RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/609039 / FZ RK 26-272
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1942 in [geboorteplaats] (Duitsland),
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [plaats] ,
verblijvend bij [verblijfplaats] , locatie [locatie] in [plaats] ,
advocaat: mr. M.A. Krikke.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 maart 2026, mee in de beoordeling.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
[A] , zorgverantwoordelijke;
[B] , specialist ouderengeneeskunde;
[C] , contactpersoon, tevens huisvriend van betrokkene.
De mentor is opgeroepen voor de zitting, maar niet verschenen.
2. Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.
3. De beoordeling
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Hierna wordt uitgelegd waarom deze beslissing wordt genomen.
Namens en door betrokkene is verzocht om primair het verzoek af te wijzen en subsidiair de duur van de machtiging te beperken. Betrokkene is nog dusdanige helder dat zij in staat lijkt om (in enige mate) het risico te overzien in het geval zij niet de zorg krijgt in de instelling. De onafhankelijk psychater, die tijdens de zitting aanwezig was, heeft ook verteld te twijfelen of betrokkene niet vrijgelaten moet worden bij het maken van deze keuze. Daarnaast heeft de zorgverantwoordelijke gesteld dat de locatie waar betrokkene op dit moment verblijft niet passend is bij het ziektebeeld van betrokkene.
De rechtbank is van mening dat betrokkene goed onderbouwd kan verklaren waarom zij niet in de instelling wil verblijven en mede daardoor op dit moment voldoende in staat lijkt te overzien wat de gevolgen van haar keuze zijn. In zo’n geval is het in principe aan betrokkene zelf om te kiezen waar zij wil wonen. Daar komt bij dat een verplichte opname met een rechtelijke machtiging een ultimum remedium is: dit wordt alleen ingezet als minder ingrijpende vormen van zorg niet mogelijk zijn. Daarvan is de rechtbank op dit moment niet overtuigd; betrokkene zou het thuis nog kunnen proberen. Wanneer betrokkene ervoor kiest om thuis te wonen, is het wel noodzakelijk dat een zorgkader beschikbaar is ter ondersteuning van de dagelijkse zorg. Hiervoor zal in overleg met een de arts besproken moeten worden wat mogelijkheden zijn. Het is belangrijk dat betrokkene hierin goed meewerkt en zich realiseert: ook thuis heeft zij zorg nodig.
Ter zitting is besproken dat de huisvriend niet meer alle verantwoordelijkheid voor de ondersteuning op zich kan nemen nu hij door persoonlijke omstandigheden (onder meer mantelzorg voor zijn eigen vader) hier geen draagkracht meer voor heeft. De rechtbank heeft zowel betrokkene als de huisvriend meegegeven dat het afwijzen van het verzoek dus niet betekent dat daarmee de verantwoordelijkheid voor betrokkene bij de huisvriend zou worden neergelegd – dat is niet het geval.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.