kan ook niet worden beoordeeld of aan de vereisten is voldaan om de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen.

Raadsonderzoek

De rechtbank zal een Raadsonderzoek gelasten. De reden daarvoor is dat voor de rechtbank nog onvoldoende duidelijk is welke beslissing over de omgang in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het van belang dat de opdracht voor een Raadsonderzoek nu al wordt gegeven.De Raad heeft namelijk aangegeven dat er momenteel lange wachttijden zijn voordat een Raadsonderzoek kan worden opgestart. Naar oordeel van de rechtbank is het van belang dat na het aflopen van het contactverbod in oktober 2026 zicht komt op wat in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal de Raad vragen om onderzoek te doen of omgang of de ontzegging daarvan in het belang van [minderjarige] is. Vóór 1 oktober 2026 wil de rechtbank graag het advies van de Raad ontvangen. Na ontvangst van het Raadsrapport zal de rechtbank de advocaten van partijen in de gelegenheid stellen om schriftelijk te reageren op de inhoud van dat rapport.

De rechtbank vraagt de Raad om te onderzoeken:

- Of een zorgregeling en zo ja welke, in het belang van [minderjarige] is.

Daarbij is van belang dat ook zicht worden gekregen op de situatie van de man. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan de huidige woon- en werksituatie van de man, maar ook zijn psychische gesteldheid. Het is daarbij van belang dat de man tijdens het Raadsonderzoek, door middel van bijvoorbeeld (behandel)verslagen of andere verklaringen van zijn behandelaren, zo veel mogelijk inzage geeft in de behandeling die hij volgt en het verloop daarvan.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het gezag over [minderjarige] vanaf nu alleen toekomt aan de vrouw;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de (verdere) beslissing over de omgang aan tot 1 oktober 2026, in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek;

verzoekt de Raad om te onderzoeken:- welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door F.D.M. Osinga, (kinder)rechter, in samenwerking met F. Elsendoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 09 april 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand