ECLI:NL:RBMNE:2026:2394

ECLI:NL:RBMNE:2026:2394

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 16/226798-25
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting en grooming. De verdachte heeft het 12-jarige slachtoffer gedwongen seks met hem te hebben en de dagen voorafgaand aan de verkrachting chatgesprekken met haar gevoerd met een seksuele lading. Geen toepassing van het jeugdstrafrecht. Aan de verdachte is een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk opgelegd. Aan het voorwaardelijke strafdeel zijn bijzondere voorwaarden verbonden en een proeftijd van twee jaren. Gedeeltelijke toewijzing van materiële en immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/226798-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] (Soedan),

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 mei 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

op 17 augustus 2025 in Swifterbant de (destijds) 12-jarige [slachtoffer] heeft verkracht, welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging;

feit 2

in de periode van 15 augustus 2025 tot en met 17 augustus 2025 in Nederland een ontmoeting met de (destijds) 12-jarige [slachtoffer] heeft voorgesteld voor seksuele doeleinden en handelingen heeft ondernomen om deze ontmoeting te verwezenlijken (grooming).

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 verzoekt de advocaat de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van de tenlastegelegde dwang, geweld en/of bedreiging. De verweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 3.3.2. De advocaat voert voor het overige (feiten 1 en 2) geen verweer over het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 (verkrachting met dwang)

De rechtbank oordeelt dat feit 1 (verkrachting, voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen feit 1

Inleiding

In deze zaak staat niet ter discussie dat het slachtoffer en de verdachte op 17 augustus 2025 in Swifterbant seks met elkaar hebben gehad, waarbij onder meer sprake is geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer met de penis van de verdachte. Zowel het slachtoffer als de verdachte hebben dit verklaard. Het slachtoffer was op dat moment 12 jaar oud en de verdachte was toen 22 jaar oud.

De vraag is of wettig en overtuigend bewezen is of de seksuele handelingen voorafgegaan werden door dwang, geweld of bedreiging, of daarmee vergezeld gingen of daardoor gevolgd werden.

Het slachtoffer verklaart dat zij door de verdachte is gedwongen tot seksuele handelingen, waaronder het binnendringen van haar lichaam. De verdachte verklaart echter dat alle seksuele handelingen, waaronder het binnendringen van haar lichaam, met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden

Wettelijk kader zedenzaken

De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de aangeefster en de vermeende dader.

Uit artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat de rechtbank het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet alleen kan aannemen op basis van de verklaring van het slachtoffer. Voor een bewezenverklaring van de beschuldiging moet er daarom ook sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer.

De rechtbank moet allereest beoordelen of de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid kijkt de rechtbank onder andere naar de consistentie, de gedetailleerdheid, en de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen.

Als er sprake is van betrouwbare verklaringen van het slachtoffer, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaringen van het slachtoffer voldoende steun vinden in het overige bewijs. Daarbij is niet vereist dat dit steunbewijs betrekking heeft op de hele tenlastelegging. Het is voldoende dat de verklaringen van het slachtoffer op onderdelen steun vinden in ander bewijs. Dit moet worden beoordeeld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.

Als de verklaringen betrouwbaar zijn en ook voldoende steun vinden in ander bewijs, moet tot slot worden bekeken of er tegenaanwijzingen zijn op grond waarvan de rechtbank er desondanks toch niet van overtuigd is dat dat dit onderdeel van de beschuldiging is begaan door de verdachte.

Betrouwbaarheid verklaringen van het slachtoffer

De rechtbank heeft, anders dan door de verdediging betoogd, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het slachtoffer heeft in totaal twee verklaringen afgelegd bij de politie, namelijk tijdens het informatief gesprek zeden en enkele dagen later tijdens het studioverhoor. In deze verklaringen is het slachtoffer consistent geweest over de wijze waarop de seksuele handelingen en de dwanghandelingen plaatsvonden. Zo heeft ze telkens verklaard dat de verdachte haar zoende, haar vervolgens omdraaide, hij een hand op haar rug had, haar naar beneden duwde en dat hij haar broek uit deed. Daarna zou de verdachte met zijn penis bij haar naar binnen zijn gedrongen. Hierna draaide de verdachte haar weer om, zoende hij haar nog een keer, waarna hij haar weer omdraaide en opnieuw bij haar binnendrong. Het slachtoffer heeft ook steeds verklaard dat zij heeft gezegd dat zij het niet wilde. Aanvullend weegt de rechtbank mee dat het slachtoffer ongeveer een uur na het incident haar oudere zus via Snapchat heeft verteld over de gebeurtenissen. Wat zij aan haar zus vertelde, past bij wat zij bij de politie heeft verklaard. Zo vertelde zij aan haar zus dat een jongen haar begon te zoenen, haar broek uit deed en haar verkrachtte.

Weliswaar heeft het slachtoffer niet meteen de politie en haar zus verteld dat zij al eerder contact had met de verdachte en met hem op 17 augustus 2025 had afgesproken, maar naar het oordeel van de rechtbank brengt dit niet met zich mee dat de verklaringen van het slachtoffer hierdoor onbetrouwbaar zijn.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaringen van het slachtoffer voldoende steun vinden in overige onderzoeksbevindingen. De rechtbank beantwoordt ook die vraag bevestigend.

De verklaringen van het slachtoffer worden ondersteund door wat haar moeder heeft waargenomen. De moeder van het slachtoffer heeft verklaard dat het slachtoffer kort na het incident verhit en bezweet thuis kwam en geen fitte indruk maakte. Ongeveer twee uur na het incident, toen de moeder van het slachtoffer haar confronteerde met haar wetenschap van de verkrachting, klampte het slachtoffer zich aan haar moeder vast en moest zij huilen.

Ook vinden de verklaringen van het slachtoffer steun in de (zich in het dossier bevindende) berichten die via Snapchat zijn uitgewisseld tussen de verdachte en het slachtoffer. Dit betreffen zowel berichten die voor het incident door de verdachte en het slachtoffer zijn verstuurd als berichten die na het incident door de verdachte naar het slachtoffer zijn verzonden. De verdachte zegt in die laatstgenoemde berichten meerdere keren tegen het slachtoffer dat ze bang was.

De verklaring van de verdachte dat de angst bij het slachtoffer, waarover door hem in de berichten wordt gesproken, zag op zwanger worden, acht de rechtbank op grond van het voorgaande niet aannemelijk. In dat verband vindt de rechtbank relevant dat het bericht waarin de verdachte aan het slachtoffer vraagt wanneer ze voor het laatst ongesteld was, pas bijna anderhalve minuut na het bericht wordt gestuurd waarin hij voor het laatst aangeeft dat ze bang was.

Deelconclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank van oordeel is dat het slachtoffer betrouwbaar heeft verklaard, dat haar verklaringen steun vinden in andere onderzoeksbevindingen en dat er geen contra-indicaties zijn die een bewezenverklaring van het tenlastegelegde in de weg staan.

Leeftijd van het slachtoffer

Voordat de rechtbank de vraag zal beantwoorden of er sprake is geweest van dwang merkt de rechtbank het volgende op over de leeftijd van het slachtoffer. De verdachte heeft meerdere keren verklaard dat hij niet wist dat het slachtoffer 12 jaar oud was. Zij zou tegen hem hebben gezegd dat ze 17 jaar oud was en ze zou er bovendien ouder uitzien dan 12 jaar. De rechtbank merkt hierover op dat het slachtoffer feitelijk 12 jaar oud was. Omdat de leeftijd is geobjectiveerd, moet de rechtbank bij de beoordeling uitgaan van de feitelijke leeftijd van het slachtoffer en is het niet relevant of zij er ouder uitzag of zou hebben gelogen over haar leeftijd.

Dwang, geweld en/of bedreiging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat de verkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door geweld, bedreiging en/of dwang.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door geweld en bedreiging. De verdachte zal van deze onderdelen dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank staat dan nog voor de vraag of de verkrachting gepaard is gegaan met dwang. Van dwang is sprake wanneer de verdachte door een feitelijkheid opzettelijk veroorzaakt dat het slachtoffer tegen diens wil seksuele handelingen ondergaat en dat deze handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest. Dwang in de vorm van een feitelijkheid kan onder meer bestaan uit (onverhoedse) fysieke handelingen, het aanwenden van gezag of overwicht en het brengen in een afhankelijkheidssituatie. Van ‘door een feitelijkheid dwingen’ kan bijvoorbeeld sprake zijn als de verdachte een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten. Ook mogelijk is dat de verdachte het slachtoffer in een zodanige, door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan de seksuele handelingen heeft kunnen onttrekken.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de verkrachting onder dwang heeft plaatsgevonden en vindt daarbij de volgende omstandigheden van belang. Uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt dat de verdachte, die 10 jaar ouder dan het slachtoffer was, haar heeft meegenomen naar een afgelegen plek in de bosjes. Hier is hij begonnen met het verrichten van seksuele handelingen, waaronder het zoenen van het slachtoffer. Vervolgens heeft hij haar naar beneden geduwd en is hij met zijn penis bij haar naar binnen gedrongen. Het slachtoffer verklaart dat zij tegen hem heeft gezegd dat ze geen seks met hem wilde, maar dat hij toch doorging. Toen zij probeerde weg te komen, deed hij zijn hand op haar rug. Zij heeft dus op dat moment duidelijke signalen aan de verdachte gegeven dat zij zijn seksuele handelingen niet wilde. Het verweer van de verdediging dat het slachtoffer die seksuele handelingen wel wilde, wordt dan ook weerlegd door de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het seksueel contact toch voortgezet, terwijl hij - zo blijkt uit de berichten die hij kort na het incident verstuurde - wist dat het slachtoffer bang was. De verdachte heeft daarmee de ontbrekende wil van het slachtoffer bewust genegeerd.

Verder leidt de rechtbank uit de vele berichten, die de verdachte (in de dagen) voorafgaand aan het incident naar het slachtoffer heeft gestuurd, af dat de verdachte herhaaldelijk heeft aangestuurd op het hebben van seks met haar. Het slachtoffer - die in de berichten duidelijk laat merken dat ze onervaren is op seksueel gebied - reageert daarop telkens terughoudend en geeft aan dat zij wil zoenen met de verdachte en dat ze wel zien wat er gebeurt. Het slachtoffer geeft geen enkele keer aan dat ze seksuele handelingen wil verrichten met de verdachte, anders dan zoenen en knuffelen. Het is steeds de verdachte die op expliciete wijze aangeeft dat hij seks met het slachtoffer wil. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte (22 jaar oud) door middel van het versturen van deze berichten naar een 12-jarig meisje haar emotionele weerbaarheid heeft afgebroken en daarmee een zodanige psychische druk op haar heeft uitgeoefend dat zij zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten.

Ook de berichten die de verdachte na het incident naar het slachtoffer stuurde, waarin hij zegt dat zij niet bang moest kijken en normaal moest doen, ondersteunen dit oordeel. Deze berichten wijzen er op dat het slachtoffer de seksuele handelingen niet op vrijwillige basis heeft verricht en dat de verdachte inzicht had in het ontbreken van die vrijwilligheid.

Eindconclusie

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft verkracht, terwijl deze verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang.

Bewijsmiddelen feit 2 (grooming)

De verdachte bekent dat hij feit 2, namelijk grooming, heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 1 mei 2026;

het proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2025 met bijbehorende bijlage.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1

op 17 augustus 2025 te Swifterbant, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, te weten

- het op de mond kussen van die [slachtoffer] ;

- het in de hals kussen van die [slachtoffer] ;

- het brengen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen en in de vagina van die [slachtoffer] en

- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ,

en welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, door

- misbruik te maken van zijn emotionele overwicht (gelet op verdachtes leeftijd en de minderjarige leeftijd van die [slachtoffer] );

- de broek van die [slachtoffer] naar beneden te trekken;

- die [slachtoffer] om te draaien, vervolgens op haar onderrug te duwen en (aldus) in voorovergebogen positie te brengen en houden;

- die [slachtoffer] om haar middel en/of bij haar heupen vast te houden;

- op de billen/het lichaam van die [slachtoffer] te ejaculeren,

terwijl die [slachtoffer] meermalen tegen verdachte heeft gezegd het niet te willen, 'stop' en 'laat mijn broek aan';

feit 2

op meer tijdstippen in de periode van 15 augustus 2025 tot en met 17 augustus 2025 in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, een ontmoeting heeft voorgesteld voor seksuele doeleinden en enige handeling heeft ondernomen tot het verwezenlijken van die ontmoeting, door

- via Snapchat contact te zoeken/leggen met voornoemde [slachtoffer] ;

- die [slachtoffer] te vragen een of meerdere foto('s) en/of video('s) van haar ontblote lichaam aan hem, verdachte, te sturen;

- tegen die [slachtoffer] te zeggen/appen dat ze mooi, slim, sexy en lekker is en een mooie stem heeft;

- tegen die [slachtoffer] te zeggen/appen dat hij van haar houdt, dat hij dol op haar is en aan die [slachtoffer] te vragen of ze van hem, verdachte, houdt;

- met die [slachtoffer] af te spreken om elkaar op zondag 17 augustus 2025 om 12:00 uur te ontmoeten;

- ten aanzien van die afspraak/ontmoeting tegen die [slachtoffer] te zeggen/appen "ik wil je echt nat maken", "ik ga je billen kussen", "dan ik ga je echt fk geil maken", "en je gaat zeggen bby neuk mij", "ik wil het ech in je kut zondag bby", "mag ik in je ass neuken?", "je mag mijm lul ook zuigen", "ik wil je nakt in mijn schoot zitten zondag", "en jou hard en lang knuffelen", "ik wil de hoofd van mijn lul op je asshol doen je gaat het lekker warm vinden", "ik kom gwn van achter", "en je kan ook mijn lul met je hand vasthouden", "we gaan veel proberen", "ik laat je geen pijn voelen", "en ik heb zin in je te likken”, "miss ook klein kusjes op je kut", "maar je moet mij ook geil maken", "bby plz kunnen wij neuken voor 5mn. Dan?", "isg bby ik leer je alles", "hoe kan je ook een man geil maken" en "en hoe kan je hem snel laten klaarkomen", althans seksueel getinte berichten aan die [slachtoffer] te sturen en

- vervolgens op zondag 17 augustus 2025 met het openbaar vervoer naar de (via Snapchat gedeelde) locatie van die [slachtoffer] te reizen, die [slachtoffer] te informeren over de voortgang van zijn reis (naar Swifterbant) en (vervolgens) die [slachtoffer] (aldaar) te ontmoeten.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang;

feit 2: een ontmoeting voorstellen voor seksuele doeleinden aan een kind beneden de leeftijd van zestien jaren en enige handeling ondernemen tot het verwezenlijken van die ontmoeting.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt geen toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht, omdat hiervoor, ondanks het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen, geen aanknopingspunten bestaan. De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vindt de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, niet noodzakelijk, omdat er geen noodzaak tot behandeling bestaat en de verdachte geen probleembesef heeft.

De officier van justitie eist verder dat aan de verdachte een contactverbod (met het slachtoffer) en een locatieverbod (voor de gemeente [gemeente] ) wordt opgelegd als vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Wetboek van Strafrecht) voor de duur van vijf jaar, te vervangen door twee maanden hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel direct ingaat (dadelijk uitvoerbaar).

De officier van justitie verzet zich tegen toewijzingen van de verzoeken tot opheffing en schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis, zoals in paragraaf 5.2 aan bod komt.

Standpunt van de verdediging

Bij de bepaling van de op te leggen straf verzoekt de verdediging het advies van de reclassering te volgen en de verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht. Verzocht wordt geen langere vrijheidsbenemende straf op te leggen dan de periode die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. In vergelijkbare strafzaken – met of zonder dwang – worden zelden langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen opgelegd. Voor zover er een aanvullende onvoorwaardelijke straf aan de orde zou moeten zijn, kan een taakstraf worden opgelegd. De verdachte en de maatschappij hebben baat bij behandeling en begeleiding van de verdachte. Hij is bereid zich aan de bijzondere voorwaarden te houden in het kader van een eventueel op te leggen voorwaardelijk strafdeel.

De verdediging heeft bij het bepalen van de (hoogte van de) straf bepleit rekening te houden met de volgende omstandigheden. De verdachte bevindt zich inmiddels acht maanden in voorlopige hechtenis. Daarnaast was de verdachte niet op de hoogte van de werkelijke leeftijd van het slachtoffer en was haar leeftijd, vanwege zijn lage ontwikkelingsniveau, voor hem moeilijk in te schatten. De strafzaak heeft al veel negatieve gevolgen voor hem gehad. Hij is zijn woning kwijtgeraakt en de strafzaak zal waarschijnlijk negatieve gevolgen hebben voor zijn verblijfsvergunning. Ten slotte is er sprake van voortgezet handelen of samenloop als de verdachte wordt veroordeeld voor beide feiten.

Ten slotte verzoekt de verdediging (primair) het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen of (subsidiair) te schorsen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich op 17 augustus 2025 op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan de verkrachting van een 12-jarig, kwetsbaar meisje. De verdachte was op dat moment 22 jaar oud. Op de betreffende middag hadden de verdachte en het slachtoffer, die sinds korte tijd contact met elkaar hadden via Snapchat, met elkaar afgesproken bij het bos nabij de woning van het slachtoffer. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer, die alleen met de verdachte wilde praten en zoenen, mee de bosjes in genomen en haar gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het binnendringen van het lichaam.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan grooming met hetzelfde slachtoffer. In de dagen voorafgaand aan de verkrachting heeft hij meerdere chatgesprekken met haar gevoerd met een duidelijke seksuele lading. De verdachte stuurde aan op het door het slachtoffer maken en versturen van naaktfoto’s of -filmpjes waarop haar geslachtsdeel zichtbaar was. Ook stuurde de verdachte erop aan om elkaar te ontmoeten en vertelde hij haar welke vergaande seksuele handelingen hij met haar wilde verrichten. Uiteindelijk heeft de ontmoeting daadwerkelijk plaatsgevonden op 17 augustus 2025 in Swifterbant.

Minderjarigen, die aan het begin van hun seksuele ontwikkeling staan, worden in het algemeen onvoldoende in staat geacht hun seksuele integriteit te bewaken, waardoor zij beschermd (moeten) worden tegen zichzelf en anderen die in dat verband misbruik van hen willen maken. Om die reden is seks met een minderjarige van 12 jaar reeds strafbaar. Dat er, zoals in dit geval ook dwang aan te pas kwam, verhoogt de strafwaardigheid.

De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Ter terechtzitting is namens het slachtoffer naar voren gebracht welke directe en schrijnende gevolgen het incident voor haar en haar ouders hebben gehad en nog steeds hebben. Uit de slachtofferverklaring volgt dat het leven voor hen een nachtmerrie is geworden. Tot op de dag van vandaag heeft het slachtoffer last van depressieve klachten, waarvoor zij hulp heeft gezocht bij de GGZ, en is zij niet in staat om naar school te gaan. Omdat de verdachte tijdens het incident geen voorbehoedsmiddel heeft gebruikt, heeft het slachtoffer wekenlang medicatie moeten gebruiken ter voorkoming van seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Daarnaast heeft zij een morning-afterpil moeten slikken om een zwangerschap te voorkomen. De verdachte heeft hier op geen enkele wijze bij stilgestaan. Ook heeft hij zijn verantwoordelijkheid niet genomen. Hij heeft onvoldoende moeite gedaan om de leeftijd van het slachtoffer te controleren waardoor hij niet kon bevestigen of zij wel meerderjarig was. Hij heeft zijn eigen seksuele behoeftes vooropgesteld en toch seks met haar gehad. Hij is daarvoor zelfs met het openbaar vervoer vanuit Leeuwaarden naar Swifterbant afgereisd.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van 3 november 2025. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Ook heeft de rechtbank zich rekenschap gegeven van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 17 april 2026. Hierin is onder meer te lezen dat de verdachte vanwege oorlog in 2018 vanuit Soedan, waar zijn vader en broer zijn vermoord, naar Nederland is gevlucht. De reclassering heeft de indruk dat hij moeite heeft om zelfstandig zijn weg te vinden in de Nederlandse maatschappij (naar de juiste hulpbronnen), maar dat het tot de huidige verdenking praktisch gezien goed ging met hem. Hij heeft volgens de reclassering begeleiding nodig bij het leren van de Nederlandse taal en op het gebied van culturele en organisatorische verschillen tussen Nederland en Soedan. Daarnaast bestaan er aanwijzingen voor psychosociale problematiek en trauma’s door zijn belaste voorgeschiedenis. Om hier beter zicht op te krijgen, acht de reclassering diagnostisch onderzoek en een eventueel daaropvolgende (ambulante) behandeling noodzakelijk. Het risico op recidive en letsel kan niet worden ingeschat en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt als laag ingeschat. Gelet op de aard en de ernst van de verdenkingen vindt de reclassering psychische hulp in een forensisch kader geïndiceerd. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer, een locatieverbod (zonder elektronische monitoring), dagbesteding en ambulante begeleiding.

De reclassering heeft vanwege de leeftijd van de verdachte (22 jaar oud) beoordeeld of toepassing van het jeugd- of volwassenstrafrecht geïndiceerd is. Er worden zowel indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht als het volwassenstrafrecht gezien. Er is sprake van een onderontwikkeld sociaal-emotioneel functioneren en er bestaan mogelijkheden en noodzaak voor pedagogische beïnvloeding. De verdachte is een beschadigd en kwetsbaar persoon die baat heeft bij sturing en begeleiding. Hij streeft een ‘normaal’ leven na zonder justitiecontacten, maar beschikt vermoedelijk niet over voldoende handelingsvaardigheden om zijn toekomstdoelen te realiseren. Anderzijds doen de aard en ernst van de verdenkingen vermoeden dat de verdachte het slachtoffer willens en wetens heeft bewogen dan wel gedwongen tot het maken van een afspraak en het seksueel contact. Dit geeft aanleiding om te veronderstellen dat er sprake was van doelbewust handelen. De reclassering ziet op dit moment overwegend indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht en adviseert dan ook om dit toe te passen. Wel wordt – vanwege de leeftijd van de verdachte en de mate waarin hij zelfstandig functioneerde op het gebied van wonen en werk - geadviseerd om een eventueel toezicht neer te leggen bij de volwassenreclassering.

Met betrekking tot het advies tot toepassing van het jeugdstrafrecht oordeelt de rechtbank als volgt. De verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen feiten 22 jaar oud en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dat op een (jong)volwassen verdachte die ten tijde van de strafbare feiten meerderjarig is het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast, tenzij de rechtbank in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan de rechtbank beslissen op grond van de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De rechtbank ziet in de reclasseringsrapportage echter geen overtuigende argumenten om af te wijken van het uitgangspunt dat het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast. De rechtbank hecht daarbij waarde aan de omstandigheden dat de reclassering - vanwege zijn leeftijd en mate waarin hij zelfstandig functioneerde - adviseert het toezicht neer te leggen bij de volwassenreclassering en de geadviseerde bijzondere voorwaarden, zoals de behandeling en begeleiding, niet specifiek zien op pedagogische beïnvloeding. Ook ter zitting is de rechtbank van een aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen niet gebleken. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

Geen sprake van een voortgezette handeling

De verdediging heeft de rechtbank verzocht voortgezette handeling aan te nemen met betrekking tot feit 1 en feit 2.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende, gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt.

De rechtbank is in onderhavige zaak van oordeel dat de feiten 1 en 2 wezenlijk verschillende verwijten opleveren, omdat er sprake is van in aard verschillende feiten die niet zijn ontstaan vanuit 1 ongeoorloofd wilsbesluit.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de straf(maat) houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten door de verdachte zijn begaan. De rechtbank houdt ten slotte rekening met de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Gevangenisstraf

De ernst van de feiten rechtvaardigt zonder meer het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft in strafverzwarende zin meegewogen dat het slachtoffer een 12-jarig, kwetsbaar meisje betrof dat in goed vertrouwen met de verdachte had afgesproken op een plek dicht bij haar woning. Zij is hier vervolgens verkracht, met voor haar mogelijk (langdurige) psychische gevolgen. Ook acht de rechtbank het strafverzwarend dat de verdachte een 12-jarig meisje heeft ontmaagd en haar heeft blootgesteld aan het risico op soa’s en op een ongewenste zwangerschap. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Dit is een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank in strafmatigende zin rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hierbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte een jongvolwassene met een belast verleden is. Daarnaast heeft de rechtbank (ook) gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het opleggen van een fors voorwaardelijk strafdeel met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte de benodigde begeleiding en (mogelijk) behandeling krijgt en is van oordeel dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden hiertoe noodzakelijk zijn.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel (artikel 38v Wetboek van Strafrecht). Er is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de vereisten voor oplegging van deze maatregel (ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten). Daarnaast bieden de bijzondere voorwaarden in dit geval voldoende mogelijkheden om het contact- en locatieverbod vorm te geven.

De voorlopige hechtenis

Het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis wordt afgewezen. De ernstige bezwaren en gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, zijn ook nu nog aanwezig. Het geval van artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering doet zich, gelet op de gebruikelijke straffen voor feiten als ten laste gelegd, (nog) niet voor.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. Gelet op de 12-jaarsgrond en de geschokte rechtsorde dient sprake te zijn van zeer zwaarwegende persoonlijke omstandigheden om een schorsing van de voorlopige hechtenis te kunnen rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Het strafvorderlijk belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis weegt thans dan ook

nog zwaarder dan de belangen van de verdachte bij schorsing daarvan.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

Volgens een ‘Beslaglijst’ van 28 april 2026 is beslag gelegd op een mobiele telefoon (Pixel 7 pro) (goednummer 867629).

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen telefoon verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen telefoon moet worden teruggegeven aan de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de in beslag genomen telefoon verbeurdverklaren. Met behulp van dit voorwerp zijn de bewezen feiten begaan.

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , bijgestaan door haar advocaat mr. E.T.I. Beusen, heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 26.357,87. Dit bedrag bestaat uit € 20.357,87 aan materiële schade en € 6.000, - aan immateriële schade, ten gevolge van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De gestelde materiële schade van € 20.357,87 is opgebouwd uit de volgende posten:

€ 44,06 aan kosten voor het vervangen van kleding (broek en vest);

€ 18.625, - aan kosten in verband met studievertraging;

€ 13,01 aan gemaakte parkeerkosten ten behoeve van het Forensisch Medisch Onderzoek (FMO);

€ 2,40 aan gemaakte parkeerkosten ten behoeve van het studioverhoor bij de politie;

€ 673,40 aan reiskosten in verband met bezoeken aan Fornhese jeugdpsychiatrie, het Centrum Seksueel Geweld, het ziekenhuis, de politie, het Openbaar Ministerie en de rechtbank;

€ 1.000, - aan toekomstige reiskosten. Verzocht is de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk te verklaren.

De benadeelde partij heeft verzocht voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de strafbare feiten, te weten 17 augustus 2025, en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan de vordering van de benadeelde partij geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verzocht is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft, vanwege de verzochte (gedeeltelijke) vrijspraak van dwang (feit 1), ten aanzien van de gevorderde immateriële schade bepleit het toe te wijzen bedrag in aanzienlijke mate te matigen. Om dezelfde reden moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering ten aanzien van de materiële schadeposten ‘benodigde hulp’ en ‘studievertraging’. Subsidiair is verzocht de toe te wijzen bedragen te matigen. Daarbij is van belang dat er voor de feiten al sprake was van trauma’s, depressie en problemen bij het slachtoffer.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Ten aanzien van de schadeposten ‘kosten voor het vervangen van kleding (broek en vest)’ en ‘parkeerkosten’ overweegt de rechtbank dat deze posten voor vergoeding in aanmerking komen. De schade is veroorzaakt door het handelen van de verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van deze schadebedragen voldoende onderbouwd en de verdediging heeft de schade niet weersproken. De door de benadeelde partij gevorderde bedragen van € 44,06 (kleding) en € 15,41 (parkeerkosten FMO en studioverhoor) zullen daarom worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de door de benadeelde partij overgelegde stukken, waaronder de verklaring van de directeur van haar school, een causaal verband tussen de bewezen feiten en de door de benadeelde partij gestelde studievertraging voldoende is komen vast te staan. Uit voornoemde brief volgt dat de situatie van de benadeelde partij in de loop van het schooljaar (na het incident) steeds verder is verslechterd, waarna de school de schoolarts heeft ingeschakeld en de ouders van de benadeelde partij de GGZ. De school constateert dat het onderhavige incident van grote invloed is geweest op het functioneren van de benadeelde partij op school, zodanig dat zij niet meer tot leren komt en zorg voorliggend is. Voor de bepaling van de omvang van de schade heeft de benadeelde partij aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Hieruit volgt dat, in het geval van één jaar studievertraging op het vmbo en lbo, een bedrag van € 18.625, - geïndiceerd is. Omdat in het onderhavige geval sprake is van één jaar studievertraging, zal de rechtbank de gevorderde kosten van € 18.625, - toewijzen.

De rechtbank stelt vast dat de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten naar de advocaat, het gesprek met de officier van justitie en voor het bijwonen van de zitting, geen materiële schade betreffen maar als proceskosten moeten worden aangemerkt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023 biedt het wettelijk stelsel in het kader van een proceskostenveroordeling geen ruimte voor de vergoeding van reiskosten van de benadeelde partijen als zij, zoals in dit geval aan de orde is, met een gemachtigde procederen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van haar vordering (€ 140,20) niet-ontvankelijk verklaren (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2025). Ten aanzien van de overige gevorderde bedragen aan reiskosten (bezoeken aan het Centrum Seksueel Geweld, het ziekenhuis en Forenhese jeugdpsychiatrie) overweegt de rechtbank dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van de verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van deze schadebedragen voldoende onderbouwd en de verdediging heeft de schade niet weersproken. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 533,20.

De rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige reiskosten geldt dat onvoldoende vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. Daarvoor zou een nadere onderbouwing vereist zijn en zou de zaak moeten worden aangehouden. Dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal dit deel van de vordering (€ 1.000, -) daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De benadeelde partij is het slachtoffer van verkrachting (met dwang) en grooming op zeer jonge leeftijd met voor haar ernstige gevolgen, zoals hiervoor omschreven bij de straf(maat)overweging. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden ten gevolge van de bewezen feiten. Er is sprake van een causaal verband tussen de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte en de gestelde immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat met de door verdachte gepleegde feiten een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waardoor zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank ziet, mede gelet op schadevergoedingen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden toegewezen geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen en zal het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 6.000, - in zijn geheel toewijzen.

Al met al betekent dit dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade tot een totaalbedrag van € 25.217,67 zal toewijzen. Het toegewezen bedrag aan materiële schade (€ 19.217,67) zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 (datum van de zitting) tot de dag van volledige betaling. Het toegewezen bedrag aan immateriële schade (€ 6.000, -) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2025 (pleegdatum).

Rekening met BEM-clausule

Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.

Veroordeling in de kosten

De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het (als vergoeding voor immateriële en materiële schade samen toe te wijzen) bedrag van € 19.217,67, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 (materiële schade) en 17 augustus 2025 (immateriële schade), tot de dag van volledige betaling. Als door de verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 121 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 248 en 251 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

en welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
terwijl die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen verdachte heeft gezegd het niet te willen en/of'stop' en/of'laat mijn broek aan';

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte (gedurende de proeftijd):

* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De verdachte volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waarvoor de verdachte zich in zal zetten deze te behalen;

* zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling richt zich op diagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling. De behandeling start na aanmelding en zodra er plek is. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of een opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het creëren van een stabiele basis en beschermende factoren;

* meewerkt aan ambulante begeleiding door CareForward of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] );

* zich niet bevindt in de gemeente [gemeente] ;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. De politie zal toezicht houden op de naleving van het contact- en locatieverbod;

beslag (feiten 1 en 2)

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

 mobiele telefoon (Pixel 7 pro) (goednummer 867629);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 25.217,67, bestaande uit een vergoeding van € 19.217,67 aan materiele schade en € 6.000 aan immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 19.217,26 (materiele schade) met ingang van 1 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;

- over een bedrag van € 6.000, - (immateriële schade) met ingang van 17 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde aan materiele schade (€ 1.140,20) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor wat betreft de toekomstige reiskosten (€ 1.000, -) kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 25.217,67 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 19.217,26 (materiele schade) met ingang van 1 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;

- over een bedrag van € 6.000, - (immateriële schade) met ingang van 17 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;

- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 121 dagen gijzeling;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mrs. S.M. van Meer en A. Scheper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Swifterbant, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012,

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het op de mond kussen van die [slachtoffer] en/of

- het in de hals kussen van die [slachtoffer] en/of

- het brengen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer]

- misbruik te maken van zijn emotionele overwicht (gelet op verdachtes leeftijd en/of de minderjarige leeftijd van die [slachtoffer] ) en/of

- de broek van die [slachtoffer] naar beneden te trekken en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) om te draaien en/of (vervolgens) op haar onderrug te duwen en/of (aldus) in voorovergebogen positie te brengen en/of houden en/of

- die [slachtoffer] om haar middel en/of bij haar heupen vast te houden en/of

- op de billen/het lichaam van die [slachtoffer] te ejaculeren

2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2025 tot en met 17 augustus 2025 te Swifterbant, althans in Nederland, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, een ontmoeting heeft voorgesteld voor seksuele doeleinden en enige handeling heeft ondernomen tot het verwezenlijken van die ontmoeting, door

- via Snapchat contact te zoeken/leggen met voornoemde [slachtoffer] en/of

- een of meer foto's van zijn, verdachtes, ontblote onderlichaam/penis aan die [slachtoffer] te sturen en/of

- die [slachtoffer] te vragen een of meerdere foto('s) en/of video('s) van haar ontblote lichaam aan hem, verdachte, te sturen en/of

- tegen die [slachtoffer] te zeggen/appen dat ze mooi en/of slim en/of sexy en/of lekker is en/of een mooie stem heeft en/of

- tegen die [slachtoffer] te zeggen/appen dat hij van haar houdt en/of dat hij dol op haar is en/of aan die [slachtoffer] te vragen of ze van hem, verdachte, houdt en/of

- met die [slachtoffer] af te spreken om elkaar op zondag 17 augustus 2025 om 12:00 uur te ontmoeten en/of

- ten aanzien van die afspraak/ontmoeting tegen die [slachtoffer] te zeggen/appen "ik wil je echt nat maken" en/of "ik ga je billen kussen" en/of "dan ik ga je echt fk geil maken" en/of "en je gaat zeggen bby neuk mij" en/of "ik wil het ech in je kut zondag bby" en/of "mag ik in je ass neuken?" en/of "je mag mijm lui ook zuigen" en/of "ik wil je nakt in mijn schoot zitten zondag" en/of "en jou hard en lang knuffelen" en/of "ik wil de hoofd van mijn lui op je asshol doen je gaat het lekker warm vinden" en/of "ik kom gwn van achter" en/of "en je kan ook mijn lui met je hand vasthouden" en/of "we gaan veel proberen" en/of "ik laat je geen pijn voelen" en/of "en ik heb zin in je te likken" en/of "miss ook klein kusjes op je kut" en/of "maar je moet mij ook geil maken" en/of "bby plz kunnen wij neuken voor 5mn. Dan?" en/of "isg bby ik leer je alles" en/of "hoe kan je ook een man geil maken" en/of "en hoe kan je hem snel laten klaarkomen", althans seksueel getinte berichten aan die [slachtoffer] te sturen en/of

- (vervolgens) op zondag 17 augustus 2025 met het openbaar vervoer naar de (via Snapchat gedeelde) locatie van die [slachtoffer] te reizen en/of die [slachtoffer] te informeren over de voortgang van zijn reis (naar Swifterbant) en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (aldaar) te ontmoeten.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De verdachte heeft op de zitting van 1 mei 2026 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 17 augustus 2025 in Swifterbant seksuele handelingen verricht met [slachtoffer] , die bestonden uit het op haar mond en in haar hals kussen en het brengen van mijn penis en vinger(s) tussen haar schaamlippen en in haar vagina.

Ik heb tussen 15 augustus 2025 en 17 augustus 2025 met de applicatie Snapchat (accountnaam ‘ [accountnaam 1] ’ ) berichten gestuurd naar het slachtoffer (accountnaam ‘ [accountnaam 2] ’ ).

De verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] die tijdens het studioverhoor op 21 augustus 2025 onder meer heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

0: Wij hebben berichten gevonden dat je met een jongen aan het chatten was, vlak voordat het gebeurd was.

0: Ik had met iemand afgesproken. Maar hij ging iets verder dan ik wou.

O: Hij zei de hele tijd dat hij mij wilde zoenen. Omdat ik een selfie had gestuurd. Dus hij wou afspreken.

O: Dus ik dacht oké, er gebeurt vast niets. Dus het kon zondag wel. Dus hij wilde rare dingen doen. Hij zei dat hij wilde seks hebben. Ik zei dat ik dat niet wou. Maar toch gebeurde het.

V: Wanneer zei jij dat?

O: Tijdens het appen en ook toen we hadden afgesproken.

V: Wat wilde jij niet?

G: Hij deed zijn geslachtsdeel in mij.

O: Op welk moment dat jullie bij elkaar waren zei je dat hij niet wou?

G: Toen hij zei dat we de bosjes in moesten. Ik zei dat ik dat niet wou.

V: Wat deed hij toen?

G: Hij deed het toch. Begon met zoenen en trok mij naar beneden en toen gebeurde het. Ik probeerde weg te komen. Hij deed zijn hand op mijn rug en ik bevroor omdat ik niet wist wat ik moest doen.

V: Wat deed hij daarna?

A: Hij zoende en zoende mij weer. Uiteindelijk liet hij mij los toen hij er klaar mee was. En toen rende ik snel weg.

V: Kon hij merken dat jij niet wou?

G: Ik heb wel gezegd dat ik niet wou.

V: Mijn collega had verteld dat: "Je een stam vast pakte".

G: Anders viel ik om. Dus ik moest mij vasthouden. Hij duwde mij naar beneden dus ik moest mij vasthouden. Daarna zei hij nog dat ik normaal moest zijn en het niet moest laten merken en niet mocht vertellen.

V: Waarom zei hij dat je niet mocht vertellen

G: Dat hij wist dat hij dan in de problemen zou komen.

V: Wist hij hoe oud je was?

G: Ik had via snap gezegd dat ik 12 was.

V: Wat wilde jij dan?

G: Een kusje was wel prima.

V: Dus jij wilde wel een kusje?

G: Dan kreeg hij lekker zijn zin en dan was het klaar.

V: Moest hij zin krijgen?

G: Hij zeurde de hele tijd dat hij het wou.

V: Wat zeurde hij dan?

O: Zoenen en dus seks.

V: Je zei dat hij bleef aandringen. Waar drong hij dan op aan?

G: Seks.

O: Dus hij wilde seks. Wat voor seks wilde hij?

G: Daar heeft hij niet per se iets over gezegd. Hij deed het gewoon.

V: Aan welke dingen kan hij gemerkt hebben dat jij niet wou?

G: Ik zei: "Laat mijn broek aan", ik zei: "Stop". En dat deed hij niet.

V: Vertel eens hoe dat dan ging?

G: We gingen het bos is. Hij zoende mij meteen. Daarna draaide hij mij om en zorgde hij dat ik gebogen stond. En daarna gebeurde het hele gebeuren. Daarna draaide hij mij en zoende mij op mijn mond. Daarna draaide hij mij weer om en deed het nog een keer. Daarna draaide hij mij weer om en zoende hij mij. En toen kon ik wegrennen.

De verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] die tijdens het informatief gesprek zeden op 17 augustus 2025 onder meer heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

Ze vertelde dat er allemaal spul uit zijn pik kwam, dat hij op haar kont was klaargekomen en het van haar kont haalde.

De verklaring van de aangeefster [aangeefster] namens [slachtoffer] die in haar aangifte op 18 augustus 2025 onder meer heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

Plaats delict: Swifterbant.

V: Namens wie doe je deze aangifte?

A: Namens mijn dochter, [slachtoffer] . Zij is geboren op [geboortedatum] 2012.

V: Tegen wie doe je aangifte?

A: Tegen de man die mijn dochter verkracht heeft.

V: Wanneer is dat gebeurd?

A: 17 augustus 2025.

V: Hoe ben je te weten gekomen wat er met [slachtoffer] gebeurd zou zijn?

A: Mijn man vertelde dat hij een telefoontje van zijn dochter [getuige]

had gekregen. [getuige] heeft een appje gekregen van [slachtoffer] dat ze zojuist verkracht is in

het bos.

V: Hoe reageerden [slachtoffer] op de vragen die je stelde?

A: Ze was aan het huilen. Ze klampte zich echt hard aan mij vast en ze zei dat ze het zo eng vond.

De verklaring van getuige [getuige] die in haar verklaring op 18 augustus 2025 onder meer heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

V: Wat heb jij precies voor bericht gehad?

A: Dat was via Snapchat. Ik heb het bericht in mijn notities gezet. In dit bericht staat letterlijk: “hij zoende me en ik probeerde weg te komen en hij deed m’n broek uit en ik zat helemaal te stressen en hij verkacte me En uiteindelijk stopte hij en hij zei ik ben niet in je gekomen en ik rende heel snel weg Ik durf het niet tegen papa en mama te vertellen."

Het proces-verbaal van bevindingen (met bijbehorende bijlage) waarin onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende is gerelateerd:

Op 19-08-2025 heb ik naar de inhoud gekeken van de mobiele telefoon van het slachtoffer. Ik heb mij gericht op de datum van het incident 17-08-2025. Ik zag een chat tussen het slachtoffer en ene [accountnaam 1] op de applicatie Snapchat. Ik zag dat [slachtoffer] en deze [accountnaam 1] op de dag een seksafspraak hadden. Het complete gesprek betreffen meer dan 774 berichten. Ik heb een complete extractie gemaakt hiervan en bijgevoegd als bijlage.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand