RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/374420-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1975] te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
momenteel verblijvende in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 30 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 14 november 2024 in Amersfoort [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar terwijl zij fietste af te snijden en/of haar aan haar arm vast te pakken en/of te duwen/trappen, waardoor zij met haar fiets ten val kwam;
feit 2
op 14 november 2024 in Amersfoort [slachtoffer 2] heeft bedreigd met (opzet)verkrachting door tegen haar te zeggen "ik ga je neuken”;
feit 3
op 20 november 2024 in Amersfoort [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door haar een schaar te tonen en te zeggen "Zie je deze? Deze gaat in jouw nek";
feit 4
op 23 november 2024 in Amersfoort [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met (opzet)verkrachting door tegen haar te zeggen: “ik ga jullie steken, ik ga jullie neersteken, ik ga jullie verkrachten”;
feit 5
op 23 november 2024 in Amersfoort [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meermaals op het gezicht en/of de buik te slaan/stompen, waardoor zij ten val kwam.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 2 en 5. Daarnaast verzoekt de advocaat de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 3, ten aanzien van het tonen van een schaar.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1, 2, 3, 4 en 5
De rechtbank oordeelt dat de feiten zoals deze zijn tenlastegelegd zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 4 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom in bijlage II voor die feiten alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feiten 2, 3 en 5
De verdachte heeft op 14 november 2024, 20 november 2024 en 23 november 2024 de slachtoffers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] mishandeld en/of bedreigd.
Uit de aangifte van [slachtoffer 2] en de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat de verdachte op 14 november 2024 in Amersfoort de woorden ‘ik ga je neuken’ heeft geuit in de richting van de aangeefster. De verdachte heeft hieraan voorafgaand en zonder enige aanleiding de aangeefster mishandeld door haar met haar fiets ten val te brengen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden de aangeefster de uitlating van de verdachte redelijkerwijs als bedreigend heeft mogen opvatten.
Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de verdachte haar op 20 november 2024 in Amersfoort zonder enige aanleiding heeft bedreigd met de woorden ‘Zie je deze? Deze gaat in jouw nek’, terwijl hij daarbij een schaar aan haar heeft getoond. De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de aangeefster heeft bedreigd, maar ontkent dat hij een schaar bij zich had en deze aan haar heeft getoond. De rechtbank heeft gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting geen enkele reden om de verklaring van de aangeefster ten aanzien van de getoonde schaar als onbetrouwbaar te beoordelen. De rechtbank wordt gesterkt in deze overtuiging, doordat de verdachte drie dagen later is aangehouden met een schaar in zijn zak na een bedreiging van een andere vrouw. De rechtbank komt gelet op de bewijsmiddelen en het voorgaande tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde.
Ten aanzien van het onder feit 5 tenlastegelegde heeft de verdachte bekend dat hij aangeefster [slachtoffer 1] heeft geslagen. De verdediging heeft echter een beroep gedaan op noodweer. De verdachte zou zijn aangevallen door aangeefster en haar vriendinnen en zou op meerdere klappen van de (groep van) aangeefster ter verdediging hebben gereageerd met één of twee klappen. Deze reactie voldoet volgende de verdediging ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet en acht niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Zij baseert haar oordeel op de inhoud van de verklaringen van de aangeefster en de getuigen. Daaruit blijkt dat de verdachte zonder enige aanleiding bedreigende teksten riep (feit 4), op aangeefster en haar vriendinnen is ingereden, zijn fiets op de grond gooide en direct op aangeefster insloeg. Daarbij komt dat ook de verdachte in zijn verhoor bij de politie en bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zelf zonder aanleiding op de aangeefster is ingefietst. Dat sprake is geweest van een noodweersituatie is gelet hierop niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt dit verweer en komt eveneens tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 14 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] terwijl zij fietste
aan haar arm vast te pakken en te /trappen, waardoor zij met haar fiets
ten val kwam;
feit 2
op 14 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met (opzet)verkrachting,
door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je neuken
feit 3
op 20 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 3] heeft bedreigd
met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 3] een schaar te tonen en daarbij dreigend de woorden toe te
voegen "Zie je deze? Deze gaat in jouw nek"
feit 4
op 23 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met zware mishandeling en met
(opzet)verkrachting,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie steken, ik ga jullie
neersteken, ik ga jullie verkrachten"
feit 5
op 23 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen op het gezicht te slaan en
eenmaal in de buik te stompen, , waardoor zij ten val kwam.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: mishandeling
feit 2: bedreiging met verkrachting
feit 3: bedreiging met zware mishandeling
feit 4: bedreiging met zware mishandeling en met verkrachting
feit 5: mishandeling
Strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Over de verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:
- een consult strafrechtspleging van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) van 6 december 2024, opgemaakt door A.C. van Dijk, psychiater;
- een pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 11 februari 2026, opgemaakt door C. Klaassen, psychiater en M.H. Bakkes, GZ-psycholoog.
Het consult van het NIFP houdt onder meer het volgende in:
Op basis van voorliggende beoordeling op stukken bestaan aanwijzingen dat bij betrokkene onverminderd sprake is van de in 2019 middels psychiatrisch Pro Justitia vastgestelde schizofrenie en stoornis in het gebruik van cannabis wat al vanaf betrokkenes vroege volwassenheid aan de orde zou zijn.
De laatste jaren woont hij beschermt bij [instelling] , is hij onder behandeling van [naam] en krijgt hij al dan niet onder een eerdere paraplu van een zorgmachtiging depot- of orale antipsychotica. Informatie van [instelling] meldt tijdelijke wisseling van woonplek na een recent terreinverbod vanwege niet nader gedefinieerde misdragingen. Er zijn twijfels over de medicatietrouw en de aanvraag van een nieuwe zorgmachtiging zou zijn voorgenomen, doch ‘niet op stoom zijn’. Consulent merkt op dat betrokkene thans niet mediatietrouw lijkt en er in korte tijd sprake is van verdenking op meerdere delicten waarin forse bedreigingen zijn gedaan en fysiek geweld is gebruikt.
De voornoemde pathologie lijkt in de kern onveranderd ten opzichte van 2019 en toont in forensisch opzicht relevant ter zake het huidige ten laste gelegde. Het advies van de Reclassering en [instelling] om betrokkene met een nog aan te vragen zorgmachtiging (met voorwaarden ter zake medicatie inname en al dan niet abstinentie van drugs) terug te laten keren naar beschermd wonen bij [instelling] , is goed te volgen door consulent. De officier van justitie kan op elk moment van het strafrechtelijke proces beslissen of een aanvraagprocedure voor een zorgmachtiging wordt gestart. Daarvoor bereidt de officier, indien dit opportuun wordt geacht, de aanvraag samen met een aangewezen geneesheer-directeur voor. In antwoord op uw vraag in engere zin, adviseert onderzoeker om een multidisciplinair (psychologisch en psychiatrisch) gedragsdeskundig onderzoek in te zetten. Dit onderzoek kan voorzien in een actueel en meer extensief beeld van de huidige levensomstandigheden en pathologie van betrokkene en eventuele doorwerking hiervan in het huidige ten laste gelegde indien bewezen. Met medeneming van een actuele risicotaxatie kan daaruit voortvloeiend een eventueel interventieadvies in een juridisch passend (civielrechtelijk maar ook strafrechtelijk) kader volgen.
Het rapport van het PBC houdt onder meer het volgende in:
Betrokkene lijdt aan schizofrenie en een ernstige stoornis in cannabisgebruik (ten tijde van het onderzoek in langdurige remissie onder gecontroleerde omstandigheden).
Van 2007 tot 2021 heeft betrokkene bijna aaneengesloten een rechterlijke machtiging of (later) zorgmachtiging gehad om het gebruik van anti psychotische medicatie te kunnen waarborgen. Wanneer hij zijn medicatie niet meer gebruikte, leidde dit in de afgelopen jaren structureel (na kortere of langere tijd) tot psychotische ontregeling. De psychoses leidden tot grensoverschrijdend- en regel overtredend gedrag. Hij hoorde stemmen (auditieve hallucinaties), rook dingen die er niet waren (geurhallucinaties), werd achterdochtig en dacht dat mensen het over hem hadden (paranoïde wanen). Hij kon dan ineens, zonder een voor anderen duidelijke aanleiding, agressief gaan schreeuwen, op mensen schelden en fysiek agressief reageren op spullen of dieren. Ook kon hij in een dergelijke toestand seksueel grensoverschrijdende uitspraken doen naar vrouwen en heeft hij vrouwen onzedelijk betast.
De schizofrenie en de stoornis in het gebruik van cannabis waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen) en maken deel uit van een duurzaam patroon van psychiatrische problematiek. Ondergetekenden adviseren betrokkene het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen.
Gezien het feit dat ondergetekenden adviseren om betrokkene het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen maar behandeling wel noodzakelijk wordt geacht-, adviseren ondergetekenden onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een afgifte van een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz.
Gezien het ziektebeeld en het belang van constante medicatie-inname is het aannemelijk dat de zorgmachtiging structureel gecontinueerd dient te worden. Het is dan ook van groot belang dat ggz-medewerkers nauwlettend in de gaten houden dat de zorgmachtiging tijdig wordt verlengd.
Ondergetekenden hebben advisering van een tbs-maatregel overwogen (voor de feiten waarvoor dit juridisch wel mogelijk is), maar achtten dit niet geïndiceerd. Zoals reeds gezegd staat de noodzaak tot behandeling en zorg bij betrokkene voorop. Het geconstateerde recidiverisico hangt primair samen met de medicatietrouw van betrokkene en kan naar verwachting middels verplichte zorg op grond van de Wvggz voldoende worden beperkt. Wanneer betrokkene niet-psychotisch is en stabiel functioneert, is er geen noodzaak tot een forensische hoog beveiligde setting.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie sluit aan bij de conclusies die zijn voortgekomen uit het PBC-rapport van 11 februari 2026, om de verdachte ten aanzien van alle feiten volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Om die reden eist de officier van justitie dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het evident is dat er bij de verdachte sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid ten aanzien van de strafbare feiten en dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan zich met de conclusies en adviezen in de rapportages verenigen en neemt deze over. De rechtbank concludeert, net als de officier van justitie en de advocaat, dat de bewezen verklaarde feiten in het geheel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
De rechtbank acht de verdachte derhalve niet strafbaar en zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Dit betekent dat aan de verdachte geen straf kan worden opgelegd.
5. Overwegingen ten aanzien van het opleggen van een zorgmachtiging
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz), de rechtbank verzocht een zorgmachtiging volgens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) te verlenen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich meermaals schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging met zware mishandeling en bedreiging met verkrachting. De verdachte heeft op drie momenten, op klaarlichte dag tijdens het fietsen, verschillende vrouwen zonder enige aanleiding mishandeld en/of bedreigd. Ondanks dat dit handelen van de verdachte – zoals onder 4.3.3. is overwogen – volledig was ingegeven vanuit zijn psychische stoornis(sen), heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van anderen en heeft hij, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] en de toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] , de slachtoffers veel angst aangejaagd. Zij ondervinden hier nog steeds de gevolgen van.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 16 april 2026, waarin de reclassering het risico op recidive en letsel inschat als hoog.
Zorgmachtiging
De rechtbank acht verplichte zorg van de verdachte om die redenen aangewezen. Aan de criteria voor verplichte zorg is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Om het risico op recidive zoveel mogelijk te beperken en om ernstig nadeel voor verdachte en voor andere mensen te voorkomen moet de psychotische stoornis van de verdachte worden behandeld. Deze behandeling moet naar het oordeel van de rechtbank plaatsvinden in een klinische setting, om tot een optimale instelling op medicatie te kunnen komen, responsiviteit te kunnen monitoren en het beloop van de psychose goed te kunnen volgen. Overeenkomstig het advies van de deskundigen, het verzoekschrift van de officier van justitie en gelet op hetgeen de advocaat heeft aangevoerd, zal de rechtbank (bij een afzonderlijke beslissing van heden) de zorgmachtiging verlenen voor de duur van een half jaar.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst wordt in een kliniek of GGZ-instelling.
6. In beslag genomen voorwerpen
Beslag
Volgens de beslaglijst van 22 januari 2026 is beslag gelegd op:
1. 1 STK Schaar, voorwerpnr. PL0900-2024373123-BZAF9050;
2. 1 STK Verdovende Middelen, voorwerpnr. PL0900-2024373123-BZAF9051.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen moeten worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de inbeslaggenomen schaar, hierboven genoemd onder 1, verbeurdverklaren. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met dit voorwerp het strafbare feit (feit 3) heeft begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de inbeslaggenomen verdovende middelen, hierboven genoemd onder 2, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De middelen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.
Zij vordert een schadevergoeding van € 750,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade die zou zijn geleden ten gevolge van het aan de verdachte onder feit 4 en feit 5 tenlastegelegde, gepleegd op 23 november 2024 te Amersfoort.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk en voldoende onderbouwd is. Hij vordert deze in het geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleitte vrijspraak ten aanzien van feit 5. Subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank de vordering te matigen tot een bedrag van maximaal € 450,00, gelet op vergelijkbare zaken.
Oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid
In artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat een benadeelde partij alleen ontvankelijk zal zijn in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, of indien toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Aan de verdachte wordt een zorgmachtiging afgegeven, om verplichte zorg te krijgen om het ernstig nadeel af te wenden. Een dergelijke zorgmachtiging vervangt de oude maatregel tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis van het vervallen artikel 37 Sr, wat een maatregel was in de zin van hiervoor vermeld wetsartikel. In de rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging ten nadele aan te brengen in de positie van de benadeelde partij. De benadeelde partij in deze zaak is daarom onder het huidige recht bij oplegging van een zorgmachtiging ontvankelijk in haar vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van het door de verdachte bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden die de verdachte moet vergoeden.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het BW heeft een benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Vaststaat dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde fysiek letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft met zijn handelen ook inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde. Op grond van het voorgaande komt de benadeelde in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade.
Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen immateriële schade heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, alsmede met de hoogte van schadebedragen die in soortgelijke zaken door rechters worden toegekend. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd aan immateriële schade dan zal worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij ter zake het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024, de datum waarop het bewezenverklaarde is begaan, tot de dag van volledige betaling.
Proceskosten
De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 23 november 2024 tot de dag van volledige betaling. Indien door de verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 5 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;
beslag
- gelast de verbeurdverklaring van het volgende voorwerp:
o 1 STK Schaar, voorwerpnr. PL0900-2024373123-BZAF9050;
- gelast de onttrekking aan het verkeer van het volgende voorwerp:
o 1 STK Verdovende Middelen, voorwerpnr. PL0900-2024373123-BZAF9051;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]
voorlopige hechtenis
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst wordt in een kliniek of GGZ-instelling.
De beschikking tot het verlenen van een zorgmachtiging zal separaat worden opgemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. I.J.B. Corbeij en mr. M. Pieplenbosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 14 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] terwijl zij fietste af te snijden en/of haar
aan haar arm vast te pakken en/of te duwen/trappen, waardoor zij met haar fiets
ten val kwam;
2.
hij op of omstreeks 14 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met (opzet)verkrachting, althans een misdrijf omschreven in artikel 243 Wetboek
van Strafrecht
door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je neuken", althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 20 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 3] een schaar te tonen en daarbij dreigend de woorden toe te
voegen "Zie je deze? Deze gaat in jouw nek", althans woorden van gelijke dreigende
aard of strekking;
4.
hij op of omstreeks 23 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met
(opzet)verkrachting, althans een misdrijf omschreven in artikel 243 Wetboek van
Strafrecht,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie steken, ik ga jullie
neersteken, ik ga jullie verkrachten", althans woorden van gelijke dreigende aard of
strekking;
5.
hij op of omstreeks 23 november 2024 te Amersfoort
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen op het gezicht en/of
de buik, althans het lichaam te slaan/stompen, waardoor zij ten val kwam.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
t.a.v. feit 1
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 30 april 2026;
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 14 november 2024;
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 14 november 2024;
t.a.v. feit 2
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 14 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 november 2024 reed ik in Amersfoort. De man riep toen tegen mij: “Ik ga je neuken.”
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 14 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 november 2024 was ik in Amersfoort. Ik zag ook een man fietsen in dezelfde richting als waar de vrouw heen fietste, en deze man herkende ik vrij snel als een ex-client van mij, genaamd [verdachte] . Ik hoorde hem zeggen: “Ik ga je neuken hoer!”
t.a.v. feit 3
- de bekennende verklaring van de verdachte ter zitting van 30 april 2026:
Ik heb mevrouw [slachtoffer 3] bedreigd, door te dreigen haar te steken.
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 22 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 20 november 2024 fietste ik in Amersfoort. De man zei: “Zie je deze? Deze gaat in jouw nek”. Op dat moment zag ik dat hij een schaar in zijn rechterhand had.
t.a.v. feit 4
- de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie van 25 november 2024;
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 23 november 2024;
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 23 november 2024;
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 23 november 2024;
t.a.v. feit 5
- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 23 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 23 november 2024 was ik in Amersfoort. Ik voelde dat de man tegen mij aanbeukte met zijn bovenlichaam. Ik voelde hem vervolgens meerdere keren naar mij uithalen. Ik voelde dat hij mij een klap op mijn slaap gaf aan de rechterzijde van mijn gezicht. Ik voelde dat hij mij met veel kracht meerdere keren sloeg, richting mijn hoofd.
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 23 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De man ging gelijk naar [slachtoffer 1] en gaf haar direct een vuistslag op haar gezicht. Ik zag dat de man 3 keer uithaalde naar [slachtoffer 1] . Ik zag dat zijn vuist 1 maal langs haar op leek te gaan en de tweede vuistslag op haar gezicht terecht kwam.
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 23 november 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat de man haar [de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer 1] ] in het gezicht sloeg. Ook leek de man haar te schoppen in haar buik of gezicht.