RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de korpschef van politie, de korpschef
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2715
en
(gemachtigden: mr. A.M.A.C. Theunissen en P. Kamst).
1. Deze uitspraak gaat over de disciplinaire straf van ontslag die de korpschef aan eiseres heeft opgelegd wegens plichtsverzuim. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit van 7 maart 2025.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef aan eiseres terecht de disciplinaire straf van ontslag heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit, zoals omschreven onder 4. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Onder 16 zijn de conclusie en de gevolgen vermeld.
Procesverloop
2. Bij besluit van 30 augustus 2024 heeft de korpschef aan eiseres de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij het bestreden besluit van 7 maart 2025 heeft de korpschef het strafontslag gehandhaafd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op een zitting van de meervoudige kamer behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van de korpschef.
Feiten en omstandigheden
Wat aan het strafontslag voorafging
3. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1985, is op 7 november 2005 in dienst getreden bij de korpschef, laatstelijk in de functie van [functie] bij het Basisteam [locatie] in de Eenheid Midden-Nederland.
Op 7 februari 2024 heeft politiemedewerker [getuige 1] ( [getuige 1] ) binnen de politie bij de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) melding gemaakt over gedragingen van eiseres. Hij had van zijn ex-partner, [getuige 2] ( [getuige 2] ), die met eiseres bevriend was geweest, gehoord dat eiseres thuis en op festivals harddrugs zou gebruiken en dat zij door dit gebruik niet goed zou kunnen slapen, maar wel naar haar werk zou gaan. Ook zou eiseres [getuige 2] hebben bedreigd.
Als gevolg van voormelde melding van [getuige 1] heeft het VIK van 9 februari tot 20 februari 2024 eerst een oriënterend onderzoek verricht naar zowel het vermeende harddrugsgebruik als de vermeende bedreiging. Omdat de grondslag van de disciplinaire straf van ontslag alleen gebaseerd is op het harddrugsgebruik beperkt de beoordeling van de rechtbank zich in deze uitspraak tot die relevante feiten en omstandigheden.
In het kader van het oriënterend onderzoek heeft het VIK op 14 februari 2024 [getuige 2] als getuige gehoord. [getuige 2] heeft over het harddrugsgebruik van eiseres verklaard en gaf daarnaast aan dat een vriendin [getuige 3] ( [getuige 3] ) ook vaak getuige is geweest van het drugsgebruik van eiseres en haar partner. [getuige 2] heeft de relevante WhatsApp-berichten tussen haar en eiseres ter beschikking gesteld aan het VIK.
Het VIK heeft vervolgens voormelde WhatsApp-berichten onderzocht evenals de telefoonnummers van eiseres en haar partner [getuige 4] ( [getuige 4] ). Met betrekking tot het mogelijke harddrugsgebruik van eiseres is op 20 februari 2024 volgens het VIK het volgende uit het oriënterend onderzoek gebleken:
Dat eiseres veelvuldig in WhatsApp-berichten met [getuige 2] spreekt over eigen gebruik van diverse harddrugs, het gebruik van [medicijn] (werkzame stof op lijst I Opiumwet) en de effecten hiervan.
Door [getuige 2] is ook gezien dat eiseres harddrugs heeft gebruikt, op festivals en thuis.
Dat zowel de telefoonnummers van eiseres als van haar (ex)partner [getuige 4] voorkomen in strafrechtelijke onderzoeken naar verdovende middelen.
Op basis van voormelde onderzoeksbevindingen van het oriënterend onderzoek heeft de korpschef eiseres op 28 februari 2024 een disciplinair onderzoek aangezegd en haar buiten functie gesteld.
Tijdens het disciplinair onderzoek is op 27 maart 2024 onder meer [getuige 3] als getuige gehoord. [getuige 3] was zowel bevriend met eiseres als [getuige 2] . Zij heeft verklaard dat zij veel bij eiseres en haar partner thuiskwam waarbij zij eiseres in de periode vanaf eind december 2023 tot begin 2024 zo’n 3 à 4 keer harddrugs (cocaïne) heeft zien gebruiken.
Op 8 april 2024, 11 april 2024 en 30 mei 2024 heeft het VIK hoorgesprekken gevoerd met eiseres. Uit deze gesprekken blijkt dat eiseres ontkent ooit harddrugs te hebben gebruikt. Volgens eiseres zijn de melding van [getuige 1] en de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] bedoeld als wraakactie. [getuige 2] wilde een intieme relatie met haar en zou het eiseres kwalijk nemen dat zij dat niet wilde. [getuige 3] zou een goede vriendin van [getuige 2] zijn en daarom ook tegen haar getuigen. Volgens eiseres heeft zij slechts eenmaal en op advies van [getuige 2] een hijsje van een joint genomen om rustig te worden. Met betrekking tot de WhatsApp-berichten heeft eiseres verklaard dat de letter ‘ [letter] ’ duidt op drank of haar partner [accountnaam 1] ( [getuige 4] ), de letter ‘ [letter] ’ duidt in een gesprek van 21 januari 2024 niet op cocaïne maar op [medicijn] . In een gesprek van 27 januari 2024 betekent ‘ [letter] ’ wel cocaïne, alleen was die niet bedoeld voor haarzelf maar voor haar partner [getuige 4] . Daarnaast heeft eiseres verklaard dat met ‘ [bijnaam 1] ’ wel [medicijn] wordt bedoeld, wat zij nodig had en heeft voor haar ADHD.
De disciplinaire straf van ontslag
4. Op 4 juni 2024 heeft het VIK het disciplinair onderzoek afgerond. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft de korpschef op 15 juli 2024 aan eiseres schriftelijk het voornemen kenbaar gemaakt om haar de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en haar te schorsen wegens de verwijtbare gedraging van het gebruik van harddrugs tijdens de aanstelling bij de politie, hetgeen de korpschef kwalificeert als plichtsverzuim. Volgens de korpschef is op basis van de onderzoeksbevindingen aannemelijk dat eiseres harddrugs heeft gebruikt. Op 14 augustus 2024 heeft eiseres schriftelijk aan de korpschef kenbaar gemaakt geen gebruik te maken van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.
Onder verwijzing naar het voornemen van 15 juli 2024 heeft de korpschef in een besluit van 30 augustus 2024 (het primaire besluit) aan eiseres de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. De korpschef heeft besloten tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze straf. Het wordt eiseres verweten dat zij tijdens haar aanstelling bij de politie harddrugs heeft gebruikt. In het besluit op bezwaar van 7 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de korpschef de disciplinaire straf van ontslag met onmiddellijke tenuitvoerlegging gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Barp kan – voor zover hier van belang – de ambtenaar die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft.
Ingevolge artikel 76, tweede lid, van de Barp omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
In artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp is bepaald dat aan de ambtenaar de straf van ontslag kan worden opgelegd.
Op grond van artikel 82 van het Barp wordt – voor zover hier van belang – de straf van ontslag niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.
In de Beroepscode Politie staat voor zover relevant:
Ik zorg ervoor dat mijn gedrag (ook in vrije tijd) geen imagoschade oplevert voor de politie;
Ik gebruik geen drugs (hard- of softdrugs).
Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is het noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim, een vraag is naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Op bedoelde feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing.
Wat moet de rechtbank beoordelen?
6. De rechtbank moet, aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, beoordelen of de korpschef eiseres de disciplinaire straf van ontslag heeft mogen opleggen. Dat doet de rechtbank aan de hand van de volgende vragen:
Vraag 1: Was het onderzoek van de korpschef zorgvuldig en onpartijdig?
Vraag 2: Heeft eiseres zich schuldig gemaakt aan de gedraging die haar wordt verweten?
Vraag 3: Valt de vastgestelde gedraging onder de definitie van plichtsverzuim?
Vraag 4: Is de gedraging aan eiseres toe te rekenen?
Vraag 5: Is het opleggen van onvoorwaardelijk strafontslag in dit geval evenredig geweest?
7. De rechtbank bespreekt de beroepsgronden van eiseres in de volgorde van de bovengenoemde vragen.
Vraag 1: Was het onderzoek van de korpschef zorgvuldig en onpartijdig
Het niet horen van door eiseres voorgestelde getuigen
8. Eiseres heeft hierover aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiseres voert aan dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet betrouwbaar zijn, omdat zij uit wraak handelden en haar goede reputatie bij de politie wilden schaden zodat eiseres ontslagen zou worden. Volgens eiseres heeft het VIK onzorgvuldig gehandeld door wel [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] te horen, maar niet de personen van wie eiseres heeft gesteld dat zij als getuigen konden verklaren over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] , de omstandigheid dat eiseres nimmer harddrugs heeft gebruikt en haar goede functioneren binnen de politie. Eiseres heeft er tijdens het onderzoek door het VIK op aangedrongen de volgende personen als getuigen te horen:
[getuige 4] , de partner van eiseres;
[A] ( [A] ), een neef van eiseres en tevens ex-partner van [getuige 2] ;
[B] ( [B] ), een ex-vriend van [getuige 3] ; hij zou over informatie beschikken dat [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] elkaar meermalen in het openbaar hebben ontmoet om te overleggen over manieren om te bewerkstelligen dat eiseres haar baan zou verliezen. Ook zou [B] door [getuige 3] en [getuige 2] in het openbaar zijn benaderd, waarbij [getuige 3] zou hebben erkend dat zij een valse getuigenverklaring over eiseres zou hebben afgelegd;
[C] , voormalig [functie] binnen de afdeling basisteamrecherche en [functie] van eiseres. Hij zou informatie kunnen verschaffen over het functioneren van eiseres op de werkvloer;
[D] , ex-collega van eiseres, die tevens informatie kan verstrekken over het functioneren van eiseres buiten de werkvloer; en
[E] ( [E] ), vriendin van eiseres en bekende van [getuige 2] .
Omdat de korpschef heeft nagelaten voormelde personen als getuigen te horen, heeft eiseres in beroep de rechtbank verzocht hen alsnog ter zitting te horen.
De korpschef heeft voormelde personen om de volgende redenen niet als getuigen willen horen. [getuige 4] is niet als getuige gehoord omdat hij als partner van eiseres naar de verwachting van de korpschef hetzelfde zou verklaren wat eiseres heeft verklaard. Daarnaast heeft [getuige 4] aan de gemeente [gemeente] , waar [getuige 2] werkzaam is, een brief gestuurd waarin hij heeft vermeld dat [getuige 2] drugs gebruikt en in drugs handelt. Dit is separaat onderzocht waaruit geen vervolg is voortgevloeid. [A] is door de korpschef benaderd maar heeft verklaard niet als getuige gehoord te willen worden. [B] is volgens de korpschef niet als relevante getuige aan te merken omdat hij een ‘van horen zeggen getuige’ zou zijn die iets over de melder en de gehoorde getuigen zou kunnen vertellen. [C] en [D] zijn niet als getuigen gehoord, omdat zij weliswaar kunnen verklaren over het functioneren van eiseres maar niet over de grondslag van het disciplinaire onderzoek. [E] is niet gehoord omdat zij iets kan verklaren over haar vriendschap met eiseres, maar niet over de grondslag van het disciplinaire onderzoek.
Met betrekking tot [C] , [D] en [E] , volgt de rechtbank het standpunt van de korpschef dat het niet relevant was hen te horen, omdat zij niet konden verklaren over de grondslag van het disciplinaire onderzoek, te weten het drugsgebruik. Dat de korpschef hen niet heeft gehoord, acht de rechtbank daarom niet onzorgvuldig. Dat [A] niet door de korpschef is gehoord, acht de rechtbank evenmin onzorgvuldig, nu de korpschef hem wel heeft benaderd om als getuige te verklaren, maar hij zelf de keuze heeft gemaakt dit niet te willen doen. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat [A] ook geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om alsnog ter zitting door de rechtbank als getuige te worden gehoord. Voor wat betreft [getuige 4] , de partner van eiseres, ziet de rechtbank echter niet in waarom de korpschef op voorhand het standpunt heeft ingenomen dat zijn verklaringen niet betrouwbaar en objectief zouden zijn omdat hij de partner van eiseres is en een brief over [getuige 2] aan haar werkgever heeft gestuurd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat ook [getuige 2] en [getuige 3] behoorden tot de vriendenkring van eiseres en [getuige 2] en eiseres een zeer hechte relatie met elkaar hebben gehad. De motivering dat [getuige 4] als de partner van eiseres naar verwachting hetzelfde zal verklaren als eiseres, acht de rechtbank daarom onvoldoende om op voorhand af te zien van het horen van [getuige 4] . Dat [B] niet als getuige is gehoord omdat hij een ‘van horen zeggen getuige’ zou zijn, waardoor hij niet als getuige hoefde te worden gehoord, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. [B] is een goede bekende van eiseres en [getuige 3] en zou volgens eiseres informatie hebben waaruit blijkt dat [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 2] samenspanden tegen eiseres en hij zou hierover ook in het openbaar door [getuige 3] en [getuige 2] zijn benaderd. Nu alle (mogelijke) getuigen in deze zaak op enigerlei wijze bevriend zijn (geweest) met eiseres (of familie van haar zijn) en in die zin geen van allen volledig als objectief kunnen worden aangemerkt, ziet de rechtbank niet in waarom op voorhand gesteld kon worden dat de verklaring van [B] noch relevant noch betrouwbaar zou zijn.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van [getuige 4] en [B] op voorhand niet relevant zouden zijn voor een zorgvuldig onderzoek. Het beroep is daarom gegrond. Voor een zorgvuldige beoordeling van de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag van eiseres heeft de rechtbank het nodig gevonden [getuige 4] en [B] op zitting als getuigen te horen. In het hiernavolgende zal de rechtbank oordelen over de vraag of het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek tevens aanleiding is de disciplinaire maatregel van ontslag volledig te vernietigen of dat er aanleiding bestaat het besluit weliswaar te vernietigen maar de rechtsgevolgen – het strafontslag – in stand te laten.
Onzorgvuldig onderzoek tijdens gesprekken met eiseres en naar WhatsApp-berichten
9. Eiseres voert aan dat de door haarzelf afgelegde verklaringen tijdens de politieverhoren nietig verklaard dienen te worden. Deze gehoren vonden plaats in een periode waarin zij met ernstige psychische problematiek kampte waarvoor destijds behandeling plaatsvond onder begeleiding van een bedrijfspsycholoog. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat haar situatie tijdens de hoorgesprekken dusdanig slecht was dat zij automatisch ervan uitging dat de WhatsApp-berichten die haar werden voorgelegd juist waren. Volgens eiseres heeft zij hier ook medische stukken over, maar heeft zij die niet overgelegd omdat zij niet wenst dat de korpschef hierin inzage heeft. In dit verband betwist eiseres ook de authenticiteit van de door [getuige 2] overgelegde WhatsApp-berichten en vindt zij dat de korpschef forensisch onderzoek had moeten laten verrichten naar de smartphone van [getuige 2] . Volgens eiseres is de korpschef ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de WhatsApp-berichten van de smartphone van [getuige 2] .
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Tijdens drie hoorgesprekken, op 8 april 2024, 11 april 2024 en 30 mei 2024, heeft de korpschef eiseres in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven over de melding van 7 februari 2024, de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] en de WhatsApp-berichten. Tijdens alle hoorgesprekken is eiseres bijgestaan door haar belangenbehartiger, [belangenbehartiger] , en heeft zij voorafgaand aan de gesprekken inzage gekregen in de documenten en de verrichte onderzoekshandelingen die deel uitmaken van het onderzoeksrapport. Daarbij is eiseres erop gewezen dat zij onder meer documentatie mag aandragen die van belang is voor het onderzoek. Tijdens alle hoorgesprekken is eiseres aan het begin van het gehoor gevraagd hoe het met haar gaat en tijdens het eerste en tweede hoorgesprek is haar ook gevraagd of er omstandigheden zijn waarmee rekening moest worden gehouden. Dat rekening is gehouden met de gemoedstoestand van eiseres blijkt bijvoorbeeld uit het rapport van het hoorgesprek van 8 april 2024 toen in de middag om 14:25 uur een pauze is ingelast waarna is afgesproken het hoorgesprek te beëindigen omdat eiseres het erg zwaar had en het mogelijk nadelige effecten kon hebben indien het hoorgesprek voortgezet zou worden. Desgevraagd heeft eiseres toen verklaard dat eventuele belemmeringen of angst geen rol hebben gespeeld in het beantwoorden van de vragen en dat zij zoveel mogelijk openheid van zaken heeft kunnen geven. Tijdens het tweede hoorgesprek van 11 april 2024 heeft eiseres bevestigd dat zij bij haar verklaringen uit het eerste hoorgesprek blijft. Op de vraag of er eventuele belemmeringen of angst waren bij het beantwoorden van de vragen tijdens het tweede hoorgesprek heeft eiseres verklaard: “Nee, absoluut niet. Het eerste verhoor was ik ontdaan en ik heb nu lekker mijn verhaal kunnen doen.” De vraag of zij zoveel mogelijk openheid van zaken heeft kunnen geven heeft eiseres als volgt beantwoord: “Ja, de WhatsApp-gesprekken kunnen een schijn opwekken maar ik hoop dat ik voldoende uit heb kunnen leggen hoe ze geïnterpreteerd moeten worden”. Ook tijdens het derde hoorgesprek op 30 mei 2024 heeft eiseres desgevraagd verklaard dat eventuele belemmeringen of angst geen rol hebben gespeeld bij het beantwoorden van de vragen en dat zij zoveel mogelijk openheid van zaken heeft kunnen geven.
Gelet op de wijze waarop eiseres is voorbereid op de gesprekken, zij tijdens alle gesprekken werd bijgestaan door een belangenbehartiger, zij inzage heeft gekregen in de voor haar belastende informatie, zij tijdens elk gesprek heeft verklaard dat er geen belemmeringen waren om in openheid te kunnen verklaren, eiseres de gespreksverslagen heeft doorgelezen, elke pagina heeft geparafeerd en de verslagen aan het einde heeft ondertekend, is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld tijdens de gesprekken in openheid haar zienswijze te geven over de voor haar gestelde belastende informatie, zowel voor wat betreft de melding van [getuige 1] , de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en de WhatsApp-berichten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om eiseres te volgen in haar stelling dat zij wegens psychische klachten niet in staat was om naar behoren te verklaren. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres in staat is gesteld alle informatie te overleggen die voor het onderzoek van belang kon zijn, maar zij geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij niet in staat was om gehoord te worden. Evenmin heeft eiseres de rechtbank verzocht om kennis te nemen van medische informatie, zonder dat de korpschef inzage in die informatie krijgt. De eerst ter zitting ingenomen stelling dat de vraagstelling van de korpschef suggestief zou zijn geweest volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft daar geen concrete voorbeelden van genoemd en de rechtbank heeft daar ook geen aanknopingspunten voor gevonden in de gehoren.
Met betrekking tot de WhatsApp-berichten is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanleiding bestaat te twijfelen aan de authenticiteit van deze berichten. Eiseres heeft daarbij niet concreet onderbouwd welke berichten zouden zijn gefingeerd. Het eerst ter zitting gedane aanbod van eiseres om dit alsnog te onderbouwen heeft de rechtbank afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Op basis van de onderzoeksbevindingen en de verklaringen van eiseres tijdens de drie hoorgesprekken heeft de korpschef geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan de authenticiteit van de WhatsApp-berichten en was het derhalve niet nodig een nader onderzoek te laten verrichten naar de smartphone van [getuige 2] . Daarbij is van belang dat eiseres tijdens de hoorgesprekken geen enkele maal de authenticiteit van de WhatsApp-berichten in twijfel heeft getrokken, zij over de berichten ook heeft verklaard dat het stoere praat is en daarom anders geïnterpreteerd moesten worden, en slechts een enkele keer heeft gezegd dat zij zich een bericht niet kan herinneren. Eiseres heeft verder slechts verklaard dat de berichten anders geïnterpreteerd moesten worden en dat uit de berichten niet afgeleid moest worden dat zij zelf drugs heeft gebruikt.
Betrouwbaarheid getuigenverklaringen [getuige 2] en [getuige 3]
10. Eiseres voert aan dat de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet als ondersteunend bewijs kunnen dienen omdat zij onjuiste verklaringen hebben afgelegd met als doel haar ten onrechte te beschuldigen van drugsgebruik. Ter onderbouwing geeft eiseres aan dat [getuige 2] een relatie met haar wilde en dat [getuige 2] jaloers is op haar relatie met [getuige 4] . Ter zitting heeft [getuige 4] dit bevestigd en aangegeven dat ook [getuige 3] uit is op wraak omdat [getuige 3] verliefd is op [getuige 4] . Daarnaast verwijst eiseres naar de verklaring van [B] ter zitting en acht zij het onzorgvuldig dat de korpschef het beeld- en geluidmateriaal waar [B] een beroep op doet niet veilig heeft gesteld.
De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] in lijn zijn met de WhatsApp-berichten. Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de echtheid van deze berichten, zodat de korpschef in beginsel ook de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] als steunbewijs heeft kunnen gebruiken. Ook de verklaring van [B] ter zitting maakt dit niet anders. [B] heeft voor zover relevant het volgende onder ede verklaard: “ [getuige 3] heeft toen ook gezegd dat zij een valse verklaring heeft afgelegd bij de politie in het belang van de zoon van eiseres en de heer [getuige 4] , [naam 1] . Zelf denk ik dat het haat, wraak jegens eiseres is.” De rechtbank overweegt dat zelfs al zou de verklaring van [getuige 3] gelet op deze verklaring van [B] buiten beschouwing worden gelaten, dan nog blijven de verklaring van [getuige 2] en de inhoud van de WhatsApp-berichten over en deze zijn in overeenstemming met elkaar. Aan de gestelde geluidsopname van het gesprek tussen [getuige 3] en [B] mocht de korpschef daarom voorbijgaan. Voor zover eiseres stelt dat de getuigenverklaring van [getuige 2] is bedoeld als wraakactie, overweegt de rechtbank dat – als daarvan al sprake zou zijn – dit niet per definitie betekent dat de verklaring van [getuige 2] onjuist zou zijn. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verklaring van [getuige 2] steun vindt in de WhatsApp-berichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Resultaten haaronderzoek ten onrechte niet betrokken bij beoordeling
11. Eiseres voert aan dat met de door haar verrichte haartest wordt aangetoond dat zij geen drugs heeft gebruikt. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij weliswaar niet de gebruiksaanwijzing heeft gevolgd door het onderzoek op de haarstreng en in delen van het haar uit te voeren, maar dat zij het onderzoek juist beter heeft uitgevoerd door het op hele haren uit te voeren.
De rechtbank overweegt dat de korpschef heeft gesteld zelf geen haartesten uit te voeren, omdat dit een grote inbreuk op de persoonlijke integriteit vormt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef zich op dit standpunt kunnen stellen en de haartest in het kader van de zorgvuldigheid niet hoeven aanbieden. Met betrekking tot de door eiseres zelf uitgevoerde haartest, overweegt de rechtbank dat de korpschef zich op het standpunt mocht stellen dat niet van de juistheid van het testresultaat kan worden uitgegaan, alleen al omdat eiseres de test niet in overeenstemming met de gebruiksaanwijzing heeft uitgevoerd en omdat weliswaar het haar van eiseres de hele tijd in beeld is maar niet de vloeistoffen waarmee de test wordt verricht.
Vraag 2: Heeft eiseres zich schuldig gemaakt aan de gedraging die haar wordt verweten?
12. De rechtbank stelt vast dat door eiseres niet is betwist dat zij [medicijn] heeft gebruikt zonder dat dit voor haar als medicijn was voorgeschreven door een arts.
Uit de WhatsApp-berichten, die zien op de periode 29 januari 2023 tot en met 13 februari 2024, blijkt dat eiseres en [getuige 2] het regelmatig over ‘ [letter] ’ en ‘ [letter] ’ hebben. Ook hebben zij elkaar regelmatig berichten gestuurd met een emoji van een neusje ‘’ en hebben zij het over een neusonderzoek van eiseres bij een arts waarbij de mogelijkheid bestond dat er ‘restjes’ gevonden hadden kunnen worden. Het gaat onder meer om de volgende berichten waarbij eiseres is aangeduid als ‘ [accountnaam 2] ’ en [getuige 2] als ‘ [accountnaam 3] ’:
Rapport disciplinair onderzoek (Rapport) p. 47 en 162 en 163
[…]
3.7.2023: 16:23 - [accountnaam 2] : Ik heb een rare dokter
3.7.2023: 16:23 - [accountnaam 2] : Moest vier keer sprayen in m’n neus
[…]
3.7.2023: 16:23 - [accountnaam 2] : Zegt ie
3.7.2023: 16:23 - [accountnaam 2] : Je hebt wondjes in je neus
[…]
3.7.2023: 16:23 - [accountnaam 2] : Ik dacht kut hij ziet iets
3.7.2023: 16:23 - [accountnaam 2] :
3.7.2023: 16:23 - [accountnaam 2] : Mijn neusschotje schijnt scheef te zitten
3.7.2023: 16:24 - [accountnaam 2] : Ik zei; ja ik ben verkouden […]
3.7.2023: 16:25 - [accountnaam 2] : Haahaahha
3.7.2023: 16:25 - [accountnaam 2] : Kan moeilijk zeggen
3.7.2023: 16:25 - [accountnaam 2] : Ja heb van het weekend m’n neus volgehad […]
3.7.2023: 16:25 - [accountnaam 3] : Nee idd
3.7.2023: 16:25 - [accountnaam 2] : Straks ziet ie restjes in mijn neus
3.7.2023: 16:25 - [accountnaam 2] :
[…]
Procesdossier p. 51
10.7.2023: 11:26 - [accountnaam 3] : Nee die heeft geen xtc geslikt
10.7.2023: 11:26 - [accountnaam 2] : Ik ben minimaal 2 maanden ervan genezen
[…]
Rapport p. 52
13.10.2023: 17:46 - [accountnaam 2] : Nu staan m’n neusgaten verder open
13.10.2023: 17:47 - [accountnaam 2] : Hele container ken dr in
[…]
13.10.2023: 17:47 - [accountnaam 3] : Lekker
13.10.2023: 17:47 - [accountnaam 3] : 5 neus emoji’s
Rapport p. 45
6.12.2023: 17.06 - [accountnaam 3] : Nou ben klaar met de [letter] en seks feestjes
[…]
6.12.2023: 18:18 - [accountnaam 2] : Ja ik ook hoor
[…]
6.12.2023: 18:20 - [accountnaam 3] : Ja joh, het is ook wel veel te gek geweest allemaal met de [letter] . Wil me ff lekker focussen op m’n energie en fit en uitgerust zijn ….geen zin om m’n job op het spel te zetten
6.12.2023: 18:21 - [accountnaam 2] : At same
Rapport p. 45
9.12.2023: 04:09 - [accountnaam 3] : Niet tegen [naam 2] zeggen dat we [letter] hebben gehad hoor
[…]
9.12.2023: 04:09 - [accountnaam 2] : Nee lieverd
[…]
Rapport p. 42
[…]
17.12.2023: 00:11 - [accountnaam 2] : Hoeveel [bijnaam 1] heb je op
17.12.2023: 00:14 - [accountnaam 3] : 2
[…]
17.12.2023: 0017 - [accountnaam 2] : Wij liggen relaxed op de bank
17.12.2023: 00:17 - [accountnaam 2] : Zonder alcohol of [letter] […]
Rapport p. 48
19.12.2023: 19:09 - [accountnaam 3] : Heb je nog (een neus emoji)
[…]
19.12.2023: 19:09 - [accountnaam 3] : Stuur maar een tikkue
19.12.2023: 19:10 - [accountnaam 2] : Vooruit maar dan he […]
19.12.2023: 20:14 - [accountnaam 3] : Mag ik nog 1 snuf […]
Rapport p. 48 en 49
10.1.2024: 14:04 - [accountnaam 3] : Heb zelf ook hele dure maand gehad met alles en de [letter]
10.1.2024: 14:11 - [accountnaam 3] : 150 drug […]
10.1.2024:14:12 - [accountnaam 2] : ja hier at same
Rapport p. 41
[…]
21.1.2024 13:55 - [accountnaam 3] : jij fit?
21.1.2024 13:55 - [accountnaam 2] : jawel
21.1.2024 13:55 - [accountnaam 3] : [bijnaam 1] xeker
[…]
21.1.2024 13:55 - [accountnaam 2] : Nee [letter] hadden we toch […]
21.1.2024 13:55 - [accountnaam 2] : Heb het nog niet nodig
Rapport p. 49
[…]
21.1.2024 14:04 - [accountnaam 3] : No alcohol en drugs enzo
[…]
Rapport p. 41
[…]
27.1.2024: 21.00 - [accountnaam 2] : [naam 3] vroeg of je een nr had voor [letter] in de buurt
27.1.2024: 21:00 - [accountnaam 3] : Of poes?
27.1.2024: 21:04 - [accountnaam 3] : yes doorgestuurd
[…]
27.1.2024: 21.05 - [accountnaam 2] : [accountnaam 1] heeft al contact volgens mij
[…]
27.1.2024: 21.12 - [accountnaam 3] : Gelukt [bijnaam 2] ?
27.1.2024: 21.14 - [accountnaam 2] : Yes
[…]
27.1.2024: 21:15 - [accountnaam 3] : Party time
Tijdens het hoorgesprek van 8 april 2024 heeft eiseres desgevraagd verklaard dat ‘ [letter] ’ voor drank en niet voor drugs staat. Nadat de korpschef eiseres tijdens het hoorgesprek op 11 april 2024 heeft geconfronteerd met het WhatsApp-berichtje van 17 december 2023 “Zonder alcohol of [letter] ” heeft eiseres verklaard met ‘ [letter] ’ hier [accountnaam 1] (haar partner) te bedoelen: “[…] Ik was die avond zonder [accountnaam 1] . [naam 1] lag bij mij op de bank en [accountnaam 1] was volgens mij bij vrienden of familie. [letter] is dus [accountnaam 1] .”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef het op basis van de WhatsApp-berichten en de verklaringen van eiseres hierover tijdens de hoorgesprekken niet geloofwaardig mogen achten, dat eiseres met ‘ [letter] ’ niet drugs, maar drank of [accountnaam 1] bedoelt. Met betrekking tot het berichtje van 17 december 2023 past dit ook binnen de context van het gesprek dat door eiseres is begonnen met de vraag aan [getuige 2] hoeveel [medicijn] zij op heeft. In reactie op het antwoord van [getuige 2] dat zij twee pilletjes op heeft, reageert eiseres om 00.17 uur dat zij op de bank liggen ‘zonder alcohol of [letter] ’. Niet aannemelijk is dat het hier, binnen de context van het gesprek, over haar partner [getuige 4] zou gaan.
Met betrekking tot ‘ [letter] ’ heeft eiseres tijdens het hoorgesprek op 8 april 2024 eerst verklaard dat het niet voor cocaïne staat, maar vervolgens heeft zij verklaard dat er eenmaal wel cocaïne mee wordt bedoeld: “‘ [letter] ’ staat sowieso niet voor coke, zoals dat boven de gesprekken staat. Dat vind ik wel heftig. Het gesprek van de 27e, daarover moet [accountnaam 1] gehoord worden vind ik. Ik heb daar verder niets mee te maken.” Op de vraag waar ‘ [letter] ’ dan voor staat blijft eiseres stil. Aan haar wordt meegegeven dat de indruk gewekt wordt dat zij wel iets weet maar dit niet zegt. Zij wordt gewezen op het feit dat zij open en transparant dient te zijn. Op de vraag “Wat bedoel je nu met ‘ [letter] ’?” antwoordt eiseres: “In het gesprek van de 21e staat ‘ [letter] ’ niet voor cocaïne. In het gesprek van 27 januari wel. Ik heb gewoon een fout gemaakt door het voor iemand anders te vragen. […] Voor [accountnaam 1] , hij moest dat weer van andere mensen vragen”. Volgens eiseres duidt ‘ [letter] ’ in het bericht van 21 januari 2024 op [medicijn] . Tijdens het hoorgesprek op 30 mei 2024 is eiseres gevraagd waar het WhatsApp-gesprek van 3 juli 2023 over ging toen eiseres en [getuige 2] het hadden over dat de arts mogelijk restjes in haar neus had kunnen vinden. Eiseres verklaarde hier als volgt: “[…] Weet ik veel, snot of iets anders.”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef zich op basis van de WhatsApp-berichten en de hoorgesprekken op het standpunt mogen stellen dat met ‘ [letter] ’ zowel op 21 januari als op 27 januari 2024 cocaïne wordt bedoeld. In de context van het gesprek op 21 januari 2024 is het niet aannemelijk dat met ‘ [letter] ’ [medicijn] wordt bedoeld en dat eiseres met ‘we’ ‘ik’ bedoelde te zeggen. In reactie op de berichten van eiseres “Nee [letter] hadden we toch” en “Heb het nog niet nodig” reageert [getuige 2] negen minuten later met het bericht “No alcohol en drugs enzo”. Deze berichten zijn bovendien consistent met de verklaring van [getuige 2] tijdens het hoorgesprek op 14 februari 2024 waarin zij als volgt heeft verklaard over het drugsgebruik van eiseres (“ [accountnaam 2] ”) en haarzelf: “[…] en ik gebruikten wel eens een pilletje of coke. [accountnaam 2] gebruikte en gebruikt meer dan ik, vooral coke. Ik gebruik recreatief. [accountnaam 2] niet. [accountnaam 2] gebruikt de laatste tijd veel, ook door de weeks. Ze gebruikt coke, MDMA, XTC en daarnaast slikt ze ook antidepressiva en antipsychotica middelen. Ik begrijp echt niet dat ze normaal kan werken en dat het nooit iemand is opgevallen dat ze gebruikt”. Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiseres er ook niet in is geslaagd een goede verklaring te geven voor wat zij tijdens het WhatsApp-gesprek op 3 juli 2023 heeft bedoeld met ‘mogelijke restjes’ die de arts in haar neus zou kunnen vinden. Eiseres heeft hier vaag op gereageerd door te stellen het niet te weten en mogelijk snot te bedoelen, wat niet aannemelijk is binnen de context van het gesprek. Naar het oordeel van de rechtbank is het op basis van deze berichten aannemelijk dat eiseres het hier heeft over restjes cocaïne.
Op 10 juli 2023 hebben eiseres en [getuige 2] het volgende geappt:
10.7.2023: 11:26 - [accountnaam 3] : Nee die heeft geen xtc geslikt
10.7.2023: 11:26 - [accountnaam 2] : Ik ben minimaal 2 maanden ervan genezen.
Tijdens het hoorgesprek op 30 mei 2024 is hierover aan eiseres gevraagd: “[…]Als ik het zo lees, komt het over als een serie opmerkingen in een gesprek, waardoor het lijkt alsof het over jouw gebruik van xtc gaat. Hoe zie jij dat?” Daarop heeft eiseres geantwoord: “Ik weet het niet, het zou zomaar over iets anders kunnen gaan. […]” Gelet op de reactie van eiseres op het berichtje van [getuige 2] en haar vage verklaring hierover tijdens het hoorgesprek op 30 mei 2024, waarin zij niet heeft ontkend dat het mogelijk over xtc-gebruik van haar kon gaan, mocht de korpschef zich op het standpunt stellen dat aannemelijk is dat eiseres de harddrug xtc heeft gebruikt.
Ter zitting heeft de voorzitter van de meervoudige kamer de partner van eiseres, [getuige 4] , onder ede als getuige gehoord.
[getuige 4] heeft voor zover relevant het volgende verklaard over mogelijk drugsgebruik van eiseres: “[…]Ik heb haar absoluut nooit drugs zien gebruiken. […] ja, ik heb een drugsverleden en gebruik wel af en toe. Zij heeft drugs voor mij besteld, ik gebruik af en toe cocaïne. Ik gebruik dus niet met eiseres. Ik hou dat al 13 jaar gescheiden.
[…] ik kan mij niet voorstellen dat zij gebruikt, ook vanwege haar functie. Ik heb veel drugs gebruikt ook in een drugskliniek geweest, toen ik 22 jaar was. Af en toe heb ik het nog nodig om mijn lichaam rust te geven. Dat is cocaïne. Ik gebruik geen pillen, of designdrugs. Ik deed dat die ene keer via het nummer van [getuige 2] . Ik wist dat zij het nummer had om aan cocaïne te komen en ik had haar telefoonnummer niet, maar eiseres wel. Pillen zijn niet voor mij. Af en toe gebruik ik een joint. Ik gebruik dat alleen en niet in het bijzijn van anderen”.
Uit de verklaringen van [getuige 4] dat hij eiseres absoluut nooit drugs heeft zien gebruiken en dat hij zich niet voor kan stellen dat eiseres drugs gebruikt gezien haar functie bij de politie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer geconcludeerd worden dat eiseres geen drugs gebruikt. [getuige 4] is de partner van eiseres. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verklaring van [getuige 4] dat eiseres eenmaal cocaïne voor hem heeft geregeld door een nummer aan [getuige 2] te vragen, niet overeenstemt met de verklaring van eiseres tijdens het hoorgesprek van 8 april 2024 waarin zij heeft verklaard dat [accountnaam 1] het weer voor andere mensen moest vragen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres, noch [getuige 4] erin geslaagd aannemelijk te maken dat de WhatsApp-berichten ofwel op een andere wijze geïnterpreteerd moeten worden ofwel niet authentiek zouden zijn en dat de verklaring van [getuige 2] niet juist en onbetrouwbaar zou zijn. Met betrekking tot de WhatsApp-berichten heeft [getuige 4] ter zitting verklaard dat hij niks kon verklaren over de WhatsApp-gesprekken tussen eiseres en [getuige 2] , maar dat hij heeft gezien dat [getuige 2] weleens de telefoon van eiseres in haar handen had en daarmee berichtjes verstuurde: “[…] ik heb gezien dat [getuige 2] de telefoon van eiseres vaker in de handen had. Zij zat meerdere malen op haar telefoon te kijken en dingen te doen. Wat ze precies deed, weet ik niet. Je denkt dan niet over rare dingen na. Dit was in november/december 2023. Ik heb haar daarover ook op de vingers getikt. Ik heb alles gelezen wat in het dossier zit. Ik weet niet alles wat zij heeft gedaan, maar zij heeft ook berichten via de telefoon van eiseres naar haar ex ( [getuige 1] ) gestuurd. Ik heb die berichten gelezen.[…]” Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze verklaring niet afgeleid worden dat [getuige 2] vanaf de telefoon van eiseres berichtjes over drugs en cocaïne naar zichzelf zou hebben gestuurd. Daarbij is ook van belang dat door eiseres niet is betwist dat zij over ‘ [letter] ’ en ‘ [letter] ’ heeft geappt met [getuige 2] . Voor zover [getuige 4] ter zitting heeft verklaard dat het zou gaan om een wraakactie van [getuige 2] overweegt de rechtbank, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat dit niet per definitie betekent dat de verklaring van [getuige 2] onjuist zou zijn (zie 10.1). Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verklaring van [getuige 2] steun vindt in de hiervoor genoemde WhatsApp-berichten en dat de verklaringen van eiseres niet tot de conclusie leiden dat die anders zouden moeten worden geïnterpreteerd.
De rechtbank is van oordeel dat ook [B] met zijn getuigenverklaring ter zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen waarde gehecht mag worden aan de getuigenverklaringen. [B] heeft voor zover relevant het volgende onder ede verklaard: “[getuige 3] heeft toen ook gezegd dat zij een valse verklaring heeft afgelegd bij de politie in het belang van de zoon van eiseres en de heer [getuige 4] , [naam 1] . Zelf denk ik dat het haat, wraak jegens eiseres is.” De rechtbank overweegt dat zelfs al zou de verklaring van [getuige 3] gelet op deze verklaring van [B] buiten beschouwing worden gelaten, dan nog de verklaring van [getuige 2] overblijft (zie 10.1).
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de korpschef op basis van de WhatsApp-berichten, de eigen verklaringen van eiseres tijdens de hoorgesprekken en de verklaring van [getuige 2] het terecht aannemelijk acht dat eiseres naast [medicijn] ook de harddrugs cocaïne en xtc heeft gebruikt en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan de aan haar verweten gedraging. De verklaringen van [getuige 4] en [B] ter zitting maken dat oordeel zoals hiervoor overwogen niet anders.
Vraag 3: Kan de gedraging als plichtsverzuim worden aangemerkt?
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef terecht gesteld dat eiseres door harddrugs te gebruiken heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid die aan een politieambtenaar worden gesteld. De korpschef mocht hierbij zwaar meewegen dat eiseres door het gebruik van harddrugs in strijd met de Beroepscode Politie heeft gehandeld.
Vraag 4: Kan het plichtsverzuim eiseres worden toegerekend?
14. De rechtbank ziet in het dossier geen aanleiding te oordelen dat het gebruik van harddrugs eiseres niet kan worden toegerekend. De korpschef was daarom bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf van ontslag.
Vraag 5: Is de disciplinaire straf van ontslag evenredig?
15. De rechtbank onderkent dat de disciplinaire straf van ontslag voor eiseres ingrijpende gevolgen heeft, nu zij door deze maatregel haar baan is verloren. Gelet op de aard en de ernst van de verweten gedraging acht de rechtbank de disciplinaire straf van ontslag daaraan echter niet onevenredig. Eiseres heeft in ernstige mate in strijd gehandeld met de voor politieambtenaren geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid.
Conclusie en gevolgen
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de korpschef eiseres de disciplinaire straf van ontslag heeft mogen opleggen. De rechtbank verklaart het beroep weliswaar gegrond omdat de korpschef in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door de door eiseres voorgedragen getuigen [getuige 4] en [B] niet als getuigen te horen, maar laat de rechtsgevolgen wel in stand. Dat betekent dus dat de disciplinaire maatregel van ontslag in stand blijft.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres wel het griffierecht terug. Niet is gebleken van verdere proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en mr. D. de Vries, leden, in aanwezigheid van drs. S. Mazaheri, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.