ECLI:NL:RBMNE:2026:2708

ECLI:NL:RBMNE:2026:2708

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer C/16/610997 / KL ZA 26-123
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Eiseres vordert toelating tot de examens na ontzegging door de school. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd, omdat de weg naar de bestuursrechter openstaat. Artikel 8:4 lid 3 onder b Awb is niet van toepassing.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/610997 / KL ZA 26-123

Vonnis in kort geding van 8 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. S.M. Jurg-Smith,

tegen

DE STICHTING ALMEERSE SCHOLEN GROEP,

te Almere,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ASG,

gemachtigden: D. van der Vegte-Okkes, M. de Roon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 mei 2026 met 8 producties,

- de conclusie van antwoord van 3 mei 2026 met 5 producties,- de mondelinge behandeling van 4 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

Tijdens de mondelinge behandeling is in samenspraak met partijen besloten de zaak aan te houden tot de beslissing van de ASG Commissie van beroep voor de examens VO (hierna: de Commissie van beroep) op het beroep van [eiser] tegen het nader te noemen besluit van 31 maart 2026. Op 7 mei 2026 heeft [eiser] de voorzieningenrechter laten weten dat de Commissie van beroep het beroep ongegrond verklaard heeft. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil in het kort

[eiser] zit in haar examenjaar vwo op de [school] te Almere (hierna: de school). De school valt onder ASG. Bij de nabespreking van twee schoolexamens van [eiser] (de toetsen wiskunde en natuurkunde) heeft de school door [eiser] gepleegde onregelmatigheden geconstateerd. Om die reden heeft de directeur van de school op 31 maart 2026 besloten [eiser] de deelname aan de resterende schoolexamens (SE’s) en de centraal examens (CE’s) voor het schooljaar 2025-2026 te ontzeggen (hierna: het besluit). Tegen dit besluit heeft [eiser] bezwaar gemaakt. De Commissie van klachten en beroep [school] heeft het besluit in stand gelaten. [eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld bij de Commissie van beroep.

In dit kort geding vordert [eiser] toelating tot de SE’s en CE’s. Aanvankelijk was de grondslag van haar vordering vooral dat het redelijkerwijs te verwachten was dat de Commissie van beroep geen uitspraak zou kunnen doen vóór aanvang van de CE’s op maandag 11 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 mei 2026 is evenwel gebleken dat de Commissie van beroep op 6 mei 2026, en dus vóór de start van de CE’s, uitspraak zou doen. Dat gegeven was voor [eiser] aanleiding te benadrukken dat haar vordering ook een zelfstandig karakter heeft. Indien de Commissie van beroep zou besluiten dat haar beroep ongegrond is, dan handhaaft zij haar vorderingen. In die zin heeft zij haar vorderingen tevens en vooral gebaseerd op de ongeldigheid van het besluit. Dit betekent dat [eiser] bij een voor haar negatieve beslissing van de Commissie van beroep, de rechtmatigheid van het besluit in dit kort geding wil laten toetsen door de civiele rechter. Dit is de achtergrond van de beslissing de zaak aan te houden totdat de Commissie van beroep uitspraak zou hebben gedaan.

[eiser] heeft de voorzieningenrechter op 7 mei 2026 ervan op de hoogte gesteld dat de Commissie van beroep het beroep van [eiser] ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat de vraag voorligt of (zoals [eiser] stelt) de school door het nemen en handhaven van besluit tegenover [eiser] tekortschiet en/of onrechtmatig handelt.

ASG heeft zich primair op het standpunt gesteld dat ook nadat de Commissie van beroep heeft beslist, de civiele rechter (in kort geding) geen bevoegdheid heeft om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] . ASG stelt dat er voor [eiser] niet alleen een met waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan bij de Commissie van beroep, maar ook dat er voor haar nog steeds zo een rechtsgang openstaat bij de bestuursrechter. [eiser] heeft dit bestreden met een beroep op artikel 8:4 lid 3 sub b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens haar is de Awb op het besluit niet van toepassing.

Dit betekent dat eerst beoordeeld dient te worden of de civiele rechter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen.

3. De beoordeling

Bevoegdheid en de ‘kennen en kunnen’-regeling

[school] is een openbare school en valt onder het bevoegd gezag van ASG. In beginsel staat tegen een besluit van een openbare onderwijsinstelling een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ter verkrijging van een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter open. Voor de beoordeling van de vraag of de civiele rechter bevoegd is van dit geschil kennis te nemen, is relevant of het besluit onder de reikwijdte van artikel 8:4 lid 3 sub b van de Awb valt. Op grond van dit artikel kan geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een leerling die is geëxamineerd of getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Als het besluit onder de reikwijdte van artikel 8:4 lid 3 sub b Awb valt, dan zou dat betekenen dat voor [eiser] de route naar de bestuursrechter niet openstaat. Slechts in dat geval is de civiele rechter, en dus ook de voorzieningenrechter, als ‘restrechter’ bevoegd.

[eiser] voert aan dat het besluit tot uitsluiting van de SE’s en CE’s wegens fraude de beoordeling van haar examens wis- en natuurkunde betreft en tevens valt onder ‘nadere regels voor examinering’ en daarmee onlosmakelijk verbonden is met de beoordeling van haar kennen of kunnen. ASG betoogt daarentegen dat het besluit niet de inhoudelijke beoordeling van intellectuele vaardigheden van [eiser] en de door haar afgelegde examens betreft, maar de door haar gepleegde fraude.

Als uitgangspunt geldt dat de uitzondering van artikel 8:4 lid 3 sub b Awb beperkt moet worden uitgelegd. Deze uitzondering ziet slechts op besluiten waaraan een beoordeling ten grondslag ligt van intellectuele en fysieke vaardigheden die door studie of oefening verkregen kunnen worden. Uit de toelichting op het laatste deel van deze bepaling blijkt dat is bedoeld om beroep bij de bestuursrechter uit te sluiten, wanneer een besluit betrekking heeft op de beoordelingsnormen van examens. Dergelijke regels zijn namelijk direct verbonden met de inhoudelijke beoordeling van prestaties van leerlingen. Dit strookt met rechtspraak van de bestuursrechter waarin geoordeeld is dat artikel 8:4 lid 3 sub b Awb ook niet van toepassing is als bij wijze van maatregel vanwege plagiaat voor een opstel het cijfer 1 is toegekend omdat het bestuursorgaan dan immers niet is toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het opstel: het kennen en kunnen van de leerling.

Omdat het besluit betrekking heeft op (volgens de school) door [eiser] gepleegde onregelmatigheden, valt dat niet onder de reikwijdte van artikel 8:4 lid 3 sub b Awb. In dit geschil is het besluit van de school uitsluitend gebaseerd op vermeende fraude en niet op enige beoordeling van de intellectuele vaardigheden van [eiser] op het gebied van wis- en natuurkunde. De ‘kennen en kunnen’-regeling is daarom niet op het besluit van toepassing. Voor [eiser] staat – ook voor de onderhavige vorderingen – de rechtsgang naar de bestuursrechter open.

De civiele rechter is alleen bevoegd is als ‘restrechter’ in het geval een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ontbreekt. Nu daarvan geen sprake is, is de voorzieningenrechter onbevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. Aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen komt de voorzieningenrechter niet toe.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASG worden begroot op:

- griffierecht

€

341,00

- salaris advocaat

€

760,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.290,00

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand