RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer : 12089599 UT VERZ 26-592 AvdB
dossiernummer : [BM nummer]datum : 9 april 2026
Beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind
Op verzoek van:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
wonende te [adres] ,
[postcode 1] [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
en op verzoek van:
[bewindvoerder] , vennoot van [onderneming 1],
correspondentieadres: Postbus [postbusnummer] ,
[postcode 2] [plaats] ,
hierna te noemen: bewindvoerder.
1. De procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- de verzoeken c.q. klachten van betrokkene, ontvangen op 5, 6, 9,10 en 12 februari 2026 en 25 maart 2026;
- de schriftelijke reactie c.q. het tegenverzoek van de bewindvoerder, ontvangen op 12 februari 2026;
- de 27 e-mailberichten van betrokkene, ontvangen tussen 9 februari en 27 maart 2026.
De digitale zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026, daarbij zijn digitaal gehoord:
- mevrouw [betrokkene] , betrokkene;
- de heer [bewindvoerder] , bewindvoerder, samen met de heer [A] , eveneens vennoot van [onderneming 1] .
Van deze zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2. De beoordeling
Bij beschikking van 30 april 2025 is een bewind ingesteld over het vermogen van betrokkene, wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [onderneming 2] tot bewindvoerder.
Bij beschikking van 12 december 2025 is [onderneming 2] op eigen verzoek ontslagen als bewindvoerder, met de reden dat betrokkene niet wilde meewerken aan het bewind. In verband met een dreigende ontruiming van de huurwoning van betrokkene is [bewindvoerder] , vennoot van [onderneming 1] , benoemd tot opvolgend bewindvoerder per 1 januari 2026.
Betrokkene vraagt om opheffing van het bewind en uit een groot aantal uiteenlopende klachten over de bewindvoerder die er, kort samengevat, op neerkomen dat de bewindvoerder niet adequaat handelt in het belang van haar zelfredzaamheid. Zij wordt belemmerd in het zelfstandig afronden van haar schulden. De bewindvoerder is nalatig geweest met betrekking tot het controleren van de schulden en heeft druk op haar uitgeoefend voor deelname tot een schuldsaneringstraject. Betrokkene vraagt de rechtbank toezicht te houden op het handelen van de bewindvoerder en haar klachten nader te onderzoeken.
De bewindvoerder vraagt eveneens om opheffing van het bewind, wegens het structureel uitblijven van voldoende medewerking van betrokkene. Betrokkene heeft een bijstandsuitkering en problematische schulden. De bewindvoerder heeft de dreigende huisuitzetting weten te voorkomen, daarna is het gedrag van betrokkene als een blad aan een boom omgeslagen. De bewindvoerder heeft gezorgd dat rechthebbende is toegelaten tot een schuldsaneringstraject. Betrokkene heeft echter per e-mail aan de schuldhulpverlener laten weten dat zij niet aan dit traject wenst mee te werken en benadert de schuldeisers zelf.
Tijdens de zitting klaagt betrokkene dat de bewindvoerder de woningbouw verkeerd heeft ingelicht, in die zin dat hij zou hebben gezegd dat betrokkene misbruik gemaakt heeft van de situatie en weigerde mee te werken aan het bewind. De bewindvoerder licht toe dat hij de woningbouw heeft geïnformeerd dat betrokkene niet wilde meewerken aan een schuldenregeling.
Daarnaast vraagt betrokkene ter zitting om een voorlopige voorziening voor het direct laten uitbetalen van € 150,- aan leefgeld voor medicatie en het repareren van haar fiets.
De kantonrechter stelt vast dat betrokkene in een korte tijd een behoorlijke hoeveelheid brieven en e-mails heeft gestuurd naar de rechtbank waarin zij allerlei uiteenlopende klachten uit over de bewindvoerder. De kantonrechter is echter van oordeel dat niet is gebleken dat de bewindvoerder zijn werkzaamheden niet goed heeft gedaan. Integendeel, in een kort tijdsbestek van drie maanden heeft hij juist een huisuitzetting weten te voorkomen en betrokkene toe weten te leiden naar een schuldhulpverleningstraject. Dit hoort bij de taak van een bewindvoerder in het geval van problematische schulden. Voor een succesvol bewind dient betrokkene echter wel samen te werken met de bewindvoerder. Uit de grote hoeveelheid verzoeken, e-mailberichten en hetgeen is besproken ter zitting blijkt dat samenwerking met betrokkene niet mogelijk is en dat zij de bewindvoerder in zijn taak ondermijnt. Het bewind is om die reden niet zinvol gebleken, de kantonrechter zal daarom het bewind opheffen.
De kantonrechter zal niet beslissen op het verzoek tot voorlopige voorziening, omdat er in deze beschikking al een beslissing wordt genomen in de bodemprocedure. Betrokkene zal vanaf de opheffing van het bewind zelf kunnen beschikken over haar inkomen, zodat zij geen belang meer heeft bij de als voorlopige voorziening verzochte verhoging van haar leefgeld. De kantonrechter zal evenmin een nader onderzoek instellen naar de uiteenlopende klachten omdat het daartoe strekkende verzoek van betrokkene niet op de wet is gebaseerd en de kantonrechter uit hoofde van haar toezichthoudende taak daar in dit geval ambtshalve geen reden voor ziet, vanwege de kennelijke ongegrondheid van de klachten en de opheffing van het bewind.
3. De beslissing
De kantonrechter:
- heft het bewind over de goederen van [betrokkene] op met ingang van 9 april 2026;
- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.