RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/055224-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] te [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 april 2026. Het onderzoek is gesloten op 13 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 21 januari 2025 in Lelystad met anderen [slachtoffer] door geweld en/of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverweging
Niet ter discussie staat dat het slachtoffer [slachtoffer] is benaderd voor zijn taxiservices en zodoende is gelokt naar een locatie waar hij werd opgewacht door verschillende personen. Eén van die personen bleek medeverdachte [medeverdachte 1] . Deze nam achterin plaats bij de taxi van het slachtoffer. Kort daarna werd de bestuurdersdeur van de taxi geopend door een tweede persoon. Vervolgens kreeg het slachtoffer door medeverdachte [medeverdachte 1] een klap op zijn achterhoofd en werd hij tegelijkertijd bij zijn handen vastgehouden door de persoon die bij de bestuurdersdeur stond. Het slachtoffer werd gesommeerd om zijn horloge af te staan, waarna hij door een derde persoon die ook bij de bestuurdersdeur stond in het gezicht werd geslagen met het handvat van een vuurwapen. Nadat het slachtoffer zijn horloge had afgestaan, kreeg hij nog een klap van medeverdachte [medeverdachte 1] op zijn achterhoofd waarna de drie verdachten uiteindelijk zijn weggerend.
Uit tapgesprekken, opgenomen in een auto waarvan bekend was dat deze gebruikt werd door jongeren die onderdeel uitmaken van de [naam groep] , blijkt dat deze specifieke overval kort daarna werd besproken. In de tapgesprekken werd gevraagd waar ze het slachtoffer zouden hebben gepakt, waarop NNM03 zei dat dit twintig tot dertig minuten daarvoor in [straat] was. Waarna medeverdachte [medeverdachte 1] zei dat het slachtoffer het horloge makkelijk afstond. NNM03 zei dat medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto zat en dat ‘zij’ daar met zijn tweeën buiten waren. Vervolgens zei NNM03 dat hij een Rolex in zijn zak had en dat ze hadden gesprint. Daarna werd aan ‘ [bijnaam verdachte] ’ gevraagd of hij hem hard heeft gegeven, waarna NNM03 bevestigend antwoordde en zei dat hij één keer ‘watcha af’ zei en het slachtoffer toen ‘gekolft’ (de rechtbank begrijpt: met het handvat van een vuurwapen geslagen) heeft.
Uit de tapgesprekken leidt de rechtbank af dat (naast medeverdachte [medeverdachte 1] ) ‘ [medeverdachte 2] ’ dit zou hebben gedaan samen met een ander persoon (NNM03) die werd aangesproken als ‘ [bijnaam verdachte] ’, ‘ [bijnaam verdachte] ’, ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [iCloud account naam verdachte] ’. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte deze laatstgenoemde persoon (NNM03) is. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
In de tapgesprekken gaf NNM03 aan dat hij 18 jaar oud is en nu ‘begint te jagen’, wat overeenkomt met de leeftijd van de verdachte ten tijde van de overval.
Ook blijkt uit het onderzoek in de telefoon van de verdachte dat hij in een Whatsappgesprek met zijn moeder heeft aangegeven dat hij in de nacht van de overval bij ‘ [medeverdachte 2] ’ slaapt. Zijn moeder vroeg vervolgens of [medeverdachte 2] zelf ook niet thuis slaapt, waarop de verdachte antwoordde met ‘bij [medeverdachte 3] ’. Dit komt overeen met het feit dat NNM03 in de tapgesprekken na de overval ook zei dat hij niet thuis slaapt, maar nu naar ‘ [medeverdachte 3] ’ gaat en ‘hun’ nu bij [medeverdachte 3] zijn. Bovendien komt de naam [medeverdachte 2] vaker voor in dezelfde tapgesprekken en zou dit [medeverdachte 2] zijn, die samen met NNM03 tijdens de overval bij de bestuurdersdeur van het slachtoffer zou hebben gestaan.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat de bijnamen van NNM03, te weten [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] en [iCloud account naam verdachte] , door de politie aan de verdachte worden gelinkt. Er zijn agenten die van andere jongeren op straat hebben gehoord dat de voornaam van de verdachte ‘ [medeverdachte 3] ’ dusdanig moeilijk uit te spreken is, dat zijn naam wordt afgekort naar [bijnaam verdachte] of [bijnaam verdachte] en dit zijn bijnaam is. Ook hebben deze agenten vaak zelf op straat gehoord dat de verdachte ‘ [bijnaam verdachte] ’ wordt genoemd door andere leden van de [naam groep] , buurtbewoners en slachtoffers. Bovendien blijkt uit het onderzoek in de telefoon van de verdachte dat hij voor zijn Whatsappaccount de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’ gebruikt. Dit is het Whatsappaccount waarmee hij na de overval onder andere met zijn moeder appte. Verder is uit ditzelfde onderzoek gebleken dat de verdachte voor zijn Apple ID een e-mailadres gebruikt, waarin de naam [iCloud account naam verdachte] voorkomt. Bovendien heeft de verdachte op zitting beaamd dat hij de naam [iCloud account naam verdachte] voor zijn iCloud-account gebruikt. De rechtbank gaat, op basis van het voorgaande, ervan uit dat de verdachte de bijnamen [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] dan wel [iCloud account naam verdachte] heeft en zelf ook gebruikt.
Uit de tapgesprekken volgt dat NNM03 zei dat hij zijn telefoon mee had naar de overval. Uit het dossier volgt dat de telefoon van de verdachte (het toestel met IMEI-nummer [IMEI-nummer] ) ten tijde van de overval zich bevond in de nabije omgeving van het plaats delict op [straat] in [woonplaats] .
Daar komt nog bij dat uit een Whatsappgesprek van de verdachte met zijn moeder is af te leiden dat de verdachte in de nacht van 20 op 21 januari 2025 - de nacht van de overval - samen met [medeverdachte 2] was. Uit de tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] de overval samen heeft gepleegd met NNM03, die wordt aangesproken als [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] , [bijnaam verdachte] dan wel [iCloud account naam verdachte] .
Uit de combinatie van alle voorgaande feiten en omstandigheden tezamen heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte NNM03 is en dus bij het onderhavige feit betrokken was. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 21 januari 2025 te Lelystad tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door:
- een taxi bij die [slachtoffer] te bestellen en
- in de auto van die [slachtoffer] plaats te nemen en
- die [slachtoffer] meermalen op het hoofd te slaan en
- de handen van die [slachtoffer] vast te houden en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tevoorschijn te halen en daarmee te slaan en
- daarbij te roepen "Rolex".
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat het volwassenstrafrecht dient te worden toegepast en eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden die zijn opgenomen in het reclasseringsadvies van 13 april 2026.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat het jeugdstrafrecht van toepassing dient te worden verklaard, gelet op het advies uit het Pro Justitia rapport van 15 augustus 2025. Indien dit standpunt wordt gevolgd, stelt de advocaat dat de verdachte zijn straf reeds in voorarrest heeft uitgezeten. De verdachte dient dan in vrijheid te worden gesteld.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een overval op een taxichauffeur, waarbij het slachtoffer is klemgezet doordat één van de medeverdachten achterin zijn taxi plaatsnam en de verdachte samen met een andere medeverdachte bij de bestuurdersdeur stond. Het slachtoffer is toen vrijwel direct op zijn hoofd geslagen. De verdachte heeft het slachtoffer daarna nog met het handvat van een vuurwapen op zijn hoofd geslagen, waarna hij zijn horloge heeft moeten afstaan. De verdachte heeft samen met medeverdachten een plan gemaakt om het slachtoffer in de val te lokken en hem met geweld te beroven. Het is goed invoelbaar dat het slachtoffer hierdoor enorm is geschrokken, dit zijn vertrouwen in de medemens heeft geschaad en zijn gevoelen van veiligheid heeft aangetast. Zijn werk als taxichauffeur berust immers op het vertrouwen dat iedere klant instapt zonder een dubbele agenda te hebben. De verdachte is hier volstrekt aan voorbij gegaan en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen gewin. Het slachtoffer is deze roofoverval overkomen, die naar alle waarschijnlijkheid helaas wel een langdurige impact op hem zal hebben. De rechtbank neemt dit de verdachte in hoge mate kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 6 januari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte nog niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 13 april 2026. Hierin heeft de reclassering geconstateerd dat de verdachte geen dagbesteding en startkwalificaties heeft en dat er zorgen zijn over zijn sociaal netwerk in Lelystad. De reclassering ziet geen beschermende factoren, waardoor het recidiverisico op dit moment als hoog wordt ingeschat. Ook vindt de reclassering de houding van de verdachte zeer zorgelijk. Hij doet zich voorkomen alsof hij hulp accepteert, maar in de praktijk blijkt hij alleen hiervoor open te staan onder zijn eigen voorwaarden. De verdachte heeft verder duidelijk kenbaar gemaakt dat hij onder geen omstandigheden aan begeleid wonen zal meewerken. Deze weerstand in combinatie met zijn algemene houding en het ontbreken van een hulpvraag leidt ertoe dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met de verdachte te werken aan gedragsverandering of inperking van het recidiverisico. De reclassering adviseert daarom primair een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Als de rechtbank dit anders ziet, adviseert de reclassering de verdachte de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: 1) meldplicht, 2) ambulante behandeling, 3) verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, 4) contactverbod, 5) locatieverbod met elektronisch toezicht, 6) locatiegebod met elektronisch toezicht, 7) dagbesteding, 8) financiën, 9) sociaal netwerk.
Tot slot heeft de reclassering geadviseerd om het volwassenstrafrecht toe te passen, omdat de verdachte te verhard is geraakt om nog gevoelig te zijn voor pedagogische beïnvloeding.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van 15 augustus 2025, betreffende een psychologisch onderzoek van de verdachte. Hieruit volgt dat bij de verdachte geen psychische stoornis is geconstateerd. Er zijn wel gedragsproblemen waardoor sprake is van disfunctioneren op een aantal leefgebieden en die een antisociale ontwikkelingsgang doen vermoeden. Er kan daarom worden gesproken van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Tot slot komt de psycholoog tot de conclusie dat er meer argumenten voor dan tegen de toepassing van het minderjarigenstrafrecht zijn.
Geen jeugdstrafrecht
De rechtbank overweegt dat bij een jongvolwassen verdachte die ten tijde van feiten die ten laste zijn gelegd bij dagvaarding meerderjarig, namelijk 18 jaar, was, het uitgangspunt is dat het strafrecht voor volwassenen aan de orde is. De rechtbank heeft bij jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar echter de mogelijkheid om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dat kan de rechtbank doen wanneer de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daar aanleiding voor geven.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt om het strafrecht voor volwassen toe te passen. Doorslaggevend daarvoor is dat de verdachte ongevoelig lijkt voor pedagogische beïnvloeding. De verdachte heeft verklaard niet mee te willen werken aan ITB Harde Kern-maatregel, niet mee te willen werken aan begeleid wonen en ook geen hulpvraag te hebben. Daarbij komt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte meermalen onder bijzondere voorwaarden is geschorst, maar de schorsing telkens is opgeheven omdat de bijzondere voorwaarden werden overtreden. De verdachte wil zelf bepalen hoe hij zijn leven inricht. De zelfstandige houding van de verdachte sluit niet aan bij een pedagogische aanpak onder het jeugdstrafrecht.
Strafkader
Gelet op de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer acht de rechtbank passend en geboden dat de verdachte een vrijheidsbenemende straf zal worden opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte en zijn medeverdachten een vooropgezet plan hadden bedacht, waarbij een specifieke taakverdeling gold. De rechtbank weegt als strafverzwarend mee dat het slachtoffer in de val is gelokt en fors geweld op hem is uitgeoefend terwijl hij zal ingesloten in zijn auto. Ook weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer een taxichauffeur betrof. De rechtbank classificeert dit feit dan ook anders dan een doorsnee straatroof.
De rechtbank volgt de conclusie van de reclassering en zal geen bijzondere voorwaarden aan de verdachte opleggen, omdat hij tijdens de schorsingsperiodes van zijn voorlopige hechtenis zich meermalen niet aan de gestelde voorwaarden heeft weten te houden. Omdat de verdachte niet met de reclassering wil meewerken aan gedragsverandering dan wel vermindering van het recidiverisico, zal de rechtbank de straf puur opleggen in het kader van het strafdoel van vergelding. De rechtbank ziet wel ruimte om een gedeelte van de vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen, omdat zij van oordeel is dat een stok achter de deur noodzakelijk is ter algemene preventie, gelet op de grote zorgen omtrent de verdachte.
Gelet op dit alles zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Voorlopige hechtenis
Omdat de duur van de op te leggen vrijheidsstraf langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis, wijst de rechtbank het verzoek tot invrijheidstelling af.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de in beslag genomen munitie te onttrekken aan het verkeer en de in beslag genomen telefoon van de verdachte verbeurd te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen munitie onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Dit voorwerp kan bovendien dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.
Verder is er een Apple iPhone onder de verdachte inbeslaggenomen. Dit telefoontoestel kan niet in verband worden gebracht met het bewezenverklaarde. Aangezien niet is voldaan aan de vereisten van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht, komt het voorwerp niet in aanmerking voor verbeurdverklaring. De rechtbank zal daarom de teruggave van dit telefoontoestel gelasten aan de verdachte.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 53.1449,27, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 43.449,27 voor vergoeding van materiële schade en € 10.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
kosten psycholoog: € 715,96;
vergoeding eigen risico: € 365,-;
inkomstenverlies: € 42.368,31.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie adviseert dat de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade in zijn geheel wordt toegewezen en dat de immateriële schade wordt beperkt tot een bedrag van € 3.000,-. De officier van justitie adviseert dit bedrag hoofdelijk op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie adviseert om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het overige deel.
De officier van justitie vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De advocaat stelt dat het causaal verband tussen de gevorderde omzetderving en het bewezenverklaarde ontbreekt. Bovendien kan op basis van de klachten van de benadeelde partij niet zonder meer een volledig inkomensverlies volgen. Niet duidelijk is geworden waarom deze klachten ertoe hebben geleid dat de benadeelde partij in zijn geheel geen werkzaamheden meer kan verrichten. De behandeling van deze schadepost levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Verder verzoekt de advocaat om de vergoeding van het eigen risico af te wijzen, omdat ook hier het causaal verband met het bewezenverklaarde ontbreekt.
Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de vordering aanzienlijk te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de kosten van het eigen risico en die van de psycholoog zijn voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe, bestaande uit
€ 1.080,96.
Het is voorstelbaar dat de benadeelde partij ten gevolge van dit feit zijn inkomsten als taxichauffeur voor een zekere periode heeft misgelopen, maar de rechtbank stelt vast dat er geen stukken zijn aangeleverd waaruit blijkt dat de benadeelde partij daadwerkelijk niet in staat was om te werken en ook geen alternatieve werkzaamheden heeft kunnen uitvoeren. De rechtbank kan op basis van de aangeleverde stukken dus niet vaststellen of en zo ja, hoeveel inkomsten de benadeelde partij heeft misgelopen als gevolg van het strafbare feit. Zo geldt dat omzetverlies niet hetzelfde is als (netto) inkomstenverlies. Ook de duur van het gederfde inkomen is onduidelijk gebleven. Dit gedeelte van de vordering acht de rechtbank daarom onvoldoende onderbouwd.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. Tevens zou de beoordeling van dit gedeelte van de vordering nader onderzoek vergen omtrent de inkomsten die de benadeelde partij normaliter jaarlijks ontvangt, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van € 3.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe.
Tevens begrijpt de rechtbank dat de vordering van de benadeelde partij ook gebaseerd is op het feit dat vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106 sub b BW ook mogelijk is als de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat er verschillende diagnoses bij hem zijn gesteld ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. Hierdoor is onduidelijk gebleven welke diagnose leidend is. De rechtbank wijst daarom het overige gedeelte dat gevorderd is ter vergoeding van immateriële schade af.
Totale schade en wettelijke rente
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van
€ 4.080,96, bestaande uit een vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 1.080,96 en een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,00.
De rechtbank bepaalt dat het toegewezen bedrag aan materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling.
De rechtbank bepaalt dat het toegewezen bedrag aan immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 21 januari 2025 tot de dag van volledige betaling.
Hoofdelijkheid
De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat zowel de verdachte als zijn mededaders tegenover de benadeelde partij voor het hele toegewezen bedrag aansprakelijk zijn.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 4.080,96, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente zoals hierboven reeds is opgenomen; bij niet betaling daarvan kan 40 dagen gijzeling worden toegepast.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
1 STK Munitie (omschrijving: PL0900-2025020923-3484324, knalpatroon);
- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:
1 STK Telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025020923-3484353, grijs, merk: Apple iPhone);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 4.080,96, bestaande uit een vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 1.080,96 en een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,00;
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
ten aanzien van het toegewezen bedrag aan materiële schade met ingang van 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
ten aanzien van het toegewezen bedrag aan immateriële schade met ingang van 21 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- wijst de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade af;
- Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
- legt de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat € 4.080,96 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, vermeerderd met de wettelijke rente:
ten aanzien van het toegewezen bedrag aan materiële schade met ingang van 13 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
ten aanzien van het toegewezen bedrag aan immateriële schade met ingang van 21 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
bij niet betaling aan te vullen met 40 (veertig) dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededaders op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en
mr. P.C. Quak, in tegenwoordigheid van mr. R.R.V. Joerawan als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
Mr. Quak, mr. Lemmen en mr. Joerawan zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Lelystad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door:
- een taxi bij die [slachtoffer] te bestellen en/of
- in de auto van die [slachtoffer] plaats te nemen en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op het hoofd te slaan en/of
- de handen van die [slachtoffer] vast te houden en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tevoorschijn te halen en/of op het hoofd van die [slachtoffer] te richten en/of daarmee te slaan , en/of
- daarbij te roepen "Rolex".
Bijlage II: de bewijsmiddelen
In het proces-verbaal van aangifte van 21 januari 2025, genummerd 250121-45-135, heeft aangever [slachtoffer] onder meer het volgende verklaard:
Ik was op 21 januari 2025 aan het werk als taxichauffeur in Lelystad. Ik werd om 00.33 uur gebeld door telefoonnummer: [telefoonnummer] . Ik kreeg een jongen aan de telefoon. Ik hoorde hem zeggen dat hij een taxi nodig had vanaf de [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat ik het volgende bericht kreeg van bovengenoemd telefoonnummer: 'op de parkeerplaats want ik moet lopen.' Ik kwam omstreeks 00.52 uur ter plaatse. Ik zag bij de garageboxen een jongen staan. Ik zag dat dat jongen rechts achterin het voertuig plaatsnam. Ik zag dat het portier aan de bestuurderskant van de taxi op dat moment werd open gedaan. Ik hoorde twee personen schreeuwen dat ik mijn Rolex af moest staan, dat ik hem moest af doen. Ik voelde dat ik op mijn hoofd werd geslagen. Ik heb zelf de neppe Rolex af gedaan en aan de persoon gegeven welke in mijn portier stond. Hij had mijn neppe Rolex zonder mijn toestemming en met gebruikmaking van geweld afgenomen. Ik heb aan het slaan op mijn hoofd een wond op mijn rechter wenkbrauw overgehouden.
In het proces-verbaal aanvullend verhoor aangever van 22 januari 2025, genummerd MD2R025010-17, heeft de aangever onder meer het volgende verklaard:
Toen ik de camerabeelden van de dashcam terugkeek, zag ik dat er een vuurwapen werd gebruikt door één van de overvallers. Het leek op een zwart pistool. Op de camerabeelden zag ik dat de overvallers met zijn drieën waren.
In het proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2025, genummerd MD2R025010-5, is onder meer het volgende geverbaliseerd:
De aangever heeft de camerabeelden van de dashcams van zijn auto vrijwillig afgestaan.
Hieronder de uitwerking van bestand: [bestandsnaam] :
Om 00:51:38 uur zag ik dat de auto tot stilstand kwam op de [adres] . Ik zag dat er een persoon stond te wachten. Hierna te noemen als jongen 1. Ik zag dat de jongen naar het voertuig toe liep.
Hieronder de uitwerking van bestand: [bestandsnaam] :
Om 00:51:50 uur stapte jongen 1 in het voertuig op de achterbank aan de passagierszijde.
Om 00:51:51 uur zag ik dat de bestuurdersdeur werd geopend. Ik zag dat er een persoon verscheen. Ik zag dat deze direct met zijn handen naar de aangever ging.
Om 00:51:52 uur zag ik dat jongen 1 met zijn rechtervuist een klap gaf op het achterhoofd van de aangever. Ik zag dat de persoon in het bestuurdersportier met 2 handen de handen van de aangever vast hield.
Om 00:51:52 uur zag ik dat er een derde hand verscheen uit het bestuurdersportier. Het kan niet anders zijn als dat er twee personen bij het bestuurdersportier stond. Ik zag dat er iets zwarts in de hand zat welke verscheen. Ik zag dat dit zwarte voorwerp op het gezicht terecht kwam van de aangever ter hoogte van de rechter wenkbrauw. Aan de contouren en hoe het voorwerp werd vastgehouden vermoed ik dat het om een vuurwapen ging. Ik hoorde geschreeuw met woorden als "Rolex".
Om 00:51:59 uur zag ik dat de aangever een horloge van zijn linkerpols af haalde. Ik zag dat jongen 1 de aangever vast hield bij zijn capuchon. Ik zag dat nadat het horloge van de pols los was jongen 1 nog een klap gaf met zijn vuist op het achterhoofd van de aangever.
In het proces-verbaal van bevindingen van 17 februari 2025, genummerd PL0900-2025020923-32, is onder meer het volgende geverbaliseerd:
Ik onderzocht het overzicht van de tapgesprekken in het onderzoek 03UMBRA24, ten behoeve van de diefstal Rolex, gepleegd op 21 januari 2025 aan de [adres] in [woonplaats] . Het voertuig waarin de opnameapparatuur vertrouwelijke communicatie (OVC) is geplaatst betreft een Toyota Aygo op naam van de moeder van [medeverdachte 5] .
NNM01, die in de uitwerking OVC ook ' [medeverdachte 5] ' wordt genoemd, moet daarom [medeverdachte 5] zijn.
NNM02 is [medeverdachte 6] .
NNM03 is [verdachte] . NNM03 wordt in de uitwerking OVC meermaals aangeduid als ' [bijnaam verdachte] ', ' [bijnaam verdachte] ', ' [bijnaam verdachte] ' of ' [iCloud account naam verdachte] '. In eerdere processen-verbaal is vastgelegd dat met name de bijnamen ' [bijnaam verdachte] ' en ' [bijnaam verdachte] ' worden gebruikt voor: [verdachte] (18 jr.). Verder is in diverse politieregistraties vastgelegd dat [verdachte] deel uitmaakt van de zogenaamde ' [naam groep] '- of [naam groep] en dat hij een bekende is van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] . De persoon in de uitwerking OVC die ' [bijnaam verdachte] ', ' [bijnaam verdachte] ' of ' [iCloud account naam verdachte] ' wordt genoemd moet daarom [verdachte] zijn.
Er werd een uitwerking gemaakt van de opnamen vertrouwelijke communicatie (OVC) tussen de tijdstippen 00:06 uur en 23:45 uur, tijdzone UTC+0, op 21 januari 2025.
UTC+0: 00:06 uur (werkelijke tijd: 01:06 uur)
Op 21 januari 2025, werkelijke tijd 01:06 uur, ongeveer 15 minuten na de roof van het horloge, reden twee personen in de Toyota Aygo met het kenteken [kenteken] . Gedurende de gesprekken zou blijken dat deze personen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn. [medeverdachte 6] belde met een onbekend persoon over de luidspreker van zijn telefoon. Hij vroeg de persoon of het gelukt was. [medeverdachte 6] vertelde dat ze een Rolex hebben gepakt. [medeverdachte 5] vroeg of die van [A] was. [medeverdachte 6] zei vervolgens dat ze hem hebben gepakt. Volgens [medeverdachte 6] heeft 'hij' dit met [medeverdachte 2] gedaan en met [medeverdachte 2] 's broertje.
‘NNM01: Met wie heeft ie het gedaan?
NNM02: [medeverdachte 2] .
.
NNM03 bevestigt dat hij 18 is en dat hij nu een beetje begint te jagen.
UTC+0: 00:22 uur (werkelijke tijd: 01:22 uur)
Om 01:22 uur werkelijke tijd zaten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] weer in samen de auto.
Hierna stapten meerdere personen in de auto, waaronder in elk geval [verdachte] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 6] vroeg waar ze "die tjappie" hadden gepakt, waarop [verdachte] zei dat dit in [straat] was, twintig tot dertig minuten daarvoor. [medeverdachte 1] vertelde dat hij in de auto was en de man bij zijn nek pakte, waarbij hij zei: "Watcha inleveren". Een andere jongen begon hem te klappen met die 'b'. Hierna bespraken de jongens de mogelijkheid dat het horloge nep is, omdat het slachtoffer hem zo snel had afgegeven.
UTC+0: 01:03 uur (werkelijke tijd: 02:03 uur)
[verdachte] vertelde dat [bijnaam medeverdachte] , oftewel [medeverdachte 1] , met zijn blote gezicht in de auto was en dat zij daar met zijn tweeën buiten waren.
UTC+0: 01:08 uur (werkelijke tijd: 02:08 uur)
[verdachte] vertelde over een Rolex die hij in zijn zak had en dat ze hadden gesprint.
UTC+0: 03:51 uur (werkelijke tijd: 04:51 uur)
NNM02 noemt NNM03 ' [bijnaam verdachte] ' en zegt dat hij dingen niet in zijn osso moet stashen.
NNM03 zegt dat hij daarom niet osso gaat pitten, dat hij nu naar ' [medeverdachte 3] ' gaat, dat hij bang is dat [bijnaam medeverdachte] weet dat 'hun' nu bij ' [medeverdachte 3] ' zijn en dat zal zeggen als hij gecheesed wordt.
NNM01 vraagt of NNM03 zijn tellie mee had naar die torrie, waarna NNM03 zegt dat hij zijn tellie mee had.
NNM02 noemt NNM03 ' [iCloud account naam verdachte] '.
NNM03 zegt dat hij dat horloge in [naam groep] moet droppen.
UTC+0: 03:56 uur (werkelijke tijd: 04:56 uur)
In de auto werd [verdachte] gevraagd of hij 'hem' hard heeft gegeven. Hierop antwoordde [verdachte] bevestigend. Verder vertelde [verdachte] dat hij één keer "watcha af" heeft gezegd, omdat hij zich bedacht dat hij niks moest zeggen, en dat hij hem daarna gekolfd heeft, oftewel met het handvat van een pistool op het hoofd heeft geslagen.
NNM02: Heb je hem hard gegeven, [bijnaam verdachte] ?
NNM03: Ja man.
NNM01: Ja bro, hij ligt ziekenhuis bro.
NNM02: Waarom heb je hem zo hard geslagen dan?
NNM03: Ganoe. Ik zei: "Watcha af'. Toen kolfte ik hem, boem, haha.
UTC+0: 23:40 uur (werkelijke tijd: 22/01/2025 00:40 uur)
De persoon die via de luidspreker aan de telefoon is werd [medeverdachte 2] genoemd. Verder werd door [verdachte] verteld wie en hoe is ingestapt, hoe er "watcha af, watcha af" werd geroepen en hoe ze daarna naar de [straat] zijn gerend.
In het proces-verbaal van bevindingen van 27 februari 2025, genummerd MD2R025010-62, is onder meer het volgende geverbaliseerd:
Tijdens de aanhouding werd bij de verdachte de navolgende telefoon/gegevensdrager aangetroffen en in beslag genomen voor nader onderzoek.
Soort: Telefoon
Merk: Apple
Type: iPhone 11
Serienummer: [serienummer]
Apple ID: [Apple ID verdachte] @icloud.com
Onderzoek gegevensdrager
Ik zag een Whatsapp gesprek tussen [bijnaam medeverdachte] (owner) en Mama. Dit gesprek was gevoerd op 21 januari 2025 om 12.00 uur. Ik zag dat [bijnaam medeverdachte] schreef aan Mama dat hij zo thuis zou komen, dat hij bij [medeverdachte 2] was gaat slapen omdat het een beetje laat was.
Noot verbalisant: De verdachte NN02 zou zijn [medeverdachte 2] , geboren op [2006] .
Ik zag dat een app op de gegevensdrager gebruik heeft gemaakt van GPS locatie. Ik zag na onderzoek van deze GPS locatie het volgende. Op 21 januari 2025 om 00.59 uur was de locatie van de gegevensdrager [straat] ter hoogte van perceel [huisnummer] te [woonplaats] . In de kaart hieronder heb ik de incidentlocatie aangeduid met een rode punt en de GPS locatie van de gegevensdrager met een blauwe punt. De reistijd tussen beide punten zijn met een voertuig 5 minuten. Het incident heeft plaatsgevonden op 21 januari 2025 om 00.52 uur.
In het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2025, genummerd PL0900-2025020923-31, is onder meer het volgende geverbaliseerd:
Ik ben jeugdagent in de gemeente Lelystad. Ongeveer twee jaar geleden hoorde ik regelmatig de naam [bijnaam verdachte] . Ik hoorde van jongeren dat ze hem [bijnaam verdachte] of [bijnaam verdachte] noemden, omdat zijn naam zo moeilijk was om uit te spreken en dat dit uiteindelijk zijn bijnaam was geworden. Ik hoorde destijds dat hij ongeveer 16 jaar oud was en dat hij getint was en dat hij donkere krullen had. Ik hoorde van de jongeren dat [bijnaam verdachte] twee broertjes had en dat hij op de [straat] woonde.
In die tijd werd door veel collega's veelvuldig gecontroleerd en personalia genoteerd en vastgelegd is onze systemen. Ik zag dat tijdens deze controles regelmatig [verdachte] werd gecontroleerd. Ik zag in het systeem dat [medeverdachte 3] twee broertjes had en op de [adres] woonde. Ik zag dat [medeverdachte 3] een Colombiaanse moeder had en het was dus aannemelijk voor mij dat [medeverdachte 3] getint was en dat hij krulletjes zou kunnen hebben.
In de maanden daarna kwam ik [medeverdachte 3] regelmatig tegen op straat. Ik hoorde dat de jongeren om hem heen hem [bijnaam verdachte] noemden. Begin dit jaar werd ik door [medeverdachte 3] benaderd op het Instagram account van de jeugdagenten van Politie Lelystad. Hij wilde me graag spreken en zijn Instagram account was op dat moment [Instagram account verdachte] .
In het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2025, genummerd PL0900-2025020923-28, is onder meer het volgende geverbaliseerd:
Ik kreeg het verzoek of ik in mijn hoedanigheid van PGA (persoon gebonden aanpak) functionaris bekend was met een persoon met de bijnaam [bijnaam verdachte] . Ik ben thematisch wijkagent zorg en veiligheid voor het basisteam Lelystad. Ik heb in 2022 [verdachte] aangemeld voor de persoonsgerichte aanpak (PGA). Dit was naar aanleiding van veelvuldig politiecontacten. [medeverdachte 3] maakt onderdeel uit van de [naam groep] te Lelystad. Hierbij heb ik in de aanloop tot de aanmelding diverse keren op straat contact gehad met de [naam groep] en sprak ik ook met [medeverdachte 3] . Ik hoorde diverse leden van de [naam groep] [medeverdachte 3] aanspraken als zijnde " [bijnaam verdachte] ". Ook het contact met buurtbewoners en slachtoffers hoorde ik dat ze [medeverdachte 3] " [bijnaam verdachte] " noemden. Hierdoor kan ik verbalisant verklaren dat als er gesproken wordt over " [bijnaam verdachte] " dat hierbij de volgende persoon word bedoeld: [verdachte] .
In het proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2025, genummerd 2502101004.PVB, is onder meer het volgende geverbaliseerd:
In dit proces-verbaal staat omschreven hoe uit feiten en omstandigheden is gebleken dat de
bijnamen ‘ [bijnaam verdachte] ’, ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [iCloud account naam verdachte] ’ gebruikt worden als bijnamen voor [verdachte] , geboren op [2006] te [geboorteplaats] .
De gesprekken die in dit proces-verbaal zijn gebruikt, zijn afkomstig uit de opgenomen
telecommunicatie van de verdachte [medeverdachte 6] . Op 13 januari 2025 vond er een gesprek plaats tussen meerdere personen, waaronder [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] . Tijdens dit gesprek werd door [medeverdachte 6] aangegeven dat hij ‘ [bijnaam verdachte] ’ heel graag wilde spreken. Kort daarna werd het telefoonnummer [telefoonnummer] , hierna [medeverdachte 3] genoemd, toegevoegd aan het al lopende gesprek. In de uitwerking van dit gesprek wordt [medeverdachte 3] als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] omschreven als ‘NNM8438’.
Nadat het telefoonnummer werd toegevoegd, werd [medeverdachte 3] tijdens het gesprek door een van de betrokkenen in het gesprek opnieuw ‘ [bijnaam verdachte] ’ genoemd. Vervolgens werd [medeverdachte 3] door de betrokkenen in het gesprek meerdere malen ‘ [iCloud account naam verdachte] ’ genoemd. Later in ditzelfde gesprek werd [medeverdachte 3] bij zijn volledige naam genoemd. Dit blijkt uit onderstaande uitspraak:
NNM0072 zegt dat ze zeggen dat ' [verdachte] ' de brug tot de jongere jongens heeft.
Daarop reageerde [medeverdachte 3] met onderstaande:
NNM8438 vraagt of ze echt hadden gezegd dat hij de brug is. Daarop zegt NNM0072 dat ze zeggen dat hij (NNM8438) het was.
Later in ditzelfde gesprek werd [medeverdachte 3] opnieuw ‘ [iCloud account naam verdachte] ’ genoemd.
(Bron: TA011, doelproductnummer 21 in combinatie met TB004, doelproductnummers 14693, 14695, 14696)
Op 15 januari 2025 vond er een gesprek plaats tussen meerdere personen, waaronder [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] . Tijdens dit gesprek werd er door een van de betrokkenen in het gesprek aangegeven dat hij werd gebeld door ‘ [bijnaam verdachte] ’. Kort daarna werd het eerder genoemde telefoonnummer [telefoonnummer] toegevoegd aan het al lopende gesprek.
In de uitwerking van het gesprek wordt [medeverdachte 3] als gebruiker van het telefoonnummer
[telefoonnummer] omschreven als ‘NNM8438’. Tijdens dit gesprek noemde [medeverdachte 6] [medeverdachte 3] ‘ [iCloud account naam verdachte] ’. Later in ditzelfde gesprek werd [medeverdachte 3] meerdere malen ‘ [iCloud account naam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam verdachte] ’ genoemd.
Bovenstaande uitspraken maken het volgens het onderzoeksteam zeer aannemelijk dat met ‘ [bijnaam verdachte] ’, ‘ [bijnaam verdachte] ’ en ‘ [iCloud account naam verdachte] ’ de persoon [verdachte] , geboren op [2006] te [geboorteplaats] bedoeld wordt.
Op zitting van 15 april 2026 heeft de verdachte onder meer verklaard:
Ik gebruik de naam [iCloud account naam verdachte] voor mijn iCloud-account. Het is geen bijnaam van mij, maar ik noem mijzelf zo.