RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] (Curaçao), eiseres,
het College voor Toetsen en Examens, verweerder.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6796
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 15 oktober 2025.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Eiseres heeft op 19 augustus 2025 en 2 september 2025 aan verweerder verzocht om een herbeoordeling van de examens die zij heeft afgelegd op 11 juli 2025 (CSE Nederlands Havo) en 30 augustus 2025 (CSE Wiskunde A Havo). Zij heeft twijfels over de manier waarop de beoordelingen tot stand zijn gekomen en op de uitkomst van de beoordelingen. Verweerder heeft het verzoek aangemerkt als bezwaar, maar volgens verweerder zijn dit geen besluiten waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard.
3. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder het verzoek terecht heeft aangemerkt als bezwaar en of hij het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank vindt van wel.
De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat verweerder haar verzoek ten onrechte opgevat als een bezwaar. Eiseres vraagt in haar berichten van 19 augustus 2025 en 2 september 2025 om een herbeoordeling. Daarmee maakt zij kenbaar dat zij het niet eens is met de cijfers die zij heeft gekregen en dat zij wil dat verweerder bekijkt of die cijfers terecht zijn gegeven. Daarmee maakt zij in juridische zin bezwaar tegen de besluiten waarmee verweerder de beoordelingen heeft vastgesteld. Voor zover eiseres niet beoogde bezwaar te maken, maar bedoelde dat zij een soort second opinion wilde van de door haar afgelegde examens door een andere examinator, overweegt de rechtbank dat zij zich hiervoor tot verweerder had moeten wenden en niet tot de rechtbank.
De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiseres dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei wijze is getoetst, kan namelijk geen bezwaar worden gemaakt. Dit volgt uit artikel 8:4, derde lid, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb. Als toch bezwaar wordt gemaakt, moet het bestuursorgaan dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank wijst hiervoor op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 oktober 2018, ECLI:NL:2018:3428, en van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6351. Daaruit volgt ook dat er geen ruimte is om de beoordelingen te toetsen aan procedurele eisen.
Het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van een besluit waartegen eiseres bezwaar kon maken, is dus juist. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder mocht ook afzien van het horen, omdat er geen twijfel over bestaat dat het bezwaar in lijn met vaste rechtspraak niet-ontvankelijk is.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft en dat het besluit op bezwaar in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. van Grootel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: