RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiser] , uit [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6802 en UTR 25/7159
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
en
(gemachtigden: mr. E. van den Burgt, C. Marskamp, K. van der Bas.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vitens N.V.
(gemachtigden: mr. E.F. Bakker en S.K.E de Jong)
Procesverloop
1. Eisers hebben op 23 oktober 2025 een verzoek om handhaving ingediend. Vitens N.V. is gestart met grootschalige aanpassingen aan het Waterwinpark in Zeist. Het handhavingsverzoek is erop gericht dat het Waterwinpark een hondenlosloopgebied blijft, niet heringericht wordt en dat het Waterwinpark toegankelijk blijft.
2. Eisers hebben het college op 9 november 2025 in gebreke gesteld, omdat niet binnen een redelijke termijn op het handhavingsverzoek is beslist.
3. Bij brief van 14 november 2025 deelt het college mee dat de ingebrekestelling te vroeg (prematuur) is ingediend, omdat de beslistermijn nog niet is verlopen.
4. Eisers hebben een beroep niet tijdig beslissen ingediend en in dat kader verzocht om een voorlopige voorziening.
5. Bij brief van 11 december 2025 heeft het college gesteld dat het verzoek binnen de wettelijke beslistermijn niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat de aanvragers niet worden aangemerkt als belanghebbenden. Het verzoek voldoet daarom niet aan de definitie van ‘aanvraag’ uit artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De brief van 11 december 2025 is volgens het college geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
6. Bij brief van 3 februari 2026 reageren verzoekers op de brief van 11 december 2025 van het college.
7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van Vitens N.V.
8. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De toegankelijkheid van het Waterwinpark
Het oordeel
9. Het beroep van eisers gaat erover dat het college niet tijdig een besluit heeft genomen op hun verzoek om handhaving. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen. Daarom ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of het handhavingsverzoek van eisers een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Indien het verzoek niet voldoet aan de vereisten om als aanvraag te worden aangemerkt, kan er ook geen sprake zijn van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.
10. Uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb volgt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Uit het eerste lid, van artikel 1:3, van de Awb volgt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of het verzoek erop is gericht dat het college een besluit neemt, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling dan wel of eisers belanghebbenden zijn bij hun verzoek om handhaving.
11. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een aanvraag. Dat betekent dat eisers geen beroep kunnen instellen tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek. De voorzieningenrechter is daarom niet bevoegd om van het beroep kennis te nemen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waarom hun verzoek om handhaving geen aanvraag is en welke gevolgen dit oordeel heeft. Daarbij is van belang dat, zoals ook op de zitting is besproken, het verzoek om handhaving om drie punten gaat: de herinrichting van het park, het behoud van het park als hondenlosloopgebied en de toegankelijkheid van het park. Hieronder wordt per onderdeel bezien of het verzoek kan worden aangemerkt als een aanvraag dan wel of eisers daar dan belanghebbende bij zijn.
De herinrichting
12. Het handhavingsverzoek richt zich allereerst op de herinrichting van het Waterwinpark. Eisers willen dat het park teruggebracht wordt in de oorspronkelijke staat, omdat het nieuwe ontwerp het Waterwinpark minder geschikt maakt om – al dan niet met hond - in het park te recreëren. Er is struikgewas geplaatst met doorns, waardoor het moeilijk is voor een hondeneigenaar om de opruimplicht na te leven. Ook lopen de hardlooppaden door het hondenlosloopgebied, waardoor de honden achter de hardlopers aanrennen. De speeltoestellen in het park zijn niet meer afgeschermd, waardoor de honden getriggerd worden. Verder noemen eisers dat in het park het aantal katten is toegenomen, omdat de honden een tijdje niet in het park mochten komen tijdens de herinrichting. Volgens eisers kan dit gezondheidsrisico’s voor honden opleveren, als honden de uitwerpselen van katten eten. Ook betreuren eisers dat de speeltoestellen voor kinderen met een beperking zijn weggehaald en dat er bomen zijn geplaatst waardoor risico bestaat op de komst van de eikenprocessierups. De nieuwe sport- en speeltoestellen trekken ook hangjongeren aan, waardoor geluidsoverlast ontstaat. Eisers hebben een enquête rond laten gaan in de buurt, waaruit volgt dat buurtbewoners hun zorgen delen. Volgens eisers is in het collegebesluit van 2010 ingestemd met het parkontwerp. Zij stellen dat de herinrichting een aanpassing is van dat parkontwerp en daarmee in strijd is met dat collegebesluit van 2010.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat handhavend optreden alleen mogelijk is als sprake is van een overtreding. Een overtreding is ‘een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.’ De rechtbank stelt vast dat er geen publiekrechtelijke regel is waaruit volgt dat het parkontwerp waarmee destijds is ingestemd niet zonder instemming van het college mag worden aangepast. Dat volgt ook niet uit het collegebesluit van 2010. Het verzoek om handhaving vanwege strijd met dat collegebesluit, heeft dan ook geen betrekking op een gedraging die in strijd is met enig wettelijk voorschrift en is niet gericht op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg.
14. Eisers hebben ook gewezen op de beheerovereenkomst tussen het college en Vitens N.V., waarmee in dat collegebesluit ook is ingestemd. Voor zover in die overeenkomst al afspraken zijn gemaakt tussen Vitens N.V. en het college over het beheer van het Waterwinpark en de verdeling van verantwoordelijkheden, waar deze herinrichting niet mee in overeenstemming zou zijn, gaat het om privaatrechtelijke afspraken. Een verzoek om handhaving van die afspraken gaat dan ook niet om het nemen van een besluit dat op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht.
15. Voor zover het verzoek er op is gericht dat het parkontwerp waarmee in 2010 is ingestemd door het college, wordt gehandhaafd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake van een aanvraag om een besluit te nemen, in de zin van artikel 1:3 van de Awb,
Het hondenlosloopgebied
16. Het tweede gedeelte van het handhavingsverzoek richt zich op het hondenlosloopgebied. Eisers voeren aan dat het Waterwinpark al sinds 2015 een hondenlosloopgebied is en dat als gevolg van de herinrichting honden niet meer zijn toegestaan. Dit is voor eisers zeer bezwaarlijk, omdat het Waterwinpark het enige gebied is in de buurt waar zij hun hond los kunnen laten lopen. Iets verderop is een natuurgebied gelegen, maar daar zijn beperkingen vanwege de wolf die daar is gesignaleerd. Het afsluiten van het park voor honden zou dan ook vooral impact hebben voor hulphonden van blinde of slechtziende baasjes. Hun baasjes kunnen namelijk niet zien of er gevaar van een wolf dreigt.
17. De voorzieningenrechter stelt vast dat honden niet toegestaan waren in het Waterwinpark toen Vitens N.V. aan de herinrichting van het park begon. Op de zitting bevestigen eisers dat zij inmiddels weer met hun hond het Waterwinpark in mogen. Bovendien heeft de voorzieningenrechter op de zitting besproken dat de aanwijzing van het park tot hondenlosloopgebied wel in 2015 ter instemming aan het college is voorgelegd, maar dat niet is gebleken dat het aanwijzingsbesluit vervolgens is gepubliceerd en bekend is gemaakt. Gelet op deze omstandigheden, is het verzoek dat gericht is op handhaving van de aanwijzing van het park tot hondenlosloopgebied, naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet gericht op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg en niet aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
18. Voor zover eisers hebben er op hebben gewezen dat het park zodanig is aangepast dat van een hondenlosloopgebied geen sprake meer is, overweegt de rechtbank dat eisers hiermee weer wijzen op de herinrichting van het park, waarop de rechtbank hiervoor al is ingegaan.
19. Het derde deel van het handhavingsverzoek richt zich op de toegankelijkheid van het Waterwinpark. Eisers voeren aan dat twee ingangen van het park zijn afgesloten. De ingang bij de Sumatralaan is met gaas afgesloten en de ingang bij de Javalaan ter hoogte van de judoschool is permanent afgesloten. Het Waterwinpark is volgens eisers een openbaar gebied waarop de Wegenwet van toepassing is. Door de ingangen af te sluiten, worden paden aan de openbaarheid onttrokken. Vooral de afsluiting van de ingang bij de judoschool is bezwaarlijk, omdat bezoekers die vanuit de judoschool het park in willen een andere ingang moeten nemen. Hierdoor zijn de bezoekers gedwongen om over het privéterrein van de nabijgelegen “tiny houses” te lopen.
20. Ter zitting is besproken dat het pad bij de Sumatralaan geblokkeerd is met gaas. Vitens N.V. heeft hierover opgemerkt dat dit mogelijk tijdelijk door de aannemer is gedaan, maar dat daarmee geen permanente afsluiting is beoogd. Vitens N.V. zal – voor zover nog nodig – daarom ook er voor zorgen dat het gaas wordt verwijderd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op deze omstandigheden van onttrekking aan de openbaarheid of onrechtmatige belemmering van de doorgang dan ook niet gebleken.
21. Vitens N.V. en het college erkennen dat de doorgang bij de Javalaan is afgesloten. Er is inmiddels een hek geplaatst, waardoor het pad niet meer als doorgang gebruikt kan worden. Aan de voorzieningenrechter wordt de vraag voorgelegd of het versperren van de doorgang bij de Javalaan in strijd is met de Wegenwet en of het college daartegen had moeten handhaven.
22. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pad door het park nog steeds toegankelijk is. De doorgang daarvan naar de Javalaan wordt belemmerd als gevolg van de plaatsing van het hek door Vitens N.V.
23. De voorzieningenrechter stelt vast dat de wettelijke grondslag voor de bevoegdheid om handhavend op te treden wanneer de openbaarheid van wegen wordt belemmerd, niet is gelegen in de Wegenwet. In de Wegenwet staat geen afdwingbaar verbod of gebod ten aanzien van de openbaarheid van wegen. De wettelijke grondslag voor de handhavende bevoegdheid is in dit geval gelegen in artikel 2.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zeist 2025 (hierna: de APV). In dit artikel staat dat het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd is met de publieke functie daarvan. Voor de definitie van een weg wordt verwezen naar artikel 1, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarin wordt het begrip ‘wegen’ gedefinieerd als voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden. Tussen partijen is niet in geschil dat de paden in het Waterwinpark een voor het openbaar verkeer openstaand pad is, waardoor het onder deze definitie valt. Het college wijst in dit kader naar de overeenkomst uit 2010 met Vitens N.V. waarin de openbaarheid van het Waterwinpark is afgesproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verzoek om handhaving daarmee een verzoek om een publiekrechtelijke rechtshandeling te verrichten, namelijk handhaving van het bepaalde in artikel 2.10 van de APV.
24. Vervolgens dient de voorzieningenrechter te beoordelen of eisers aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt wie als belanghebbende bij een bestuursrechtelijk besluit kan worden aangemerkt. Het moet gaan om iemand wiens belang rechtstreeks bij dat besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijke persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Van belang is bovendien dat als er sprake is van feitelijke gevolgen dat die dan van enige betekenis zijn. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen hierbij van belang zijn.
25. Eiseres [eiseres 1] woont 550 meter van het park, eiser [eiser] woont 1,2 kilometer van het park en eiseres [eiseres 2] woont direct aan het park. Ter zitting is vast komen te staan dat zij allen veelvuldig recreatief gebruik maken van het park. Eisers hebben toegelicht dat zij alle drie een hond hebben en dat zij dagelijks in het park de hond uitlaten. Het Waterwinpark is het enige park in de buurt waar zij hun hond los kunnen laten lopen.
26. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres [eiseres 1] en eiser [eiser] niet nabij het park wonen. De ingang aan de Javalaan is bovendien niet de dichtstbijzijnde ingang voor hen om het park te bereiken. [eiseres 2] woont weliswaar naast het park, maar ook ten aanzien van haar is niet gebleken dat de afsluiting van de ingang aan de Javalaan feitelijke gevolgen van enige betekenis voor haar heeft. Eisers hebben allen nog steeds toegang tot het park en kunnen hun hond daar ook nog steeds uitlaten. Dat dit alleen via het privéterrein van de “tiny houses” mogelijk zou zijn is niet gebleken. Hooguit zullen zij, afhankelijk van welke route zij nemen, een stukje moeten omlopen om via een van de niet afgesloten ingangen het park te bereiken. Deze enkele omstandigheid is onvoldoende onderscheidend ten opzichte van andere personen die recreatief gebruik maken van het park.
27. De voorzieningenrechter oordeelt dat eisers niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden bij het verzoek om handhaving van het bepaalde in artikel 2.10 van de APV. Dat betekent dat geen sprake is van een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.
Conclusie en gevolgen
28. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om handhaving van eisers niet kan worden aangemerkt als een aanvraag. Dat betekent dat ook geen sprake kan zijn van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent vervolgens dat volgens artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, geen beroep kon worden ingesteld.
29. De voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en evenzeer om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten. Gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025 draagt de rechtbank de griffier op het door eiseres betaalde griffierecht terug te storten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep;
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.