ECLI:NL:RBMNE:2026:273

ECLI:NL:RBMNE:2026:273

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 16-016902-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2025:6246

Samenvatting

Eindvonnis na tussenvonnis. De verdachte wordt veroordeeld voor een zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 15 maanden en tbs met voorwaarden. Verder bevat het vonnis een beslissing op de vordering benadeelde partij en een vordering tul.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16-016902-25 en 21-004809-21 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 januari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is eerst inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 17 oktober 2025. Op 31 oktober 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Vervolgens is de behandeling van de strafzaak voortgezet op de openbare zitting van 16 januari 2026.

Op de zitting van 16 januari 2026 waren aanwezig:

- M.G.H. van Willigenburg , psycholoog;

- L. de Lange en V.Y.F. Heugen , reclasseringswerkers.

2. Verwijzing naar het tussenvonnis

Op 31 oktober 2025 heeft de rechtbank in deze strafzaak een tussenvonnis gewezen, waarin de verdachte is vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag) en waarin het subsidiair tenlastegelegde feit (zware mishandeling) bewezen is verklaard. Het tussenvonnis is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De overwegingen en conclusies van de rechtbank ten aanzien van het bewijs, de bewezenverklaring, de strafbaarheid van het feit en de kwalificatie van het feit worden in dit eindvonnis als herhaald en ingelast beschouwd.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geen uitspraak gedaan over de strafbaarheid van verdachte en ook niet over een passende straf en/of maatregel. De rechtbank heeft in het tussenvonnis het onderzoek heropend en opdracht gegeven de reclassering een advies te laten uitbrengen over de wenselijkheid en de haalbaarheid van een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. Verder heeft de rechtbank de betrokken psycholoog en de betrokken reclasseringswerker opgeroepen om als deskundige op zitting over datzelfde onderwerp te worden gehoord. De rechtbank heeft daarnaast aangegeven dat zij de psycholoog wil bevragen over (haar conclusie met betrekking tot) de mogelijke doorwerking van de vastgestelde stoornissen in het bewezenverklaarde handelen.

In aanvulling op het tussenvonnis, overweegt en beslist de rechtbank het navolgende.

3. Strafbaarheid verdachte

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of mogelijk sprake is van verminderde of (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid. Dit is mede ingegeven door de verklaringen van getuigen en de politie dat de verdachte op de dag van het bewezen verklaarde een achterdochtige en verwarde indruk maakte. De verdachte zelf heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij in een psychose zat. Door of namens de verdachte is geen schulduitsluitingsverweer gevoerd.

Dubbelrapportage

Over verdachte zijn de volgende Pro Justitia-rapporten opgemaakt:

Uit het rapport van de psychiater volgt dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het psychiatrisch onderzoek. De psychiater kan daarom niets zeggen over de aanwezigheid van een psychiatrische stoornis en een eventuele doorwerking daarvan. De verdachte heeft wel meegewerkt aan het psychologisch onderzoek. De psycholoog komt tot de conclusie dat sprake is van meerdere psychische stoornissen die levenslang aanwezig zijn, namelijk een licht verstandelijke beperking/zwakbegaafdheid en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken. Ook wordt door de psycholoog overwogen dat sprake kan zijn van een posttraumatische stress-stoornis en een stoornis in het gebruik van verschillende middelen.

De psycholoog heeft zich in haar rapport onthouden van een advies over de doorwerking. Mede gelet op de ontkenning van de verdachte en tegenstrijdige verklaringen, is het voor de psycholoog onvoldoende duidelijk geworden wat de omstandigheden waren tijdens het strafbare feit en welke gedachten, gevoelens en gedragingen de verdachte op dat moment had. Ook is volgens de psycholoog niet uit te sluiten dat ook niet-stoornis gerelateerde factoren, zoals middelengebruik, een rol hebben gespeeld bij het plegen van het strafbare feit.

Op de zitting van 16 januari 2026 is de psycholoog nader bevraagd door de rechtbank en heeft de psycholoog verklaard tot een andere afweging te komen. Zij is terugkijkend van mening dat zij in haar rapport wel iets meer had kunnen zeggen over de doorwerking. Dat de rechtbank in het tussenvonnis al een oordeel heeft gegeven over de bewezenverklaring, maakt ook dat de psycholoog zich iets nauwkeuriger kan uitlaten over de doorwerking. De chronisch aanwezige persoonlijkheids- en verstandelijke problematiek, in combinatie met het vermoeden dat ook sprake is van ernstige verslavingsproblematiek, maken samen één groot geheel van ernstige psychische problematiek die grote invloed heeft op het functioneren van de verdachte. De psycholoog acht daarom aannemelijk dat ten minste sprake was van enigszins verminderde toerekenbaarheid.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt.

De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat sprake was van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De verdachte heeft reeds in het eerste verhoor, dus nog voordat hij kennis had genomen van het procesdossier, wisselend verklaard over zijn aanwezigheid, zijn herinneringen aan het feit en zijn aandeel daarin. Zo verklaart hij het ene moment dat hij er niet bij was, waarna hij daarna verklaart dat [persoon] vlak na het incident naar zijn auto liep en weer later dat hij “deze jongen moest uitschakelen van [persoon] ”. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte vervolgens verklaard zich niets meer te herinneren vanwege een psychose. De rechtbank is van oordeel dat daarom onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte ook daadwerkelijk verkeerde in een zodanig psychotische toestand, dat hij als gevolg daarvan niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was, of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. Ook weegt de rechtbank mee dat de psycholoog niet tot de conclusie komt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is. De verdachte is dus strafbaar.

De rechtbank is, gelet op de conclusies van de psycholoog, zowel in haar rapport als op zitting, wel van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend en zal hier in de strafmaat rekening mee houden.

4. Straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op de zitting van 16 januari 2026 de eerdere eis (zie daarvoor het tussenvonnis) gewijzigd. De nieuwe eis van de officier van justitie houdt in dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest en dat aan de verdachte tbs met dwangverpleging wordt opgelegd. De officier van justitie verwijst naar het advies van de reclassering dat een tbs met voorwaarden niet haalbaar wordt geacht.

De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat de klinische behandeling ook als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden opgelegd en dat in de afgelopen jaren de rechtbank en het hof in eerdere strafzaken van de verdachte een klinische behandeling ook niet nodig hebben gevonden. De advocaat verzoekt daarom een onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen.

De advocaat voert verder aan dat de oplegging van tbs met dwangverpleging niet proportioneel is. Daar komt nog eens bij dat de verdachte door het landelijke tekort aan plekken niet spoedig zou kunnen beginnen met de behandeling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte op:

een gevangenisstraf van vijftien maanden;

tbs met voorwaarden, met daarbij de voorwaarden die de reclassering in het advies van 31 december 2025 heeft vermeld.

Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling, door het slachtoffer twee keer met kracht met een ijzeren pijp op zijn hoofd te slaan. De eerste klap kwam voor het slachtoffer uit het niets, op zijn achterhoofd, en bij de tweede klap werd het slachtoffer in zijn gezicht geraakt. De wond boven zijn wenkbrauw moest worden gehecht in het ziekenhuis en heeft een litteken achtergelaten. Het slachtoffer is hiermee dus voor het leven getekend. Het is niet duidelijk geworden wat de aanleiding was voor dit forse geweld. Mogelijk speelden achterdocht en paranoïde gedachten, in combinatie met middelengebruik, een rol.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte volgt dat de verdachte zich in 2021 al eerder schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten, namelijk een poging tot zware mishandeling en bedreiging van zijn ex-vriendin. De verdachte heeft in die zaak een voorwaardelijke straf gekregen waarvan nu tevens een vordering tot tenuitvoerlegging aanhangig is. De verdachte is verder al veelvuldig veroordeeld voor verschillende misdrijven; grotendeels vermogensdelicten. Aan de verdachte zijn in het verleden een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) en een maatregel van verblijf in een instelling voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) opgelegd, die hij respectievelijk van 2005 tot 2010 en van 2016 tot 2018 heeft ondergaan.

De verdachte is verder in het kader van deze strafzaak onderzocht door een psychiater en een psycholoog. Voor de relevante inhoud van die rapporten verwijst de rechtbank naar de inhoud van paragraaf 7.1 van het tussenvonnis en naar hetgeen hierboven onder paragraaf 3 staat vermeld.

Naar aanleiding van het tussenvonnis van 31 oktober 2025 heeft de reclassering een zogeheten maatregelenrapportage opgesteld. In het rapport van 31 december 2025 schrijft de reclassering dat de verdachte in eerste instantie niet open stond voor een klinische behandeling, maar een aantal dagen later toch toestemming gaf voor het aanvragen van een indicatiestelling. De reclassering schrijft dat zij denken dat de verdachte vooral wil meewerken omdat hij geen tbs met dwangverpleging wil, in plaats van dat hij echt gemotiveerd is om aan zijn problematiek te werken. Ook gelet op het gebrek aan ziekte-inzicht en de zelfbepalende houding die zij zien, heeft de reclassering te veel vraagtekens bij de haalbaarheid van een klinische behandeling in het kader van tbs met voorwaarden. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden hoog in. Mocht de rechtbank toch een tbs-maatregel met voorwaarden opleggen, dan heeft de reclassering voorwaarden geadviseerd. De reclassering adviseert verder ook de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen (art. 38z Sr).

Mevrouw De Lange , reclasseringsmedewerker, heeft op de zitting van 16 januari 2026 het advies toegelicht. In aanvulling op het advies heeft zij verklaard dat de reclassering het eerdere advies van 3 oktober 2025, wat inhield dat aan de verdachte bijzondere voorwaarden konden worden opgelegd in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf, niet langer toereikend vindt om het recidiverisico te verlagen. Voor de inhoud van dat advies verwijst de rechtbank naar paragraaf 7.3 van het tussenvonnis. De reclasseringsmedewerker adviseert een strakker kader dan de tbs met voorwaarden, dus dat wil zeggen een tbs-maatregel met dwangverpleging.

De rechtbank heeft ook de psycholoog op de zitting van 16 januari 2026 nader gehoord over de vraag wat zij een passende afdoening vindt in deze zaak. De psycholoog heeft verklaard dat zij de extrinsieke motivatie van de verdachte (geen tbs met dwangverpleging willen) niet als contra-indicatie ziet voor het opleggen van tbs met voorwaarden, omdat zij in de gesprekken heeft gemerkt dat de verdachte wat tijd nodig heeft om te ontdooien en ook een open houding heeft laten zien. De psycholoog komt ook tot een andere inschatting van het risico op recidive, namelijk matig tot hoog. Een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden vindt de psycholoog geen geschikt kader, omdat de verdachte niet heel gemotiveerd is om mee te werken aan een klinische behandeling. Mocht het hem dan niet lukken om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden, dan wordt de gevangenisstraf mogelijk tenuitvoergelegd en komt hij daarna onbehandeld en met een onbewerkt recidiverisico terug in de maatschappij. Op basis van de gesprekken die de psycholoog heeft gehad met de verdachte, schat zij in dat een tbs met voorwaarden passend zou kunnen zijn. De verdachte moet dan wel bereid zij om mee te werken, zo geeft zij aan.

Straf

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de ernst van het feit, geen andere straf passend is dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht verder strafverzwarend dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar al tweemaal eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit. Verder is ook strafverzwarend dat de verdachte gebruik maakte van een (provisorisch) wapen, namelijk een ijzeren steigerbuis en dat de zware mishandeling in het openbaar is gepleegd. De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat het feit verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van vijftien maanden passend en geboden is, en zal deze straf ook aan de verdachte opleggen. De rechtbank bepaalt dat de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht op die straf in mindering zal worden gebracht.

Tbs-maatregel

De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking dan wel zwakbegaafdheid, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken en een – ten minste lichte – stoornis in middelengebruik (cannabis). Het bewezen verklaarde feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel. Zowel de reclassering als de psycholoog achten een klinische behandeling vanwege de complexe en chronische problematiek van de verdachte noodzakelijk om het recidiverisico te verlagen. Het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is daarvoor niet toereikend. Het is ongewenst en onverantwoord als de verdachte uiteindelijk onbehandeld terug zou keren in de samenleving, in het geval het hem niet lukt zich aan de bijzondere voorwaarden te houden.

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de tbs met voorwaarden voldoende kader biedt om het recidiverisico te beperken. De verdachte heeft op de zitting van 16 januari 2026 laten zien enig ziekte-inzicht te hebben en inmiddels ook het besef te hebben dat een klinische behandeling nodig is. De verdachte is op de wachtlijst geplaatst bij De Wier+. De rechtbank heeft op de zitting de indruk gekregen dat de verdachte zich bewust is van zijn eigen aandeel in het mislukken van een eerdere behandeling daar en dat hij positief staat tegenover een tweede behandelpoging. De rechtbank zal ter bescherming van de algemene veiligheid van personen of goederen – kort gezegd – de volgende voorwaarden stellen die het gedrag van verdachte betreffen:

geen strafbaar feit plegen;

meewerken aan reclasseringstoezicht;

meewerken aan time-out;

niet naar het buitenland;

meldplicht bij reclassering;

opname in een zorginstelling, aansluitend aan de detentie;

ambulante behandeling, aansluitend aan de klinische behandeling;

begeleid wonen of maatschappelijke opvang, aansluitend aan klinische behandeling;

drugs- en alcoholverbod met urine- en ademonderzoek;

een contactverbod met het slachtoffer;

dagbesteding, en;

meewerken aan schuldhulpverlening.

De verdachte heeft op de zitting van 16 januari 2026 zich bereid verklaard de voorwaarden na te leven.

Gelet op de noodzaak tot behandeling en het recidiverisico, beveelt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

In geval van omzetting naar tbs met dwangverpleging

De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen, zodat de maatregel niet gemaximeerd zal zijn in geval van omzetting in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Sr)

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de persoonlijkheids- en verstandelijke problematiek naar het deskundig oordeel van de psycholoog levenslang aanwezig is aanleiding om - naast de maatregel van tbs met voorwaarden - ook de door de reclassering geadviseerde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om ook na afloop van de tbs-maatregel nog steeds toezicht op verdachte te kunnen houden en bijzondere voorwaarden te formuleren waaraan verdachte zich moet houden indien dat op dat moment nog noodzakelijk wordt geacht. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig de voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde terbeschikkingstelling plaatsvinden.

De voorlopige hechtenis

De verdachte heeft voor deze strafzaak 381 dagen in voorarrest doorgebracht. De rechtbank stelt voorop dat de ernstige bezwaren en gronden, zoals vermeld in het tussenvonnis van 31 oktober 2025, nog altijd aanwezig zijn. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte vanuit detentie direct geplaatst kan worden in een kliniek. Vervolgens is ook van belang dat de tbs-maatregel niet wordt onderbroken door een eventueel restant van de opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank ziet daarom geen redenen om de voorlopige hechtenis per direct op te heffen of te schorsen.

Het restant van de opgelegde gevangenisstraf is, na aftrek van het voorarrest, langer dan 60 dagen. Dat maakt dat de rechtbank geen beslissing kan nemen over de opheffing of de schorsing van de voorlopige hechtenis na die periode. In het geval hoger beroep wordt ingesteld tegen dit vonnis, kan het gerechtshof daartoe beslissen.

5. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.510,93, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 510,93 voor vergoeding van materiële schade en € 4.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

eigen risico zorgverzekering: € 385,-;

tandartskosten: € 125,93.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, inclusief de wettelijke rente, en vordert de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair verzoekt de advocaat de gevorderde tandartskosten af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende is onderbouwd dat er gebitsschade is geleden als gevolg van het feit. De advocaat verzoekt verder het bedrag aan immateriële schade sterk te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op het eigen risico van de zorgverzekering is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de tandartskosten niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. Gelet op deze betwisting is de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende, omdat uit het dossier noch uit de vordering en bijlagen voldoende blijkt dat de benadeelde partij door het geweldsincident schade heeft opgelopen aan zijn gebit. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Dat lichamelijke letsel bestaat uit een blijvend ontsierend litteken in het gezicht.

Op de zitting van 17 oktober 2025 heeft de advocaat van de benadeelde partij ook nog aangevoerd dat benadeelde sinds het incident last heeft van scheefstand van zijn oog. De benadeelde partij heeft zich voor dat letsel nog niet onder behandeling laten stellen. De rechtbank zal dit niet meewegen in de beoordeling van de immateriële schade, omdat dit letsel niet nader is onderbouwd.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor een passende immateriële schadevergoeding voor een bepaald gevalstype. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

De rechtbank heeft in dit geval gekeken naar categorie 9.2 D van de Rotterdamse schaal, waaruit volgt dat voor minder ernstige littekenvorming in het gezicht, dat het uiterlijk in enige mate aantast een bedrag tussen de € 2.500,- en € 9.500,- passend wordt gevonden.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat het letsel beperkt is gebleven tot uitwendig letsel, met (cosmetische) littekenvorming tot gevolg. Bij de vordering zijn foto’s gevoegd, waarop te zien is dat het litteken ongeveer vijf centimeter lang is en zich bevindt boven de rechterwenkbrauw. Niet bekend is of en hoe het litteken zich nog gaat ontwikkelen en of nog verbetering mogelijk is. Verder heeft de advocaat van de benadeelde partij op 17 oktober 2025 toegelicht dat de benadeelde partij nog angstig is, maar gelukkig wel in mindere mate en dat daar geen psychische hulp voor is gezocht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de psychische gevolgen voor het slachtoffer beperkt zijn gebleven.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,- billijk is voor de geleden immateriële schade. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

De vergoeding van de materiële schade (€ 385,-) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2025, omdat uit de overgelegde factuur blijkt dat de zorgkosten op die datum zouden zijn voldaan.

De vergoeding van de immateriële schade (€ 3.000,-) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan.

De wettelijke rente loopt telkens tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskostenveroordeling

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. Tot op heden begroot de rechtbank die kosten op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.385,- aan de Staat moet betalen. De vergoeding van de schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierboven vermeld.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 33 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

6. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

Het gerechtshof Arnhem heeft aan de verdachte in de zaak met rolnummer 21-004809-21 op 14 september 2023 een gevangenisstraf opgelegd, waarvan een gedeelte van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de vordering wordt afgewezen. Deze eis wijkt af van de eerdere eis, gedaan op de zitting van 17 oktober 2025.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Reden daarvoor is dat de rechtbank het, net als de officier van justitie en de advocaat, belangrijk vindt dat de verdachte zo snel mogelijk kan starten met de behandeling.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf, maatregelen en beslissing op de vordering benadeelde partij zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 38z en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire feit heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit heeft gepleegd, zoals in het tussenvonnis in paragraaf 5.2 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in het tussenvonnis in paragraaf 6 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

tbs met voorwaarden

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde, namelijk dat hij:

Algemene voorwaarde

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Geen strafbaar feit plegen

zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Meewerken aan reclasseringstoezicht

meewerkt met het reclasseringstoezicht, welke medewerking onder andere inhoudt dat hij:

o zich meldt op afspraken bij de reclassering, zo vaak als de reclassering dat nodig vindt;

o een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien, om zijn identiteit vast te stellen;

o zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de ter beschikking gestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

o de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

o meewerkt aan huisbezoeken;

o de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

o niet van (verblijf)adres verandert zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de reclassering;

o meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de ter beschikking gestelde, als dat van belang is voor het toezicht;

Meewerken aan time-out

als de reclassering dat nodig vindt en de ter beschikking gestelde daarmee instemt, kan de ter beschikking gestelde voor een time-out worden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de ter beschikking gestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

Niet naar het buitenland

niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;

Opname in een zorginstelling

zich laat opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend aan detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de ter beschikking gestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

Ambulante behandeling

zich laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

Drugs- en alcoholverbod

geen drugs en geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urine- en/of ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de ter beschikking gestelde wordt gecontroleerd;

Contactverbod

op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met het slachtoffer [benadeelde] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

Dagbesteding

zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.

Meewerken aan schuldhulpverlening

meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- geeft opdracht aan Verslavingsreclassering GGZ Tactus de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

maatregel 38z Sr

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

vordering benadeelde partij

vermeerderd met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 385,- met ingang van 25 februari 2025;

- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 13 januari 2025;

telkens tot de dag van volledige betaling;

schadevergoedingsmaatregel

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 3.385,- te betalen, bestaande uit € 385,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 385,- met ingang van 25 februari 2025;

- over een bedrag van € 3.000,- met ingang van 13 januari 2025;

telkens tot de dag van volledige betaling;

- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 33 dagen gijzeling;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21-004809-21

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.

Bijlage I: Tussenvonnis

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.R.H. Koekoek
  • mr. S.D. Groen

Griffier

  • mr. R.C. van Grinsven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?