RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/609544 / FV RK 26-878
Datum uitspraak: 20 april 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.M.G. Weitjens.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 2 april 2026 ontvangen.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- [A] , spv'er verbonden aan het FACT Soest-Baarn van GGz Centraal.
2. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
3. De beoordeling
De rechtbank wijst de gevraagde zorgmachtiging af. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank deze beslissing heeft genomen.
De advocaat van betrokkene heeft verzocht om het verzoek af te wijzen omdat wordt betwist dat er sprake is van een psychische stoornis die ernstig nadeel veroorzaakt. In het verleden is bij betrokkene sprake geweest van ernstig nadeel. Het ernstig nadeel lag met name in de omstandigheid dat betrokkene veel (buurt)overlast heeft gegeven. Naderhand heeft betrokkene de meldingen rondom haar overlastgevende gedrag kunnen lezen. Hier is zij enorm van geschrokken. Het valt niet te verwachten dat dergelijk gedrag van betrokkene zich zal herhalen, zij heeft hier van geleerd. Ook heeft dit haar doen beseffen dat zij zorg wil blijven ontvangen, maar dan wel op vrijwillige basis. Een ander belangrijk punt voor betrokkene is dat haar medicatie inmiddels volledig is afgebouwd en dat zij geen enkel verschil ervaart ten opzichte van de periode waarin zij de medicatie gebruikte.
Subsidiair pleit de advocaat ervoor om de zorgmachtiging in duur te beperken tot maximaal drie maanden.
Het FACT team staat achter het verzoek van de zorgmachtiging. Hoewel erkend wordt dat het gedrag van betrokkene na het stoppen van de medicatie onveranderd is, zijn de psychotische symptomen bij betrokkene niet verdwenen. Dat maakt dat niet kan worden uitgesloten dat het overlastgevende gedrag zal terugkeren omdat er nu geen medicatie meer wordt gebruikt. Verder is de betrokken SPV-er van mening dat er aan de zijde van betrokkene sprake is van lijden, omdat zij wanen heeft waarbij zij wordt misbruikt en hier veel leed van ondervindt. Volgens hem is het raadzaam dat gekeken gaat worden of betrokkene mogelijk een ander medicijn moet gaan gebruiken – dat beter werkt dan het vorige- om tot meer ziekte-inzicht te komen en de psychotische symptomen te laten afnemen. Omdat betrokkene hier volgens hem niet achter staat, is in zijn visie een zorgmachtiging nodig.
De rechtbank zal het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging afwijzen. Uit de processtukken blijkt niet dat er nieuwe meldingen zijn gedaan van overlastgevend gedrag. Evenmin zijn er andere redenen om vast te stellen dat er sprake is van ernstig nadeel. Hoewel de psychotische symptomen volgens de spv’er nog aanwezig zijn, zegt betrokkene dat zij hier geen hinder van ondervindt. Daarnaast gebruikt betrokkene geen medicatie op dit moment en is haar situatie en gedrag stabiel. Zij heeft gesprekken met de hulpverlening en dit kan op vrijwillige basis. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.