RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16-238252-25; 16-329830-25 (t.t.z. gevoegd) (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 6 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
in de zaak met parketnummer 16/238252-25:
feit 1
op 8 september 2025 te Almere met geweld van [slachtoffer 2] een tas, een laptop, een koptelefoon en een bril heeft weggenomen;
feit 2
op 8 september 2025 te Almere met geweld van [slachtoffer 3] een schoudertas, een laptop, een OV-chipkaart en een powerbank heeft weggenomen;
feit 3
op 8 september 2025 te Almere met geweld van [slachtoffer 4] tassen en een portemonnee heeft weggenomen;
feit 4
op 8 september 2025 te Almere met geweld van [slachtoffer 1] een tas en twee telefoons heeft weggenomen;
feit 5
op 8 september 2025 te Almere met geweld van [slachtoffer 5] een tas, snellader, parfum en een sleutel heeft weggenomen;
feit 6
op 8 september 2025 te Almere met geweld heeft geprobeerd van [slachtoffer 6] een tas met inhoud weg te nemen;
in de zaak met parketnummer 16/329830-25 (hierna verder: feit 7):
feit 7
primair
op 26 maart 2025 te Almere door middel van braak een portemonnee, paspoort, papieren en zonnebrillen van [benadeelde] heeft weggenomen;
subsidiair is dit feit ten laste gelegd als vernieling van een auto van [benadeelde] .
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/238252-25 en 16/329830-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1 tot en met 6 en feit 7.
De volledige tekst van de beschuldigingen staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 7 primair heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van de feiten 1 tot en met 6, voor zover dit ziet op de geweldscomponent. Voor het overige heeft de advocaat geen standpunt ingenomen over het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 tot en met 6 en 7 primair
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 tot en met 6 en 7 primair zijn bewezen zoals hieronder opgenomen. De verdachte bekent dat hij de feiten heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om integrale vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt in bijlage II daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feiten 1 tot en met 6
De rechtbank overweegt als volgt. Voor feit 1 geldt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de tas van aangeefster uit haar fietstas wegnam in het voorbijgaan. Uit de bewijsmiddelen volgt voor de feiten 2 en 3 dat de verdachte de tas van aangeefsters uit hun fietsmanden wegnam, terwijl hij met zijn scooter langs hen reed. Daarbij werd geen geweld gebruikt in de richting van aangeefsters. De rechtbank oordeelt dat het enkel onverhoeds pakken van een tas uit een fietstas of fietsmand geen diefstal met geweld oplevert in de zin van artikel 312 Wetboek van Strafrecht. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de geweldshandelingen in de feiten 1 tot en met 3.
Dit ligt anders voor de feiten 4 tot en met 6. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in deze gevallen de verdachte met kracht aan de tas van aangeefsters trok die om hun schouder hing. De rechtbank oordeelt dat de verdachte op die manier wel degelijk geweld heeft gebruikt, gericht om de diefstal gemakkelijk te maken en zich te verzekeren van de tassen van aangeefsters. Dit blijkt te meer uit het feit dat aangeefster [slachtoffer 5] (feit 5) als gevolg van het rukken aan haar tas van haar fiets viel en letsel opliep. In het geval van feit 6 is de verdachte er niet in geslaagd de tas werkelijk weg te nemen en is het bij een poging gebleven.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
op 8 september 2025 te Almere, een tas (merk Michal Kors) en laptop (merk Asus) en een koptelefoon (merk Sony) en een bril (merk Burberry), die geheel aan [slachtoffer 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
op 8 september 2025 te Almere, een schoudertas en een laptop (merk Dell) en een OV-chipkaart en een powerbank die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3op 8 september 2025 te Almere, een tas en een portemonnee (met inhoud) en een Schipholtas die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4
op 8 september 2025 te Almere, een tas en twee telefoons (Samsung S24 Ultra en Samsung S20/S21), die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren, door- dicht naast die [slachtoffer 1] te rijden en
- met kracht een tas van de schouder van die [slachtoffer 1] te trekken;
5
op 8 september 2025 te Almere, een tas en een snellader en parfum en een sleutel die geheel aan [slachtoffer 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren, door- dicht naast die [slachtoffer 5] te rijden en- met kracht een tas van de schouder en uit de handen van die [slachtoffer 5] te trekken, waardoor die [slachtoffer 5] met haar fiets op de grond viel;
6
op 8 september 2025 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een tas met inhoud die geheel aan [slachtoffer 6] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen die [slachtoffer 6] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren,- dicht naast die [slachtoffer 6] heeft gereden en
- met kracht aan een tas aan de schouder van die [slachtoffer 6] heeft getrokken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
7 primair
op 26 maart 2025 te Almere een portemonnee, paspoort, papieren en zonnebrillen die geheel aan [benadeelde] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1. diefstal
2 diefstal
3 diefstal
4 diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren,
5 diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren,
6 poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren,
7 diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf of maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 390 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 218 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende klinische opname, verbod verdovende middelen, dagbesteding;
een taakstraf van 240 uur.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de feiten in licht verminderde mate aan de verdachte zijn toe te rekenen gelet op zijn stoornis in het gebruik van cocaïne en ontwikkelingsproblematiek op de impulsiviteit en het beoordelingsvermogen. Het is van wezenlijk belang dat de verdachte hiervoor passende hulpverlening krijgt. De verdachte is gemotiveerd om een behandeling te ondergaan en heeft dagbesteding in de vorm van werk bij het [bedrijf 1] van zijn broer. De verdachte heeft zijn leven op de rit en bij oplegging van een straf moet worden gewaarborgd dat die positieve ontwikkeling niet onnodig wordt doorkruist.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft op één dag vijf slachtoffers beroofd van hun tas. Bij een ander slachtoffer is het bij een poging gebleven. In het voorbijgaan, rijdend op zijn scooter, heeft de verdachte de tas uit een fietsmand, fietstas of van de schouder van de slachtoffers getrokken. Dit moet een beangstigende situatie zijn geweest voor deze slachtoffers. De meeste slachtoffers zaten op de fiets toen de verdachte hun tas wegnam. De verdachte heeft door zijn handelen daarmee ook het risico genomen dat de slachtoffers ten val zouden komen. In een enkel geval is dit daadwerkelijk gebeurd en heeft het slachtoffer letsel opgelopen. Daarnaast heeft de verdachte ingebroken in een auto en daaruit goederen weggenomen.
Door op deze manier te handelen heeft de verdachte op geen enkele wijze respect getoond voor de eigendommen van anderen en enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin voor het kunnen bekostigen van cocaïne. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan een gevoel van sociale onveiligheid. Zijn handelen heeft ook grote en mogelijk blijvende impact gehad op alle slachtoffers, zoals blijkt de aangiftes en toelichtingen bij de benadeelde partij vorderingen. Sommige slachtoffers durven niet meer in de avond of alleen de straat op en ervaren veel gevoelens van onzekerheid en angst, vooral op momenten dat zij een scooter horen rijden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- het strafblad van verdachte van 2 maart 2026;
- een psychologisch rapport van 29 december 2025, uitgebracht door klinisch neuropsycholoog [B] ;
- een reclasseringsadvies van Tactus van 13 april 2026.
Strafblad
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke misdrijven.
Psychologisch rapport
De psycholoog heeft gerapporteerd dat bij de verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cocaïne (ernstig), een licht verstandelijke beperking en een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis. Tijdens het plegen van de feiten speelden deze stoornissen een rol. Echter, de verdachte handelde doelgericht, was zich ervan bewust dat zijn gedrag strafbaar was en kon de risico’s van zijn handelen inschatten. De psycholoog adviseert daarom de feiten in licht verminderde mate toe te rekenen.
In het rapport is opgenomen dat de ontwikkelingsproblematiek en ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne in belangrijke mate risicovol gedrag versterken. Als er behandeling en structuur worden ingezet, wordt het recidiverisico geschat op matig tot laag, indien deze niet worden ingezet dan wordt het risico geschat op matig tot hoog. Een klinische fase blijft volgens de psycholoog nodig om structuur, impulscontrole en abstinentie duurzaam te verstevigen.
Reclasseringsadvies
Tactus Reclassering heeft in haar advies betrokken dat de verdachte een verslaving aan cocaïne kent en dat hij de delicten onder invloed van verdovende middelen pleegde. De verdachte gebruikt op dit moment geen middelen meer. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De verdachte is sinds zijn detentie aan het werk bij de [bedrijf 1] van zijn broer. Ook heeft de verdachte zijn eerste intake bij [instelling] gehad en zal hij in behandeling gaan. Als de verdachte opnieuw wordt gedetineerd, zal dit ervoor zorgen dat hij zijn dagbesteding en de behandeling kwijtraakt. De verdachte heeft zich goed gehouden aan de gemaakte afspraken in het kader van de gestelde voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. De reclassering adviseert aan de verdachte een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende klinische opname, verbod op verdovende middelen, dagbesteding) op te leggen.
Toerekenbaarheid
De rechtbank kan zich vinden in het advies van de psycholoog en oordeelt dat de bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan de verdachte moeten worden toegerekend, gelet op de ontwikkelingsproblematiek van de verdachte en zijn ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne die ook aanwezig waren ten tijde van, en van invloed zijn geweest op het bewezenverklaarde.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een enkele zakkenrollerij is een taakstraf van 120 uren, voor een enkele diefstal met geweld (tasjesroof met een enkele duw/ruk) een gevangenisstraf van 3 maanden en als het een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging betreft een gevangenisstraf van 6 maanden.
Hoewel de rechtbank de verdachte voor de feiten 1 tot en met 3 heeft vrijgesproken van het gebruiken van geweld, weegt de rechtbank de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd en de risico’s voor de aangeefsters die daarmee gepaard gingen, in strafverzwarende zin mee. Voorts overweegt de rechtbank dat de verdachte zich aan de voorwaarden van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gehouden en dat hij sinds zijn aanhouding niet met justitie in aanraking is gekomen. De verdachte is abstinent van verdovende middelen, is gemotiveerd voor behandeling en heeft op dit moment dagbesteding in de vorm van werk. De rechtbank acht het onwenselijk dat de positieve weg die de verdachte lijkt te zijn ingeslagen wordt doorkruist door aansluitende detentie. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de tijd van het voorarrest overstijgt om die reden niet aangewezen. Wel is een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht nodig om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt ten slotte mee dat de verdachte enkele maanden, vanaf de schorsing van de voorlopige hechtenis in maart 2026, in zijn vrijheid beperkt is geweest door elektronische monitoring (enkelband).
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en zoals hierna verwoord. De verdachte heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij bereid is zich aan deze voorwaarden te houden. Ook legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 180 uren op.
De verdachte heeft onder invloed van zijn verslaving in korte tijd een flink aantal strafbare feiten begaan en heeft geweld daarbij niet geschuwd. Gelet hierop moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden daarom dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6. Vordering benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich gesteld als benadeelde partij:
[slachtoffer 2]
vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € € 2.204,13 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.589,13 voor vergoeding van materiële schade en € 615,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Michael Kors tas: € 190,-;
Laptop: € 989,40;
Koptelefoon Sony: € 159,-;
Bril op sterkte Burberry: € 92,70;
Gescheurde fietstas: € 34,99;
Verlies van arbeidsvermogen: € 123,04.
[slachtoffer 3]
vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van materiële schade van € 548,91 voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Marco Polo handtas: € 79,90;
Ov-chipkaart: € 11,-;
Powerbank: € 21,99;
Laptop Dell Latitude: € 325,-;
Laptop oplader + accu: € 86,02;
Schoolspullen (etui + inhoud): € 25,-.
[slachtoffer 1]
vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van materiële schade van € 1.557,03 voor feit 4, vermeerderd met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Kosten tot einde contract telefoon: € 373,03;
Samsung S24 Ultra 5G 512 GB, waarde maart 2024: € 1.149,-;
Zwarte tas: € 35,-.
[slachtoffer 5]
vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.051,45 voor feit 5, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.051,45 voor vergoeding van materiële schade en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Vrije en ziekte dagen van moeder 34 uur x € 25,05 = € 851,70;
Oplader: € 20,-;
Kleingeld: € 4,-;
Benzinekosten naar hulpverlener 25 km x € 0,23 = € 5,75;
Slot € 170,-.
De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 650,- voor gemaakte proceskosten.
[slachtoffer 6]
vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.550,- voor feit 6, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 50,- voor vergoeding van materiële schade, € 500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld) en € 1.000,- voor vergoeding van affectieschade.
[benadeelde]
vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.861,59 voor feit 7, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.361,59 voor vergoeding van materiële schade en € 500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Nieuw paspoort: € 88,65;
Schade aan auto: € 750,-;
Zonnebril: € 199,95;
Armani geur: € 82,99;
Laptoptas: € 90,00;
Huurauto: € 150,00.
De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 50,- voor gemaakte proceskosten.
Schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partijen verzoeken allen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen op de volgende standpunten:
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]
De vorderingen zijn in hun geheel vatbaar voor toewijzing.
[slachtoffer 3]
De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 300,-. Voor het overige dient deze niet-ontvankelijk te worden verklaard.
[slachtoffer 5]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is deels toewijsbaar, voor zover dit ziet op de posten van het slot, het kleingeld, de oplader, de reiskosten en de begeleiding naar de behandelaar. De post die ziet op de dagen van het werk van moeder moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade is deels toewijsbaar, tot een bedrag van € 2.000,-.
[slachtoffer 6]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is toewijsbaar. De immateriële schade is deels toewijsbaar tot een bedrag van € 615,-. De post ‘affectieschade’ moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
[benadeelde]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is deels toewijsbaar tot een bedrag van 700,-. De vordering moet niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover deze ziet vergoeding van immateriële schade.
De officier van justitie heeft geadviseerd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de wettelijke rente toe te passen.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen het volgende aan:
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de materiële schade, voor zover die ziet op de post ‘fietstas’, vanwege onvoldoende onderbouwing. De vordering moet worden afgewezen voor zover dit ziet op de immateriële schade, vanwege het ontbreken van een grondslag.
[slachtoffer 3]
De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering vanwege onvoldoende onderbouwing.
[slachtoffer 5]
De benadeelde partij moet in de vordering tot vergoeding van materiële schade, voor zover dit ziet op de post ‘oplader’ niet-ontvankelijk worden verklaard, vanwege onvoldoende onderbouwing. De vordering dient te worden afgewezen, voor zover dit ziet op het opnemen van vrije dagen en de reiskosten, vanwege het ontbreken van een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. De immateriële schade en de proceskosten moeten worden afgewezen, wegens het ontbreken van een grondslag van de vordering.
[slachtoffer 6]
De vordering tot vergoeding van materiële schade is onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij dient voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De immateriële schade dient te worden afgewezen vanwege het ontbreken van een grondslag van de vordering.
[benadeelde]
In de vordering tot materiële schadevergoeding en proceskosten moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, wegens onvoldoende onderbouwing.
De vordering moet worden afgewezen voor zover deze ziet op vergoeding van immateriële schade, wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde en het ontbreken van een grondslag van de vordering.
Oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 2] (feit 1)
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is mogelijk op grond van art. 6:106 sub b BW, als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor haar heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad. Gevoelens van angst, onzekerheid, schrik en machteloosheid vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 BW. De rechtbank neemt aan dat, zoals de benadeelde partij stelt, als gevolg van de diefstal haar gevoel van veiligheid blijvend is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank kan zonder verdere onderbouwing echter niet worden vastgesteld dat sprake is van meer dan psychisch onbehagen en dus van een aantasting van de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106 sub 2 BW. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[slachtoffer 3] (feit 2)
De vordering tot vergoeding materiële schade is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank schat de geleden schade op het gevorderde bedrag en wijst de vordering daarom geheel toe.
[slachtoffer 1] (feit 4)
Materiële schade
Contract + telefoon Samsung S24 Ultra 5G
De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de restkosten van het telefooncontract en de aanschafprijs van de Samsung S24 Ultra 5G, nu de vordering niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingediend. Tijdens de zitting heeft [slachtoffer 1] als toelichting op de vordering bevestigd dat de telefoon en het contract is aangekocht door, en op naam staat van, de zaak van haar partner ( [bedrijf 2] ). De rechtbank kan uit de vordering en hetgeen door [slachtoffer 1] tijdens de zitting heeft toegelicht, niet afleiden dat [slachtoffer 1] gemachtigd was om de vordering namens [bedrijf 2] in te dienen. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Zwarte tas
Het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van de tas zal de rechtbank toewijzen. Hoewel [slachtoffer 1] dit deel van de vordering niet heeft onderbouwd, kan op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks de gestelde schade heeft geleden door het onder 4 bewezen verklaarde feit. De rechtbank schat de geleden schade op het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 35,-.
[slachtoffer 5] (feit 5)
Materiële schade
Verlof-/ziektedagen moeder
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadepost verlof-/ziektedagen van moeder niet-ontvankelijk. Hoewel deze schadepost als verplaatste schade zou kunnen worden gecategoriseerd, is de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. Niet is duidelijk of de moeder van de benadeelde partij zich heeft ziekgemeld of verlof heeft opgenomen en of dit tot werkelijke schade heeft geleid. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Slot, kleingeld, oplader, reiskosten
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het slot, het kleingeld, de oplader en de reiskosten wijst de rechtbank toe. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 5 bewezen verklaarde feit. De rechtbank schat de geleden schade op het gevorderde bedrag en wijst de vordering daarom voor dat deel toe.
Extra kosten en misgelopen inkomsten door niet kunnen volgen opleiding
De benadeelde partij heeft onder het kopje ‘immateriële schade’ vergoeding gevorderd van extra kosten en misgelopen inkomsten door het niet kunnen volgen van een opleiding. Nu het hier niet gaat om psychisch letsel, maar materiële schade, zal de rechtbank het als zodanig beoordelen.
Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is om welke opleiding het gaat, of er vertraging zou ontstaan als gevolg van het handelen van de verdachte en welke inkomsten de benadeelde misloopt. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
De rechtbank overweegt ten aanzien van (de rest van) de vordering tot immateriële schade als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Gevorderde proceskosten
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde proceskosten voor het bedrag van € 650,- niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[slachtoffer 6] (feit 6)
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade zal de rechtbank toewijzen. Hoewel de vordering van [slachtoffer 6] op dit onderdeel niet is onderbouwd, kan op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 6 bewezen verklaarde feit. De rechtbank schat de geleden schade op het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Zoals hiervoor onder de vordering van [slachtoffer 2] is overwogen, is vergoeding van immateriële schade op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen of dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon. Gevoelens van angst, onzekerheid, schrik en machteloosheid vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 BW. De rechtbank neemt aan dat, zoals de benadeelde partij stelt, zij na de diefstal ‘mentally hurt’ (“mentaal gekwetst”) is. Zonder verdere onderbouwing kan echter niet worden vastgesteld dat sprake is van meer dan psychisch onbehagen en dus van een aantasting van de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106 sub 2 BW.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Affectieschade
Uit de toelichting bij de post ‘Affectieschade’ blijkt dat [slachtoffer 6] onder deze noemer van het schadeformulier hoogstwaarschijnlijk geen affectieschade (schade geleden door naasten van het slachtoffer), maar zelf een extra post aan immateriële schade heeft beoogd te vorderen (‘mental distress’, ‘mentale problemen’). Ook deze post is echter onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de benadeelde ook voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.
[benadeelde] (feit 7)
Materiële schade
Het gedeelte van de vordering dat ziet op vergoeding van het paspoort en de zonnebril is voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 7 bewezen verklaarde feit. De rechtbank schat de geleden schade op het gevorderde bedrag en wijst dit deel van de vordering toe.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De door de benadeelde partij gegeven onderbouwing is onvoldoende en op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de schade is ontstaan als gevolg van het handelen van de verdachte. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Zoals hiervoor onder de vordering van [slachtoffer 2] is overwogen is vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen of dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Gevorderde proceskosten
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde proceskosten van € 50,- niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem/haar doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. Gijzeling leidt er niet toe dat de verdachte de toegewezen bedragen niet meer hoeft te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Voor de vorderingen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] geldt dat zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk hebben gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wel wordt toegewezen, moet de verdachte de proceskosten vergoeden die deze benadeelde partijen hebben gemaakt of nog zullen maken. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
Over de vorderingen van [slachtoffer 5] en [benadeelde] heeft de rechtbank hiervoor beslist dat de benadeelde partijen voor de specifiek gevorderde bedragen aan proceskosten niet-ontvankelijk worden verklaard. Omdat de verdachte ook aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wel wordt toegewezen, moet de verdachte de proceskosten die deze benadeelde partijen nog zullen maken wel vergoeden. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 60a, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde luidden.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 tot en met 6 en 7 primair bewezenverklaarde;
straffen
gevangenisstraf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 7 (zeven) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* zich zal melden op afspraken met de reclassering Tactus (Randstad 22183 te Almere), zo vaak en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak neemt de reclassering contact op met de verdachte nadat de proeftijd is ingegaan;
* zich onder behandeling zal stellen van [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan een onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
* zich zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte dient mee te werken aan controle op dit verbod. De controle kan bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draag bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
dadelijke uitvoerbaarheid
- beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
taakstraf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 4)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 5)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 6)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 7)
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. H.A. Gerritse en mr. S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/238252-25:
1
hij op of omstreeks 8 september 2025 te Almere, een tas (merk Michal Kors) en/of laptop (merk Asus) en/of een koptelefoon (merk Sony) en/of een bril (merk Burberry), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- dicht naast die [slachtoffer 2] te rijden en/of- met kracht aan de fietstas van die [slachtoffer 2] te trekken en/of- een tas uit de fietstas van die [slachtoffer 2] te trekken;
2
hij op of omstreeks 8 september 2025 te Almere, een schoudertas en/of een laptop (merk Dell) en/of een OV-chipkaart en/of een powerbank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- dicht naast die [slachtoffer 3] te rijden en/of- met kracht een tas uit de fietsmand van die [slachtoffer 3] te trekken;
3hij op of omstreeks 8 september 2025 te Almere, een tas en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een Schiphol tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- dicht naast die [slachtoffer 4] te rijden en/of- met kracht een tas uit de fietsmand van die [slachtoffer 4] te trekken;
4
hij op of omstreeks 8 september 2025 te Almere, een tas en of twee telefoons (Samsung S24 Ultra en Samsung S20/S21), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- dicht naast die [slachtoffer 1] te rijden en/of- met kracht een tas van de schouder van die [slachtoffer 1] te trekken;
5
hij op of omstreeks 8 september 2025 te Almere, een tas en/of een snellader en/of parfum en/of een sleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- dicht naast die [slachtoffer 5] te rijden en/of- met kracht een tas van de schouder en/of uit de handen van die [slachtoffer 5] te trekken, waardoor die [slachtoffer 5] met haar fiets op de grond viel;
6
hij op of omstreeks 8 september 2025 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- dicht naast die [slachtoffer 6] heeft gereden en/of- met kracht aan een tas aan de schouder van die [slachtoffer 6] heeft getrokken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in de zaak met parketnummer 16/329830-25:
hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Almere een portemonnee, paspoort, papieren en/of zonnebrillen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield en/of beschadigd.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feiten 1 tot en met 6
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] ;
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] ;
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] ;
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] ;
- Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] .
Bewijsmiddelen feit 7 primair