ECLI:NL:RBMNE:2026:2455

ECLI:NL:RBMNE:2026:2455

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 16.219907.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Vrijspraak zware mishandeling, veroordeling poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. Verminderd toerekeningsvatbaar. GS 3 maanden, met aftrek. Vanwege lange duur voorarrest ziet de rechtbank geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en toezicht daarop. Oplegging Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) ter bescherming van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen i.v.m. hoog risico op gewelddadig gedrag zonder kader of toezicht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.219907.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 mei 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1971] in [geboorteplaats] ,

laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in de [verblijfplaats] .

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

Tenlastelegging

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 4 mei 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

op 25 juni 2025 te Utrecht [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door die [slachtoffer] tegen een muur te duwen, op de grond te duwen, op haar te zitten, in haar buik te schoppen, tegen haar hoofd te slaan en te schoppen (primair), dan wel op die datum en in die plaats heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair).

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

2. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Zij vraagt de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit. De raadsvrouw voert geen verweer tegen het subsidiair ten laste gelegde bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak primair ten laste gelegde zware mishandeling

De rechtbank oordeelt dat de primair ten laste gelegde zware mishandeling niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Bewijsmiddelen subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling

De verdachte bekent dat hij het feit, namelijk de poging tot zware mishandeling, heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

De gebruikte bewijsstukken:

De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 4 mei 2026;

Proces-verbaal van de politie van 25 juli 2025, inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

subsidiair

op 25 juli 2025, te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen

- die [slachtoffer] tegen een muur heeft geduwd en

- die [slachtoffer] op de grond heeft gegooid en (vervolgens) op haar heeft gezeten en

- tegen de buik van die [slachtoffer] heeft geschopt en

- tegen het hoofd en het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 420 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, aangevuld met het vinden en behouden van dagbesteding.

De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank een op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vraag zij aandacht voor zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder dat de verdachte zich realiseert dat hij hulp nodig heeft.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door aangeefster in haar buik te trappen, meermaals met gebalde vuist tegen haar hoofd te slaan, haar op de grond te gooien en haar vervolgens tegen haar hoofd te trappen terwijl zij op de grond lag. Aangeefster heeft hierbij letsel aan haar tanden opgelopen. De aanval kwam volgens aangeefster uit het niets, terwijl zij op een bankje in Hoog Catharijne zat te wachten om te gaan werken. De verdachte heeft door zo te handelen, volkomen onnodig, een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Wat er is gebeurd, moet voor aangeefster een angstige ervaring zijn geweest en heeft veel pijn, letsel en psychisch leed veroorzaakt. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Ook één van de getuigen vertelt de politie over haar verbazing dat aangeefster na de mishandeling nog op haar benen kon staan. Dat de gevolgen niet veel ernstiger waren, is geenszins aan de verdachte te danken. Daarnaast heeft het geweld zich op klaarlichte dag in Hoog Catharijne afgespeeld. Een openbare ruimte, waar op dat moment personen aanwezig waren, die ongewild getuige zijn geweest van het handelen van de verdachte. Dergelijke geweldsfeiten veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten waarbij de integriteit van de lichamen van anderen zijn geschonden.

Rapportages

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 22 januari 2026, opgesteld door E.J.M. van Dienst, psychiater, het Pro Justitia rapport van 21 januari 2026 opgesteld door M.G.H. van Willigenburg, psycholoog, het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 17 maart 2026 en de brief van geneesheer-directeur E.W. Beijaert van 28 april 2026 met in de bijlage daarvan een medische verklaring.

Rapportage van de psychiater

De verdachte lijdt aan schizofrenie, waarbij sprake is van een actuele psychotische ontregeling. De schizofrene stoornis leidt bij de verdachte tot psychotische episoden met grootheidswanen en cognitieve functiestoornissen met ernstige beperkingen op het gebied van sociaal-emotioneel functioneren. Dit uit zich in een verstoorde emotie- en agressieregulatie, impulscontrole en realiteitstoetsing, waarbij de verdachte verminderd in staat is de belangen van anderen in te schatten door een afwezig inzicht, empathie en sturend geweten.

De verdachte heeft weinig ziektebesef en is ambivalent over het innemen van medicatie. Ten tijde van het bewezen verklaarde feit werd de verdachte niet behandeld voor zijn schizofrenie en gebruikte hij ook geen anti-psychotische medicatie. De verdachte is jarenlang (in het kader van een eerder opgelegde maatregel tot terbeschikkingstelling, hierna: tbs) klinisch behandeld en daaruit is gebleken dat wanneer de verdachte geen of onvoldoende anti-psychotische medicatie gebruikt, de psychotische symptomen, inclusief de antisociale trekken, toenemen. Mede vanwege de psychotische ontregeling heeft de rapporteur geen goed zicht verkregen op de persoonlijkheid van de verdachte. Dat geldt ook voor het middelen gebruik. De deskundige merkt op dat het klinisch beeld in de loop van de detentie in deze zaak sterk is verbeterd en dat de verdachte inmiddels op vrijwillige basis anti-psychotische medicatie gebruikt.

De deskundige komt tot de conclusie dat er ten tijde van het bewezen verklaarde sprake was van een doorwerking vanuit de schizofrenie stoornis. Wegens het ontbreken van volledige informatie over het klinische beeld van de verdachte kan de rapporteur niet vaststellen in welke mate de stoornis heeft doorgewerkt en in hoeverre de keuzevrijheid daardoor werd beperkt. De deskundige adviseert het feit daarom ten minste verminderd toe te rekenen.

Het risico op herhaling van gewelddadig gedrag wordt ingeschat als matig tot matig-hoog. De deskundige adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden en een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM). Daarnaast adviseert de deskundige om de mogelijkheden voor een zorgmachtiging via de schakelbepaling van artikel 2:3 Wet Forensische Zorg (Wfz) te laten onderzoeken, waarbij deze zorgmachtiging tegelijkertijd met de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke straf loopt. De verdachte zal aansluitend op zijn detentie en een psychiatrische kliniek moeten worden opgenomen. De behandeling vindt plaats binnen een reguliere GGZ-afdeling, forensische afdeling (FPA), -kliniek (FPK) of -centrum (FPC). Na de klinische behandeling zal een ambulante behandeling moeten volgen. Medicamenteuze behandeling is noodzakelijk voor de behandeling van de stoornis van de verdachte. Wanneer de verdachte dit in een voorwaardelijk kader zou weigeren kan dit middels een zorgmachtiging worden bewerkstelligd. Het ontbreken van een vaste woon- en verblijfplaats, dagbesteding en de bestaande financiële problemen zullen volgens de deskundige eveneens moeten worden aangepakt in het kader van de bijzondere voorwaarden. Hetzelfde geldt voor het middelengebruik van de verdachte.

Rapportage van de psycholoog

Er is sprake van een schizoaffectieve stoornis. Dit betreft een stoornis in het psychotisch spectrum met een stemmingscomponent (zoals een depressieve of manische episode). Daarnaast is een lichte stoornis in het gebruik van cocaïne vastgesteld. Aangezien de verdachte voorafgaand aan het bewezen verklaarde, vlak na de aanhouding en de periode daarna veel tekenen vertoonde van een manisch psychotisch toestandsbeeld wordt verondersteld dat dit toestandsbeeld ook tijdens het bewezen verklaarde aanwezig was. Geadviseerd wordt het bewezen verklaarde in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Verder wordt het risico op herhaling ingeschat als tenminste matig tot mogelijk hoog, waarbij de aanwezigheid van psychotische symptomatologie als grootste risicofactor wordt gezien. Ook een zwervend bestaan zonder stabiliteit en structuur is een uitlokkende factor. De deskundige merkt op dat een precieze inschatting van het recidiverisico niet kan worden gemaakt vanwege het ontbreken van informatie over risicofactoren en beschermende factoren in de voorgaande 8 jaar.

De psycholoog vindt het noodzakelijk dat de verdachte wordt opgenomen op een psychiatrische afdeling waarbij medicamenteuze behandeling kan worden voortgezet, er structuur en regelmaat aanwezig is, er gemonitord kan worden op abstinentie van middelen, en er toegewerkt kan worden naar resocialisatie middels beschermd wonen en arbeid/dagbesteding en opbouw van een behandelrelatie met een (forensisch) FACT-team. Geadviseerd wordt om een klinische opname als bijzondere voorwaarde op te leggen en een zorgmachtiging te onderzoeken. Daarnaast geeft de rapporteur in overweging om een GVM op te leggen, zodat ook na het aflopen van de bijzondere voorwaarden nog een juridisch kader mogelijk is.

Rapportage van de reclassering

De reclassering ziet een verhoogd risico op de leefgebieden ‘psychosociaal functioneren’ en mogelijk ‘middelengebruik’. Beschermende factoren ontbreken. De verdachte leeft een marginaal bestaan. Hij leeft sinds zijn zeventiende grotendeels op straat, afgewisseld met periodes van verblijf binnen de maatschappelijke opvang, psychiatrische klinieken en penitentiaire inrichtingen. Na afloop van de tbs-maatregel in 2017 heeft hij in verschillende Europese landen verbleven en is er geen hulpverlening betrokken geweest. De inzet van interventies wordt door de reclassering als noodzakelijk gezien waarbij de nadruk moet liggen op effectieve medicamenteuze behandeling. Dergelijke behandeling zal het risico op recidive verlagen en zorgen voor stabilisatie in de leefomstandigheden en het ziektebeeld.

De reclassering heeft de verdachte aangemeld voor een klinische opname en wacht op toestemming van GGZ [locatie] . Vanuit de klinische opname kan de verdachte uitstromen naar een beschermde of begeleide woonvorm met ambulante behandeling. Net als de psychiater geeft de reclassering in overweging een zorgmachtiging, gericht op medicatie inname, te onderzoeken. De reclassering kan het risico op recidive en letsel onvoldoende onderbouwd inschatten. Het risico op onttrekking wordt ingeschat als gemiddeld.

Er wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijk kortdurende klinische opname, begeleid wonen, een contactverbod met aangeefster en beheersing van middelengebruik. Daarnaast wordt geadviseerd om de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Vlak voor de terechtzitting van 4 mei 2026 heeft de FPK [naam] aan het Openbaar Ministerie laten weten dat de verdachte niet is aangenomen. De Directie Individuele Zaken van het ministerie van Justitie en Veiligheid zal het proces opnieuw moeten opstarten en op zoek moeten gaan naar een nieuwe kliniek.

Brief van de Geneesheer-directeur

Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van een brief van 28 april 2026 van E.W. Beijaert, Geneesheer Directeur. Hij acht een zorgmachtiging niet geïndiceerd, omdat de verdachte bereid is tot het accepteren van behandeling en medicatie. Behandeling kan daarom gewaarborgd worden door een voorwaardelijk strafdeel binnen een voorwaardelijke veroordeling.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor een zware mishandeling is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden het uitgangspunt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt een poging tot zware mishandeling. Bij een poging gaat er in beginsel een derde af van de uiteindelijke straf. Dat de poging tot zware mishandeling heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag, in een openbare ruimte en heeft geleid tot letsel weegt de rechtbank strafverzwarend mee. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het advies van de psychiater en psycholoog de verdachte ten minste verminderd toerekeningsvatbaar te achten . De rechtbank neemt deze adviezen over acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en zal die aan de verdachte opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Dat betekent dat de verdachte tot het moment dat de voorlopige hechtenis werd opgeheven hij langer in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dan aan gevangenisstraf is opgelegd. Ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarde is er daarom naar oordeel van de rechtbank niet meer. Dit betekent dat de verdachte niet de noodzakelijke geachte hulpverlening en toezicht daarop kan worden opgelegd.

Afgifte van een zorgmachtiging is niet gevorderd. De rechtbank acht een ambtshalve afgifte van een zorgmachtiging ook niet geïndiceerd. Uit artikel 2:1 lid 1 van de Wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg (WvGGz) volgt immers dat verplichte zorg in het kader van een zorgmachtiging alleen kan worden overwogen, als er geen mogelijkheden (meer) zijn voor vrijwillige zorg. Uit de brief van de Geneesheer-Directeur, de bijgevoegde medische verklaring en het onderzoek ter terechtzitting blijkt echter dat de verdachte bereid is medicatie te nemen en behandeld wil worden.

Gelet op de voornoemde adviezen, vindt de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte (aanvullend) wordt behandeld en langdurig onder toezicht wordt gesteld, om herhaling van soortgelijke feiten in de toekomst te voorkomen. Er is bij de verdachte sprake van ernstige stoornissen die doorwerking hebben gehad in het delictgedrag. Gelet op de duur van het reeds ondergane voorarrest kan behandeling en/of toezicht niet plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel; in dat geval zou de rechtbank – rekening houdend met aftrek van voorarrest – aan de verdachte een (voorwaardelijke) straf moeten opleggen die het gebruikelijke in dergelijke omstandigheden ver te boven gaat.

De rechtbank maakt zich zorgen op het moment dat de verdachte zonder enig kader of toezicht op straat komt te staan. De deskundigen hebben in de adviezen duidelijk gemotiveerd dat het risico op gewelddadig gedrag in het geval van de verdachte bij het wegvallen van structuur hoog is. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om aan de verdachte een GVM op te leggen ter bescherming van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. Aan de wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt immers veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam en waar meer dan vier jaar gevangenisstraf op staat.

De voorlopige hechtenis

Aangezien de verdachte niet wordt veroordeeld tot een straf of maatregel die langere vrijheidsbeneming met zich brengt dan de duur die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, heeft de rechtbank op 4 mei 2026 het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

5. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 8.714,13, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.214.13 aan materiele schade en € 7.500,- immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiele schade geheel kan worden toegewezen en de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt het gevorderde bedrag aan immateriële schade toe te tot een bedrag van € 1250,-

Oordeel van de rechtbank

Vordering

De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse

schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

Uit de vordering en de toelichting daarop blijkt dat de benadeelde partij is behandeld voor loszittende tanden en een breuk in de onderkaak. Zij heeft hiervoor een spalk gekregen en heeft daardoor meerdere weken enkel vloeibaar voedsel tot zich kunnen nemen.

De Rotterdamse schaal bevat een richtlijn voor beschadiging van tanden. Daarbij is toegelicht dat doorgaans een reeks behandelingen heeft plaatsgevonden. de hoogte van het bedrag hangt vooral af van de duur daarvan en het veroorzaakte ongemak, zoals problemen met eten. De letselcategorieën gaan uit van verlies of ernstige beschadiging van tanden. Daarvan is in het geval van de benadeelde partij geen sprake. Wel is sprake geweest van behandeling en ongemak als gevolg van beschadiging van meerdere voortanden. De rechtbank zoekt, met voornoemde omstandigheden in het achterhoofd, aansluiting bij het laagste bedrag van categorie III, en oordeelt dat een vergoeding van € 3.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Wettelijke rente

Met betrekking tot de materiële schade merkt de rechtbank op dat de gevorderde schadeposten op verschillende momenten zijn ontstaan. Als de ingangsdatum van de wettelijke rente over deze schadeposten kiest de rechtbank de datum van de laatste factuur, te weten 20 oktober 2025. De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum

De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan. De wettelijke rente loopt door tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 4.214,13 aan de Staat moet betalen.

De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 42 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Proceskosten

De rechtbank zal de verdachte ook veroordelen in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

6. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- Artikelen 36f, 38z, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

7. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 3.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar;

straf en maatregel

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 4.214,13;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:

- over een bedrag van €1.214,13 met ingang van 20 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;

- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 25 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 4.214,13;

- over een bedrag van €1.214,13 met ingang van 20 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;

- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 25 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mrs. L.M.M. Heppe en L.R.H. Koekoek, rechters, in tegenwoordigheid van D.R. Kroonbergs, griffier. en is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Utrecht aan een ander, te weten M.P. Tovar

Guerrero opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebitsletsel, heeft

toegebracht, door een of meermalen

- die [slachtoffer] tegen een muur te duwen en/of

- die [slachtoffer] op de grond te duwen/gooien en/of (vervolgens) met zijn

lichaam op haar te zitten/leunen en/of

- in/tegen de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te schoppen en/of

- op/tegen het hoofd en/of het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer]

te slaan en/of schoppen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen

- die [slachtoffer] tegen een muur heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer] op de grond heeft geduwd/gegooid en/of (vervolgens) op haar

heeft gezeten/geleund en/of

- in/tegen de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft geschopt

en/of

- op/tegen het hoofd en/of het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer]

heeft geslagen en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand