RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/605196 / HL RK 26-2
Beschikking van 13 mei 2026
in de zaak van
[verzoekende partij] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
advocaat: mr. K. Ripken,
tegen
1. RTL NEDERLAND B.V.,
te Hilversum,
advocaat: mr. A.P. Groen,2. VIDEOLAND B.V.,
te Hilversum,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: RTL en Videoland,
advocaat: mr. A.P. Groen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoekende partij] met producties,
- het verweerschrift van RTL en Videoland,
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
RTL en Videoland maken een dramaserie over het Nederlandse koningshuis. In deze serie komt een verhaallijn voor over prinses [A] , de voormalig echtgenote van [verzoekende partij] . [verzoekende partij] wil weten of en op welke wijze hij neergezet wordt in die serie, omdat hij vreest voor ongewenste en onjuiste berichtgeving over hem. Hij wil beoordelen of de wijze waarop hij wordt afgebeeld een onrechtmatige publicatie oplevert. Hij vraagt daarom – na vermindering van het verzoek tijdens de mondelinge behandeling – om inzage in het scenario voor zover hij daarin wordt genoemd, verbeeld of herkenbaar in beeld komt. RTL en Videoland vragen om afwijzing van dit verzoek, omdat zij vinden dat zij de vrijheid hebben om een serie te maken waarin [verzoekende partij] voorkomt, zonder dat zij dit aan hem hoeven voor te leggen. RTL en Videoland krijgen gelijk.
3. De beoordeling
Het beoordelingskader
In artikel 196 en 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat een partij, voordat die partij een procedure start, een zogenaamde voorlopige bewijsverrichting kan verzoeken. Dat houdt in dat een partij bijvoorbeeld ter voorbereiding op een eventuele rechtszaak bewijs kan veiligstellen of verzamelen. Deze verzoeken worden in beginsel toegewezen door de rechter, tenzij er sprake is van één van de volgende uitzonderingsgronden:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende bepaald is;
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De rechtbank wijst het verzoek af
De rechtbank zal het verzoek van [verzoekende partij] afwijzen, omdat er een gewichtige reden bestaat die zich verzet tegen de voorlopige bewijsverrichting. Toewijzen van het verzoek zou namelijk de vrijheid van meningsuiting op een onaanvaardbare manier inperken. De rechtbank heeft hiervoor de volgende redenen.
In artikel 7 van de Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM) is het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting neergelegd. Dit houdt in dat RTL en Videoland in principe een vergaande vrijheid hebben om te publiceren wat zij willen. Tegenover dit recht staat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of privacy, vastgelegd in artikel 8 EVRM. Dit betekent voor deze situatie dat [verzoekende partij] niet door lichtvaardige publicaties mag worden blootgesteld aan vergaande beschadiging van zijn reputatie. Als deze rechten botsen, moet de rechter een belangenafweging maken om te bepalen welk recht in een specifieke situatie zwaarder weegt. Voor deze belangenafweging zijn alle omstandigheden van het geval van belang. In deze zaak weegt het recht op vrijheid van meningsuiting volgens de rechtbank zwaarder, vanwege de volgende omstandigheden.
RTL en Videoland hebben veel ruimte om series te ontwikkelen over maatschappelijk relevante thema’s zoals de levens van leden van het koningshuis, en de personen die daarvan deel uitmaken of hebben gemaakt. Het verzoek van [verzoekende partij] komt neer op (een vorm van) censuur vóór publicatie. [verzoekende partij] heeft aangegeven dat er wat hem betreft geen sprake is van preventieve censuur, maar van het voorkomen van schade als gevolg van onrechtmatige publicaties. Daarin gaat de rechtbank niet mee. Het staat vast dat de serie van RTL en Videoland nog niet gepubliceerd is en dat de inhoud ervan ook nog niet met het publiek is gedeeld. [verzoekende partij] wil inzage omdat hij wil beoordelen of hij aansluitend op onderhavige procedure een publicatieverbod zal vorderen. Maar het uitgangspunt is dat ná publicatie pas wordt beoordeeld of deze onrechtmatig was, omdat anders de beperking van de vrijheid van meningsuiting te ingrijpend zou zijn. Dit is alleen anders in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als van te voren al duidelijk is dat delen van de publicatie onrechtmatig zijn en er onherstelbare schade zal optreden als de rechter niet een verbod oplegt. Van zulke uitzonderlijke omstandigheden is in deze situatie niet gebleken. [verzoekende partij] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat delen van de serie onrechtmatig zullen zijn, en ook niet dat er onherstelbare reputatieschade zal optreden.
Hiertegenover staat het belang van [verzoekende partij] . De rechtbank begrijpt dat [verzoekende partij] , zeker gezien zijn ervaringen in het verleden met ongewenste media-aandacht, graag inzage wil en wil voorkomen dat er eventueel onjuiste informatie over hem openbaar wordt gemaakt. Maar dit weegt in deze situatie niet op tegen de vrijheid van meningsuiting van RTL en Videoland, en het uitgangspunt dat de rechtmatigheid van een publicatie achteraf getoetst wordt. De rechtbank zal daarom het verzochte afwijzen.
Tegen de beslissing op het verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
5827