ECLI:NL:RBMNE:2026:2392

ECLI:NL:RBMNE:2026:2392

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer UTR 26/2666, UTR 26/2667-T, UTR 26/2724 en UTR 26/2822-T
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het handhavend optreden door het college tegen de sportschool in de parkeerkelder op het perceel (adres) in (plaats). De voorzieningenrechter doet een tussenuitspraak, omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een overtreding van de parkeernorm uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het college wordt in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot twee weken na de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 26/2666, UTR 26/2667-T, UTR 26/2724 en UTR 26/2822-T

tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2026 op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

1. Xfitclub Nederland B.V.uit Huizen

2. OG Maatschap Fabouit Huizen, hierna gezamenlijk verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen (het college), verweerder

(gemachtigde: A. Leijenhorst).

1. Deze uitspraak gaat over het handhavend optreden door het college tegen de sportschool in de parkeerkelder op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Eisers vinden dat geen sprake is van een overtreding en doen onder meer een beroep op het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

De voorzieningenrechter komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een overtreding van de parkeernorm uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen om dit gebrek te herstellen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In 2024 heeft [bedrijf] B.V. het college mondeling verzocht om handhavend op te treden met betrekking tot de sportschool in de parkeergarage op het perceel. Op 3 juli 2025 heeft [bedrijf] B.V. het college schriftelijk verzocht om handhavend op te treden.

Op 17 juli 2025 heeft het college eiseres 1 bericht voornemens te zijn handhavend op te treden tegen meerdere overtredingen op het perceel, waaronder die met betrekking tot het gebruik van de parkeergarage. Daarbij heeft het college gewezen op het rapport van de toezichthouder van een controle op 25 juni 2025 met daarin de constatering dat eiseres 1 en de ondergelegen parkeerkelder zijn samengevoegd tot één sportschool zonder juiste vergunning. Door het in gebruik nemen van de parkeerkelder is een nog groter tekort aan parkeerplaatsen ontstaan.

Op 15 augustus 2025 heeft eiseres 1 zienswijzen naar voren gebracht. Op 14 oktober 2025 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden.

Het college heeft met zijn besluit van 30 oktober 2025 (het primaire besluit) aan eiseres 1 twee lasten onder dwangsom opgelegd:

Vanwege een overtreding van het omgevingsplan de last om het gebruik van de parkeergarage zonder omgevingsvergunning als sportschool binnen twee weken te beëindigen en beëindigd te houden.

Vanwege een overtreding van de parkeernorm uit het bestemmingsplan Kom-Oost de last om aan de parkeernorm uit artikel 25.2 te voldoen door uiterlijk 15 december 2025 de 30 parkeerplaatsen in de parkeergarage terug te brengen in de oorspronkelijke staat zodat deze weer te gebruiken zijn.

Bij het niet voldoen aan de beide lasten geldt per last een dwangsom van € 15.000,- ineens.

Eiseres 1 is het niet eens met de opgelegde lasten onder dwangsom en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Eiseres 1 heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 3 december 2025 het verzoek toegewezen en de voorlopige voorziening getroffen dat het besluit van 30 oktober 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Met het besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college last 1 ingetrokken, last 2 gehandhaafd, daarbij gewijzigd dat het gaat om het terugbrengen van 32 parkeerplaatsen in de oorspronkelijke staat in plaats van 30, eiseres 2 ook aangemerkt als overtreder en de aangevoerde bezwaren ten aanzien van last 2 ongegrond verklaard.

Met de brief van 8 april 2026 heeft het college eiseres 2 op de mogelijkheid gewezen tot het indienen van direct beroep op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, te weten dat de beslissing op bezwaar wordt geschorst totdat de voorzieningenrechter op hun beroepen heeft beslist. De verzoeken om een voorlopige voorziening zijn geregistreerd onder zaaknummers UTR 26/2666 (eiseres 1) en UTR 26/2724 (eiseres 2). De beroepen zijn geregistreerd onder zaaknummers UTR 26/2667 (eiseres 1) en UTR 26/2822 (eiseres 2).

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] , namens eisers, de gemachtigde van het college en [C] en [D] namens het college.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op de beroepen van eisers. Artikel 8:86 van de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het verzoek om een voorlopige voorziening

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.

Het college heeft gelet op de verzoeken om voorlopige voorziening de begunstigingstermijn opgeschort tot twee weken na de einduitspraak. Dit heeft het college op de zitting bevestigd. Voor de volledigheid merkt de voorzieningenrechter op dat dit betekent dat de begunstigingstermijn nog niet gaat lopen na deze tussenuitspraak. De voorzieningenrechter concludeert dat eisers geen spoedeisend belang (meer) hebben bij een voorziening en zal het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen.

Toetsingskader

4. De voorzieningenrechter moet in deze zaken allereerst beoordelen of sprake is van een overtreding. Zonder het bestaan van een overtreding, is het college immers niet bevoegd tot handhavend optreden. Hier zijn twee uitzonderingen op. De eerste is dat het college een last kan opleggen om herhaling van een eerdere overtreding te voorkomen. Daarnaast kan het college een herstelsanctie opleggen, zodra het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigt. Voor het opleggen van een dergelijke preventieve last is vereist dat een overtreding zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen.

Bij handhavingsbesluiten geldt bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.

Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Standpunten van partijen

5. Volgens het college heeft het pand met het huidige gebruik een parkeerbehoefte waar niet in wordt voorzien. In het verkeersadvies, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is uiteengezet dat er een tekort is van 32 parkeerplaatsen.

Eisers betwisten dat sprake is van een overtreding. Zij voeren daartoe aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat er te weinig parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Daarbij wijzen eisers erop dat er geen sprake is van nieuwe of toegenomen parkeerdruk en dat de parkeerkelder al twintig jaar niet in gebruik is als zodanig.

Beoordeling van het geschil

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het primaire besluit is opgenomen dat de overtreding bestaat uit het niet voldoen aan de parkeernorm uit artikel 25.2 van het bestemmingsplan. In het bestreden besluit heeft het college besloten het advies en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de commissie voor de bezwaarschriften (de commissie) integraal over te nemen.

De commissie heeft in het advies van 3 maart 2026 uiteengezet dat in 2002 een vergunning is verleend voor het wijzigen van het gebruik van een deel van het pand in sportgebouw op het perceel. Voor deze functiewijziging zijn zes nieuwe parkeerplaatsen aangelegd in de parkeerkelder waardoor er veertig parkeerplaatsen beschikbaar bleven. In 2008 is een vergunning verleend voor het intern verbouwen van een sportschool waarbij de veertig parkeerplaatsen in de parkeerkelder beschikbaar bleven. De commissie schrijft hierover dat hieruit wordt afgeleid dat aan de parkeernorm werd voldaan mede door de veertig parkeerplaatsen in de parkeerkelder. Door het ombouwen van de parkeerkelder tot sportschool wordt niet meer voldaan aan deze parkeernorm en heeft het college volgens de commissie de bevoegdheid om handhavend op te treden. Daarbij heeft de commissie en het college opgemerkt dat door de splitsing van de parkeerkelder de overtreding niet ziet op veertig, maar 32 parkeerplaatsen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat hiermee in het bestreden besluit wordt afgeweken van de geconstateerde overtreding in het primaire besluit, zijnde de parkeernorm uit artikel 25.2 van het bestemmingsplan. Er wordt namelijk alleen beoordeeld of nog voldaan wordt aan de in 2002 en 2008 verleende vergunningen en de parkeernorm die daaruit zou voortvloeien voor eisers en niet of er mogelijk strijd is met het huidige bestemmingsplan. Op de zitting heeft het college desgevraagd bevestigd dat de overtreding bestaat uit het niet voldoen aan de parkeernorm uit de vergunningen van 2002 en 2008. Op grond van artikel 5.5 van de Omgevingswet is het verboden om te handelen in strijd een omgevingsvergunning, maar alleen voor zover het een voorschrift betreft. De voorzieningenrechter zal daarom moeten beoordelen of eisers hebben gehandeld in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning.

De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken dat eisers hebben gehandeld in strijd met een dergelijk voorschrift. De voorzieningenrechter ziet in de betreffende vergunningen namelijk geen voorschriften die voorschrijven dat de toegezegde veertig parkeerplaatsen als zodanig beschikbaar moeten blijven. De vergunningen zijn verleend voor het wijzigen van de gevel en de inrichting van het kantoorgebouw alsmede het wijzigen van het gebruik van een deel van het pand in sportgebouw op het perceel en het intern verbouwen van een sportschool. Dat de veertig parkeerplaatsen zijn getekend op de bouwtekeningen die bij de vergunning behorende tekeningen behoren, maakt niet dat dit als voorschrift kan worden aangemerkt. Dit wordt namelijk nergens expliciet als voorschrift vermeld. De verbouwing van de parkeergarage tot sportschool is dan ook niet in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning. In zoverre is er dus geen sprake van een overtreding.

De voorzieningenrechter komt gelet op voorgaande tot de conclusie dat het college het besluit om handhavend op te treden ten onrechte heeft gebaseerd op het standpunt dat met het huidige gebruik niet wordt voldaan aan de parkeernorm die zou gelden volgens de in 2002 en 2008 verleende vergunningen. Dat betekent dat het besluit onjuist is gemotiveerd en in strijd zijn met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hoe nu verder?

7. Dat het gebruik van de parkeerkelder als sportschool geen overtreding van een voorschrift van een omgevingsvergunning oplevert, wil nog niet betekenen dat er helemaal geen overtreding is. Op basis van hetzelfde feitencomplex kwam verweerder in het primaire besluit immers tot een andere overtreding, namelijk het handelen in strijd met het omgevingsplan. Dit is in eerste instantie aan verweerder om te beoordelen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen om het motiveringsgebrek te herstellen en doet daarom een tussenuitspraak. Het herstellen van het gebrek kan met een aanvullende motivering óf als dat nodig is met nieuwe besluiten op bezwaar na of tegelijkertijd met de intrekking van de bestreden besluiten.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in de beslissing op bezwaar te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de voorzieningenrechter dan een tussenuitspraak. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar. Om het gebrek te herstellen, moet het college motiveren waarom sprake is van een overtreding van de parkeernorm op grond van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzieningenrechter eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op de beroepen.

Het geschil tussen partijen blijft na deze tussenuitspraak in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken op de zitting, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op de beroepen. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- draagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.C.G. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand