RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 op het verzet van
[oppossant] , te [plaats] , opposant,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6458-V
(Gemachtigde: mr. F.J. Boonstra)
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Gooise Meren van 7 februari 2024.
In de uitspraak van 11 augustus 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De verzet zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Opposant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder is verschenen [A] .
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 augustus 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant te laat was met het indienen van zijn beroepschrift en er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze verzet procedure moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 11 augustus 2025 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 11 augustus 2025 niet juist. De rechtbank heeft naar het oordeel van opposant de zaak ten onrechte vereenvoudigd behandeld, aangezien de rechtbank de beroepszaak niet zonder zitting had mogen afhandelen. De rechtbank stelt in de uitspraak van 11 augustus 2025 weliswaar dat het beroepschrift op 15 oktober 2024 ontvangen zou zijn, maar het beroepschrift is 10 april 2024 al verzonden aan de rechtbank via Zivver (Veilig Mailen).
4. De rechtbank heeft kort samengevat overwogen dat het beroepschrift niet via Veilig Mailen kon worden ingediend, gelet op artikel 1.8, vierde lid, van het toen geldende Procesreglement bestuursrecht rechtbanken. De rechtbank heeft daarmee (impliciet) geoordeeld dat van een indiening van het beroepschrift als bedoeld in de Awb geen sprake is.
5. Vast staat dat het beroepschrift van 10 april 2024 door de rechtbank is ontvangen en dat deze is verstuurd via Veilig Mailen. De vraag is of opposant daarmee het beroep heeft ingediend, zoals bedoeld in de Awb.
6. De rechtbank is van oordeel dat over de uitkomst van deze vraag twijfel mogelijk is. Daartoe wordt als volgt overwogen. De Awb schrijft niet expliciet voor op welke wijze een beroepschrift moet worden ingediend. Dat dit schriftelijk dient te geschieden staat wel vast, maar bepaalde wijzen van indiening zijn verder niet uitgesloten. Uit het procesreglement volgt weliswaar dat een beroepschrift zoals in deze zaak is ingediend per Veilig Mailen niet in behandeling wordt genomen, maar het is de vraag of in een procesreglement wettelijke bepalingen uit de Awb op deze manier kunnen worden ingeperkt. Daarbij is van belang dat bij andere gebreken aan de indiening van een beroepschrift, die wel bij wet zijn geregeld, een doorzendplicht geldt of een termijn wordt geboden om een verzuim te herstellen. Bij deze indiening die niet in lijn is met het procesreglement zijn de nadelige gevolgen voor een rechtzoekende veel groter.
7. Het voorgaande klemt des te meer nu in de reactie van de rechtbank op het ingediende beroep per Veilig Mailen wel valt te lezen dat een andere digitale weg open staat, maar in deze reactie staat niet expliciet dat het reeds ingediende beroep verder niet in behandeling wordt genomen.
8. De rechtbank is van oordeel dat de zaak niet zonder zitting had kunnen worden afgedaan, omdat hetgeen hiervoor is overwogen reden geeft tot twijfel en ter zitting besproken had moeten worden. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 11 augustus 2025 vervalt (op grond van artikel 8:55, negende lid, Awb).
9. De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de buiten-zitting uitspraak van 11 augustus 2025 werd gedaan. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposant krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank opposant gelijk zal geven in de beroepszaak. Dat moet nog beoordeeld worden.
10. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.
De griffier is buiten staatte ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.