ECLI:NL:RBMNE:2026:2346

ECLI:NL:RBMNE:2026:2346

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer C/16/604509 / FL RK 25-1301
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Vervangende toestemming erkenning toegewezen. Een voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld, ondanks weerstand: te beginnen voor één uur in de bibliotheek. Kinderalimentatie

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/587796 / FL RK 25-150 (bodemprocedure)

C/16/604509 / FL RK 25-1301 (provisionele voorziening)

Vervangende toestemming voor erkenning, omgang, gezag en kinderalimentatie

Beschikking van 14 april 2026

in de zaak van:

[de man] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T. Venneman,

tegen

[de vrouw] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.S. Bissumbhar,

met als belanghebbende

mr. D.G. NAGEL,

kantoorhoudende in Almere,

als bijzondere curator over het kind [minderjarige].

1. De procedure

in de bodemprocedure

De rechtbank heeft op 28 maart 2025 een eerdere (tussen)beschikking gegeven. De verzoeken hebben betrekking op: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] . Daarin is als provisionele voorziening een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] : elke dinsdag en vrijdag van 17.30 uur tot 18.30 uur bij de vrouw thuis, waarbij de vader van de vrouw op de achtergrond aanwezig zal zijn. De vrouw is niet bij de omgangsmomenten aanwezig. De beslissingen in de bodemprocedure zijn aangehouden in afwachting van het te doorlopen hulpverleningstraject in het kader van het uniform hulpaanbod.

Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

het advies (met bijlage) van 8 april 2025 van de bijzondere curator;

de aanvulling op het advies van 19 mei 2025 van de bijzondere curator;

het bericht van de vrouw van 4 juli 2025;

het bericht van de vrouw van 22 september 2025;

het bericht (met bijlage) van de man van 9 oktober 2025;

het bericht van de vrouw van 14 oktober 2025;

het bericht van de man van 15 oktober 2025;

de brief (met bijlagen) van de vrouw van 17 oktober 2025;

het bericht (met bijlage) van Praktijk Valida van 28 oktober 2025;

de email van de man van 28 oktober 2025;

het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 5 december 2025;

de berichten van de vrouw van 30 december 2025;

het bericht van de man van 6 januari 2026;

het bericht van de vrouw van 2 maart 2026;

in de provisionele voorziening

De man heeft op 21 december 2025 een verzoekschrift ingediend, met bijlagen.

Het verweerschrift (met bijlagen) van de vrouw, binnengekomen op 2 maart 2026.

in beide zaken

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: partijen met hun advocaat, de bijzondere curator en [A] namens de Raad.

2. Waar de procedure over gaat

De man heeft een nieuwe provisionele voorziening verzocht en verzoekt de rechtbank:

I. bij wege van provisionele voorziening een omgangsregeling vast te leggen tussen de man en [minderjarige] zoals beschreven bij randnummer 10 van dit verzoek op straffe van een dwangsom ad € 250,- voor elke keer dat de vrouw zich niet aan de regeling houdt.

Voor de overige feiten en de eerder gedane (tegen)verzoeken verwijst de rechtbank naar de beschikking van 28 maart 2025.

3. De beoordeling

Erkenning

De rechtbank zal toestemming verlenen aan de man om [minderjarige] te erkennen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De rechter kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.

Bij de vrouw is sprake van (emotionele) weerstand tegen de erkenning van [minderjarige] door de man. De vrouw heeft een zeer negatief beeld van de man en zij vreest dat de man door de erkenning invloed krijgt op haar leven met [minderjarige] . Hierdoor ervaart de vrouw veel stress en angst. [minderjarige] is kwetsbaar en er bestaan zorgen over zijn taalontwikkeling en gehoor. Om vast te stellen wat er speelt, is hij doorverwezen naar Kentalis, een pedagoog en een logopedist. Volgens de moeder is het in deze diagnostische fase belangrijk dat er rust, stabiliteit en voorspelbaarheid is voor [minderjarige] . Ook de vrouw staat onder behandeling van een psycholoog en ontvangt traumatherapie (waaronder EMDR).

De rechtbank vindt het in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige] dat officieel wordt vastgelegd wie zijn vader is. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de erkenning door de man de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden of de relatie tussen de vrouw en [minderjarige] zal verstoren. De rechtbank begrijpt dat de vrouw zorgen heeft over het gehoor en de spraakontwikkeling van [minderjarige] , maar dit staat los van de familierechtelijke band die er tussen de man en [minderjarige] bestaat. Volgens de rechtbank zal ook de band tussen [minderjarige] en de vrouw niet veranderen door enkel de erkenning. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming zijn het daarmee eens. De erkenning alleen leidt er niet toe dat de man gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] wordt belast of zeggenschap over hem krijgt. Door de erkenning wordt alleen de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid, door de man te vermelden op de geboorteakte van [minderjarige] als zijn vader. De rechter vindt het belangrijk dat in officiële papieren staat wie de vader is van [minderjarige] , zodat niemand daarover later kan twijfelen. Door de erkenning zal de geslachtsnaam van [minderjarige] ook niet veranderen.

Registratie erkenning bij de gemeente

De beslissing over de erkenning van de rechtbank wordt niet automatisch geregistreerd bij de burgerlijke stand. Om de beslissing te laten registeren, moet de man met deze beschikking naar de gemeente (afdeling burgerlijke stand). Dit kan pas na het verstrijken van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking. Dit is de termijn voor het instellen van hoger beroep. Als binnen die termijn geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing over de erkenning, is die beslissing onherroepelijk. Om de beslissing te laten registreren bij de gemeente, moet de man een verklaring non-appèl opvragen bij de rechtbank. Deze verklaring houdt in dat niemand in hoger beroep is gegaan van de beslissing. De verklaring non-appèl moet de man ook meenemen naar de gemeente om de erkenning te laten registreren. De registratie van de beslissing over de erkenning kan bij iedere willekeurige gemeente in Nederland plaatsvinden. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt dan de akte van erkenning op en voegt deze als latere vermelding toe aan de geboorteakte van [minderjarige] .

Gezag

De rechtbank houdt het verzoek over het gezag aan en legt hierna uit waarom.

Het uitgangspunt in de wet is dat ouders samen beslissingen over hun kinderen moeten nemen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank vindt het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] omdat er een risico is dat als ouders samen het gezag hebben [minderjarige] de dupe zal worden van de strijd tussen de ouders. De ouders communiceren niet met elkaar en er is over en weer geen vertrouwen in elkaar. De rechtbank hoopt dat de ouders door het volgen van het hieronder genoemde traject Solo Parallel Ouderschap kunnen leren om samen beslissingen over [minderjarige] te nemen.

Omgangsregeling

De rechtbank stelt de volgende voorlopige omgangsregeling vast:

de eerste twee maanden: één keer per week van één uur in de bibliotheek in Lelystad , waarbij de man een boekje met [minderjarige] gaat lezen/spelen of een blokje om gaat en de vrouw op afstand blijft;

daarna voor de duur van twee maanden: op zaterdag van 9.00 tot 12.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt bij de vrouw;

hierna: op zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt bij de vrouw.

De man mag tijdens de omgangsmomenten foto’s en video’s van [minderjarige] maken, maar mag deze niet delen op sociale media of met derden. Ondertussen melden partijen zich aan bij JEL voor een ouderschapsbemiddelingstraject in de vorm van solo parallel ouderschap. De rechtbank zal uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

Eerder zijn partijen via het uniform hulpaanbod aangemeld voor ouderschapsbemiddeling bij Praktijk Valida. Uit het verslag van het oudertraject blijkt dat er slechts één sessie (een kennismaking + intake) heeft plaatsgevonden, waarin het de hulpverlening duidelijk werd dat er bij partijen onvoldoende werkruimte is. Partijen gingen de escalatieladder op en waren moeilijk te sturen waardoor het oudertraject is gestopt.

Praktijk Valida heeft begeleide omgang aangeboden, maar daar hebben partijen – om onduidelijke redenen – geen gebruik van gemaakt. Er zou nu een nieuwe aanmelding moeten volgen voor begeleide omgang. De vrouw staat open voor begeleide omgang. Tegen de tijd dat partijen aan de beurt zijn, is het volgens haar duidelijk wat [minderjarige] nodig heeft en aan kan qua belasting. De vrouw vindt dat omgang op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is vanwege de onderzoeken die gaan starten, de benodigde zorg, behoefte aan structuur en stabiliteit en het feit dat [minderjarige] in november gaat starten bij de peuterspeelzaal.

De rechtbank begrijpt de zorgen van de vrouw over [minderjarige] maar ziet daarin niet dat er nu geen contact met de man kan zijn. De rechtbank vreest dat – gelet op de wachtlijsten – de omgang uiteindelijk niet van de grond komt. Inmiddels is er al ruim vijf maanden geen omgang geweest tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank vindt het, net als de Raad, in het belang van [minderjarige] dat er zo spoedig mogelijk contact wordt opgestart onder begeleiding. De Raad vindt dat een professional of iemand uit het eigen netwerk dit moet begeleiden, vanwege de moeizame verstandhouding tussen partijen. De rechtbank volgt de Raad daarin niet. De rechtbank constateert dat er niemand uit het netwerk van partijen is die de omgang kan begeleiden en dat de begeleiding door opa moederszijde niet goed is verlopen. In verband met de eerder genoemde wachtlijst voor begeleide omgang door een professionele organisatie en het feit dat de periode dat [minderjarige] geen contact met de man heeft steeds langer wordt, zal de rechtbank bepalen dat de omgang op een openbare plek zal plaatsvinden en de vrouw zich daarbij afzijdig houdt.

Informatieregeling

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de vrouw de man één keer per maand via de e-mail gaat informeren over [minderjarige] , onder meer over zijn behandelingen en daarbij ook foto’s stuurt van [minderjarige] . De man mag op de e-mail reageren en daarover een vraag stellen. De rechtbank zal opnemen dat partijen dit zijn overeengekomen.

Kinderalimentatie

De rechtbank beslist dat de man vanaf 5 maart 2025 tot 1 februari 2026 een bedrag van € 268,- per maand moet betalen en vanaf 1 februari 2026 een bedrag van € 93,- per maand. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de vrouw afwijst. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

De ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van indiening van het zelfstandige verzoek van de vrouw (5 maart 2025). De vrouw heeft dit als ingangsdatum verzocht en de man heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

De behoefte van [minderjarige]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 590,- per maand in 2025. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit bedrag komt.

Om te bepalen wat de behoefte van [minderjarige] is, is het van belang of partijen wel of niet hebben samengeleefd. Dit staat tussen partijen in geschil. De vrouw is van mening dat partijen wel in gezinsverband hebben samengeleefd, ondanks het feit dat partijen nooit feitelijk samen met [minderjarige] een gezin hebben gevormd. De rechtbank is van oordeel dat partijen nooit met [minderjarige] in gezinsverband hebben samengeleefd, omdat de relatie tussen partijen namelijk tijdens de zwangerschap is verbroken.

De rechtbank volgt de aanbeveling die de Expertgroep Alimentatie voor die situatie geeft. Die aanbeveling houdt in dat in dat geval de behoefte wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (inclusief het fictief kindgebonden budget). Zo wordt bij iedere ouder de behoefte berekend alsof het kind bij die ouder opgroeit. Ook met andere (fictieve) fiscale aanspraken, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting, wordt rekening gehouden.

Het inkomen van de man in 2024 bedraagt totaal € 52.881,- bruto per jaar. Dat volgt uit de jaaropgaven van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Nu de rechtbank weet wat de man te besteden heeft, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan het kind kan worden uitgegeven en wat dus de behoefte van het kind is op basis van het inkomen van de man. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat een ouder bij een inkomen van € 3.886,- per maand, inclusief kindgebonden budget, gemiddeld € 537,- per maand uitgeeft voor zijn kind in 2024.

Het inkomen van de vrouw bedraagt totaal € 58.957,- bruto per jaar. Dat volgt uit de jaaropgaven van [bedrijf 3] . en het UWV. Volgens de tabellen geeft een ouder bij een inkomen van € 4.104,- per maand, inclusief kindgebonden budget, gemiddeld

€ 572,- per maand uit voor haar kind in 2024.

De behoefte van het kind stelt de rechtbank vast op het gemiddelde van de twee berekende behoeftes, namelijk ((537 + 572) / 2 =) € 554,- per maand. Geïndexeerd (in verband met de inflatie) is de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 590,- per maand en in 2026 € 617,- per maand.

De draagkracht van partijen

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kind voorzien.

Voor het bepalen van de draagkracht van partijen past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.

Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].

De ‘draagkrachtformule’ voor 2026 ziet er als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

De rechtbank zal de draagkracht van partijen berekenen over twee periodes, omdat de man per februari 2026 een Ziektewetuitkering ontvangt.

De draagkracht van de man

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 936,- per maand en vanaf 1 februari 2026 op € 183,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Periode vanaf 5 maart 2025 tot 1 februari 2026

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2025 bij [bedrijf 1] B.V., waarop een belastbaar loon van € 63.366,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.782,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van (70% [3.782 – (0,3 x 3.782 + 1.310)]=) € 936,- per maand.

Periode vanaf 1 februari 2026

Vanaf 2 februari 2026 is de man niet meer in dienst bij [bedrijf 1] B.V. en ontvangt hij een Ziektewetuitkering van € 3.295,- bruto per maand inclusief vakantiegeld. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.323,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van (70% [2.323 – (0,3 x 2.323 + 1.365)]=) € 183,- per maand.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget. Het woonbudget van de man is € 697,- en de huurlast van de woning die hij met zijn partner in Zoetermeer bewoond is € 800,- per maand. Deze woonlast kan hij weliswaar delen, maar het woonbudget omvat meer dan alleen de netto huurlast. De rechtbank is van oordeel dat de werkelijke woonlast niet aanmerkelijk lager is dan het woonbudget. Bovendien is er geen tekort aan draagkracht die een verlaging van het woonbudget rechtvaardigt.

De draagkracht van de vrouw

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 920,- per maand en vanaf februari 2026 op € 724,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Periode vanaf 5 maart 2025 tot 1 februari 2026

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2025 van de Ziektewetuitkering bij het UWV, waarop een belastbaar loon van € 54.409,- bruto per jaar is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget van € 4.054,- per jaar. Omdat de vrouw een Ziektewetuitkering ontvangt, heeft zij geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.749,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van (70% [3.749 – (0,3 x 3.749 + 1.310)]=) € 920,- per maand.

Periode vanaf 1 februari 2026

De vrouw ontvangt een Ziektewetuitkering van € 1.078,- per week inclusief vakantiegeld. Dat staat in de uitkeringsspecificaties van het UWV van januari en februari 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met een kindgebonden budget van € 3.995,- per jaar. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 3.428,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van (70% [3.428 – (0,3 x 3.428 + 1.365)]=) € 724,- per maand.

De verdeling van de kosten

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

Periode vanaf 5 maart 2025 tot 1 februari 2026

Partijen hebben samen een draagkracht van (936 + 920 =) € 1.856,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 590,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (936 / 1.856 x 590 =) € 298,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (920 / 1.856 x 590 =) € 292,- per maand.

Periode vanaf 1 februari 2026

Ook over deze periode hebben partijen samen genoeg draagkracht, namelijk (183 + 724 =) € 907,- per maand, om de kosten van [minderjarige] van € 617,- per maand te betalen. Dit betekent dat de man een deel van (183 / 907 x 617 =) € 124,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (724 / 907 x 617 = ) € 493,- per maand.

De zorgkorting

In 2025 heeft er onder begeleiding omgang plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] . Deze verliep moeizaam en is op een gegeven moment (ongeveer vijf maanden geleden) stopgezet. De rechtbank stelt nu een voorlopige regeling vast en is van oordeel dat daar een zorgkorting bij hoort van 5% van de behoefte. Dat is tot februari 2026 € 30,- per maand en vanaf februari 2026 € 31,- per maand. Dat betekent dat de man tot 1 februari 2026 een bedrag van (298 -/- 30 =) € 268,- per maand moet betalen en vanaf 1 februari 2026 een bedrag van (124 -/- 31 =) € 93,- per maand.

Provisionele voorzieningen

De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de man daar geen belang meer bij heeft nu er in de bodemprocedure een voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld.

Uitvoerbaar bij voorraad

De man heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen ten aanzien van de toestemming voor de erkenning. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de bodemprocedure

verleent aan [de man], geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,

toestemming om te erkennen:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ;

stelt voorlopig, tot daarover anders wordt beslist of door partijen wordt overeengekomen, de volgende omgangsregeling vast tussen de man en [minderjarige] :

de eerste twee maanden: één keer per week van één uur in de bibliotheek in Lelystad , waarbij de man een boekje met [minderjarige] gaat lezen/spelen of een blokje om gaat en de vrouw op afstand blijft;

daarna voor de duur van twee maanden: op zaterdag van 9.00 tot 12.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt bij de vrouw;

hierna: op zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt bij de vrouw;

stelt vast dat partijen tijdens de zitting zijn overeengekomen dat de vrouw de man één keer per maand via de e-mail gaat informeren over [minderjarige] , onder meer over zijn behandelingen en daarbij ook foto’s stuurt. De man mag op de e-mail reageren en daarover een vraag stellen;

beslist dat de man vanaf 5 maart 2025 een bedrag van € 268,- per maand en vanaf 1 februari 2026 een bedrag van € 93,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad behalve voor zover het de toestemming voor de erkenning betreft;

houdt de (verdere) beslissing over het gezag en de omgangsregeling uiterlijk zes maanden aan (of zoveel eerder als nodig), in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening (solo parallel ouderschap), met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:

of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;

of een nieuwe zitting nodig is;

of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.

in de provisionele voorziening

wijst het verzoek van de man af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 april 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de man

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Kinderalimentatie

Tarieven

2024-2

Datum uitdraai

08-04-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

52.881

Specificaties voor post: 60 (Optellen)

[bedrijf 1]

46.369

jaar

[bedrijf 2]

6.512

jaar

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

52.881

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

52.881

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

52.881

- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)

14.084

- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517

5.465

95

Inkomensheffing box 1

19.549

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

52.881

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

19.549

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

9.143

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

10.406

Inkomen na aftrek inkomensheffing

42.475

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

1.502

jaar

Arbeidskorting

4.691

jaar

Combinatiekorting

2.950

jaar

Totale inkomsten

42.475

120

Besteedbaar inkomen

42.475

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

42.475

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.540

Bijlage 2: netto besteedbaar inkomen van de vrouw

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Kinderalimentatie

Tarieven

2024-2

Datum uitdraai

08-04-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

58.957

Specificaties voor post: 60 (Optellen)

[bedrijf 3]

23.016

jaar

[bedrijf 3]

1.509

jaar

Ziektewet UWV

11.029

jaar

Ziektewet UWV

23.403

jaar

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

58.957

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

58.957

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

58.957

- Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020)

14.084

- Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517

7.711

95

Inkomensheffing box 1

21.795

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

58.957

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

21.795

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

8.345

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

13.450

Inkomen na aftrek inkomensheffing

45.507

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

1.099

jaar

Arbeidskorting

4.296

jaar

Combinatiekorting

2.950

jaar

Totale inkomsten

45.507

120

Besteedbaar inkomen

45.507

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

45.507

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.792

Bijlage 3: (gemiddelde) eigen aandeel in de kosten van het kind

Eigen aandeel kosten kinderen

Eigen aandeel kosten kinderen

Ouders hebben in gezinsverband geleefd

nee

Alimentatieplichtige

NBI voor scheiding

3.540

Bij: Kindgebonden budget inclusief AOK

346

NBI totaal

3.886

Tabel aantal kinderen

1

Eigen aandeel in de kosten kinderen volgens tabel

537

Alimentatiegerechtigde

NBI voor scheiding

3.792

Bij: Kindgebonden budget inclusief AOK

312

NBI totaal

4.104

Tabel aantal kinderen

1

Eigen aandeel in de kosten kinderen volgens tabel

572

Gemiddelde

Eigen aandeel ouder Alimentatieplichtige

537

Eigen aandeel ouder Alimentatiegerechtigde

572

#

Gemiddelde van het eigen aandeel van de ouders

554

#

Indexeren

ja

Startjaar

2024

Eindjaar

2025

Eigen aandeel ouders geïndexeerd

590

Bijlage 4: draagkracht van de man

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Kinderalimentatie, draagkracht

Tarieven

2025-1

Datum uitdraai

08-04-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

63.366

Specificaties voor post: 60 (Optellen)

[bedrijf 1]

46.369

jaar

[bedrijf 2]

6.512

jaar

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

63.366

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

63.366

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

63.366

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

9.342

95

Inkomensheffing box 1

23.111

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

63.366

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

23.111

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

5.131

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

17.980

Inkomen na aftrek inkomensheffing

45.386

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

853

jaar

Arbeidskorting

4.278

jaar

120

Besteedbaar inkomen

45.386

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

45.386

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.782

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

3.782

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.310

123a

Woonbudget

1.135

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.445

136a

Draagkrachtruimte

1.337

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

936

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

936

Bijlage 5: draagkracht van de man, 2-2026

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Kinderalimentatie, draagkracht 2-2026

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

08-04-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

39.540

Bruto inkomsten

39.540

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

39.540

59

Inkomsten

39.540

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

39.540

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

39.540

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

247

95

Inkomensheffing box 1

14.147

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

39.540

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.147

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

2.488

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

11.659

Inkomen na aftrek inkomensheffing

27.881

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.488

jaar

120

Besteedbaar inkomen

27.881

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

27.881

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.323

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

2.323

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

697

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.062

136a

Draagkrachtruimte

261

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

183

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

183

Bijlage 6: draagkracht van de vrouw

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Kinderalimentatie, draagkracht

Tarieven

2025-1

Datum uitdraai

08-04-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon volgens jaaropgaaf

(60)

60

Loon volgens jaaropgaaf

54.409

Specificaties voor post: 60 (Optellen)

Ziektewet UWV

51.330

jaar

Ziektewet UWV

3.079

jaar

Op het bruto loon ingehouden

59

Inkomsten (transport)

54.409

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

54.409

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

54.409

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

5.985

95

Inkomensheffing box 1

19.754

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

54.409

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

19.754

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

6.282

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

13.472

Inkomen na aftrek inkomensheffing

40.937

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

1.421

jaar

Arbeidskorting

4.861

jaar

Bij: Kindgebonden budget

4.054

120

Besteedbaar inkomen

44.991

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

44.991

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.749

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

3.749

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.310

123a

Woonbudget

1.125

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.435

136a

Draagkrachtruimte

1.314

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

920

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

920

Bijlage 7: draagkracht van de vrouw, 2-2026

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Kinderalimentatie, draagkracht 2-2026

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

08-04-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

56.064

Bruto inkomsten

56.064

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

56.064

59

Inkomsten

56.064

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

56.064

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

56.064

- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

6.453

95

Inkomensheffing box 1

20.353

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

56.064

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

20.353

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

1.431

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

18.922

Inkomen na aftrek inkomensheffing

37.142

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

1.431

jaar

Bij: Kindgebonden budget

3.995

120

Besteedbaar inkomen

41.137

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

41.137

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

3.428

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

3.428

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

1.028

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.393

136a

Draagkrachtruimte

1.035

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

724

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

724

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand