Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het zonder omgevingsvergunning realiseren van een tijdelijke noodopvang voor 70 asielzoekers op de eerste etage van het gemeentehuis aan de [adres] in Loosdrecht, gemeente Wijdemeren en het ten behoeve daarvan plaatsen van tijdelijke bouwwerken voor sanitaire voorzieningen op de parkeerplaats aan de achterzijde van het gemeentehuis. Verzoekers hebben het college gevraagd daartegen handhavend op te treden, maar het college heeft dit met het besluit van 4 mei 2026 geweigerd. Verzoekers hebben tegen dit weigeringsbesluit bezwaar gemaakt bij het college. Ook hebben zij verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend, waarin ze de voorzieningenrechter vragen om de gemeente Wijdemeren en haar bestuursorganen, alsook het COA te verbieden het gemeentehuis als noodopvanglocatie voor asielzoekers te gebruiken.
2. De voorzieningenrechter zal de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen. De voorzieningenrechter verwacht dat de bezwaargronden niet slagen, omdat er bijzondere omstandigheden zijn om van handhaving af te zien. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter namelijk concreet zicht op legalisatie en het college mag de belangen van tijdelijke noodopvang (tot 1 november 2026) van 70 asielzoekers met waarborgen zwaarder laten wegen dan de belangen van de omwonenden, gelet op de tekorten in de asielopvang. Nu het weigeringsbesluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtmatig is, is er minder ruimte voor de belangen van verzoekers. Ook is niet gebleken dat er spoedeisende belangen zijn om een voorlopige voorziening te treffen. De door verzoekers aangevoerde onomkeerbare omstandigheden door het weigeringsbesluit zijn gelegen in mogelijke criminele gedragingen van asielzoekers en de gevolgen van de onrust vanwege de tijdelijke opvang van asielzoekers in Loosdrecht. Dat zijn geen belangen die zien op de fysieke leefomgeving en daarmee kan in deze procedure geen rekening worden gehouden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) latere procedure bij de rechtbank niet.
Verzoeken om handhaving van 20 april 2026
3. Verzoekers hebben het college op 20 april 2026 gevraagd om preventief handhavend op te treden tegen het voorgenomen gebruik van het gemeentehuis voor tijdelijke noodopvang omdat: - het tijdelijk opvangen van asielzoekers en het realiseren van tijdelijke bouwwerken in
strijd is met het omgevingsplan gemeente Wijdemeren (hierna: omgevingsplan);
Besluitvorming en voorgeschiedenis daarvan
Brandbrief van de minister van Asiel en Migratie (de minister) en het verzoek van het COA
4. De minister heeft in zijn brief van 26 maart 2026 een klemmend beroep gedaan op alle gemeenten in Nederland om zo snel mogelijk plekken voor acuut inzetbare spoedopvang te realiseren. Hij heeft meegedeeld dat het COA daarvoor actief gemeenten zal benaderen, omdat de nood inmiddels opnieuw te hoog is. Het gaat op korte termijn om een tekort van 4.500 plekken en het tekort zal naar verwachting oplopen tot 7.900 plekken einde zomer.
5. Het COA heeft het college op 13 april 2026 verzocht om medewerking te verlenen aan het gebruik van een deel van het gemeentehuis ten behoeve van de tijdelijke noodopvang van 110 asielzoekers voor zes maanden vanaf 22 april 2026.
De gedoogbeschikkingen van het college
6. Het college heeft, nadat de gemeenteraad is geïnformeerd op 17 april 2026, besloten medewerking te verlenen aan het verzoek van het COA. Het college heeft op 22 april 2026 een gedoogbeschikking afgegeven voor een tijdelijke noodopvang voor maximaal 110 asielzoekers voor de duur van maximaal zes maanden vanaf 22 april 2026 tot 1 november 2026. Het gebruik is in strijd is met het omgevingsplan, maar het doorlopen van de vereiste omgevingsvergunningsprocedure was niet mogelijk op de korte termijn dat de noodopvangplekken nodig waren. Op 24 april 2026 heeft het college besloten dat er maximaal 70 asielzoekers worden gehuisvest vanaf 6 mei 2026. Op 11 mei 2026 heeft het college besloten om de tijdelijke noodopvang voor asielzoekers onder voorwaarden te gedogen. De tijdelijke noodopvang vindt plaats vanaf 6 mei 2026 tot en met 31 oktober 2026. Na afloop van de termijn dient de gedoogsituatie te worden beëindigd.
Het bestreden besluit van 4 mei 2026
7. Het college heeft met het besluit van 4 mei 2026 (het bestreden besluit) de verzoeken om handhavend optreden afgewezen, omdat volgens hem concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat. Het COA heeft namelijk een omgevingsvergunning aangevraagd voor de noodopvang en het college is in beginsel bereid deze te verlenen. Daarbij komt dat het belang van de opvanglocatie zo zwaarwegend is, dat handhavend optreden onevenredig is volgens het college.
Aanvraag om een omgevingsvergunning
8. Het COA heeft op 6 mei 2026 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een tijdelijke opvanglocatie voor 70 alleenstaande asielzoekers in een gedeelte van het gemeentehuis tot uiterlijk 1 november 2026.
Afwijzing ordemaatregel
9. Het verzoek van 7 mei 2026 van verzoekers 1. om een ordemaatregel te nemen, heeft de voorzieningenrechter afgewezen.
Zitting
10. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken gelijktijdig op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- verzoekers en hun gemachtigde, - de gemachtigde van het college, kantoorgenoot mr. [A] , [B] (concerndirecteur), [C] (jurist), [D] (handhaver) en - de gemachtigde van het COA, [E] en [F] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Verzoek aan de voorzieningenrechter
11. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter het bestreden besluit te schorsen en om de gemeente Wijdemeren en haar bestuursorganen, alsook het COA, te verbieden om het gemeentehuis aan de [adres] te Loosdrecht te gebruiken in strijd met het Omgevingsplan gemeente Wijdemeren door daar asielzoekers op te vangen, tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist, dan wel tot twee dagen nadat voor dat gebruik een omgevingsvergunning is verleend en bekendgemaakt. Tijdens de zitting heeft het COA verklaard dat op dit moment 39 asielzoekers worden opgevangen. Gelet op het aanzienlijke tekort aan opvangplekken wil het COA het aantal asielzoekers zo spoedig mogelijk uitbreiden tot het maximum van 70, zolang dit op een verantwoorde wijze kan gebeuren. Dit wordt van dag tot dag bekeken. Verzoekers willen deze uitbreiding juist voorkomen.
Toetsingskader
12. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is namelijk een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. Het gaat in deze zaak om een verzoek dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Dit betekent dat de voorzieningenrechter alleen voor de duur van de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening kan treffen. In die periode moet dus sprake zijn van een situatie waarbij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van het besluit ontstaan.
13. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is aanleiding als het besluit van het college om de handhavingsverzoeken af te wijzen zo gebrekkig is dat dat in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft dus een voorlopig oordeel over de vraag of het bestreden besluit rechtmatig is of niet. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de spoedeisende belangen van verzoekers om handhavend op te treden al dan niet zwaarder moeten wegen dan de spoedeisende belangen van het college en het COA om daartoe niet over te gaan. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit om de handhavingsverzoeken af te wijzen, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoekers.
14. Op de zitting maar ook uit de stukken van verzoekers is de voorzieningenrechter gebleken dat zij zich overvallen voelden dat zonder inspraakmogelijkheid voor omwonenden (per brief) werd meegedeeld dat binnen enkele dagen tijdelijke noodopvang van asielzoekers zou plaatsvinden. De burgemeester heeft dat ook erkend en heeft daarvoor op 15 mei 2026 zijn excuses aangeboden. De voorzieningenrechter wijst erop dat de wijze waarop het bestreden besluit is gecommuniceerd los staat van de inhoud daarvan. De voorzieningenrechter moet in deze procedure het besluit van het college beoordelen om niet handhavend op te treden tegen de ingebruikname van het gemeentehuis als noodopvanglocatie, totdat het COA beschikt over een omgevingsvergunning. Dat doet de voorzieningenrechter aan de hand van wat verzoekers daarover aanvoeren, waarbij zij waar nodig zal aangeven of een argument wel of niet door haar kan worden meegenomen in de beoordeling.
Belanghebbendheid
15. Tijdens de zitting is met partijen gesproken of verzoekers kunnen worden aangemerkt als belanghebbende. Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Dit uitgagspunt wordt gecorrigeerd met het criterium "gevolgen van enige betekenis". Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij spelen de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat een rol, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
16. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers 2. op een afstand van minder dan 150 meter van het gemeentehuis wonen en hier ook zicht op hebben. Zij vindt het daarom aannemelijk dat verzoekers 2. ruimtelijke gevolgen zullen ondervinden van het gewijzigde gebruik van het gemeentehuis, zodat zij vooralsnog kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. Dat betekent dat de voorzieningenrechter hun verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk kan beoordelen. De voorzieningenrechter zal zich niet uitlaten over de vraag of verzoekers 1. als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De inhoud van hun verzoek is identiek aan dat van verzoekers 2. en het is de voorzieningenrechter zoals hiervoor overwogen niet op voorhand duidelijk dat verzoekers 2. evident geen belanghebbenden zijn. De voorzieningenrechter blijft daarom buiten de beoordeling van dit punt en gaat niet op de stoel van het college zitten. Het is aan het college om hierover in de bezwaarfase te beslissen.
Gronden verzoekers
17. Verzoekers voeren aan dat het college in strijd handelt met de “bestuursopdracht asielopvang Wijdemeren” en de gedragslijn die volgt uit de bestuursovereenkomst door nu asielopvang toe te staan, zonder voorafgaande inspraakmogelijkheden en zonder formele besluitvorming over de vereiste omgevingsplanwijziging of omgevingsvergunning. Dat is bij noodopvang juist des te belangrijker gelet op de ingrijpendheid ervan. Verzoekers voeren ook aan dat het besluit in strijd is met het verbod op vooringenomenheid en willekeur. Het gemeentehuis wordt immers beschikbaar gesteld en de opvang wordt gefaciliteerd zonder of voordat de vereiste vergunningen zijn aangevraagd en beoordeeld. Zij vinden het willekeur dat het college een jaar lang geen werk heeft gemaakt van de wettelijke verplichting om asielopvang te realiseren conform de Spreidingswet en het verdeelbesluit en nu opeens illegale noodopvang toestaat. Dat zoals het college stelt sprake zou zijn van concreet zicht op legalisatie is volgens verzoekers onvoldoende om niet handhavend op te treden. Verzoekers wijzen hiervoor ter onderbouwing op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1680 en 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:800. Voor zover de aanvraag al zou voorzien in de vereiste goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving, dan geeft het bestreden besluit geen inzicht in de wijze waarop alle relevante aspecten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voorlopig zijn beoordeeld en waarom ze op orde zijn. Verzoekers stellen ook dat het besluit een onwenselijk en gevaarlijk precedent schept voor burgers en bedrijven om ook illegale activiteiten te ontplooien vooruitlopend op een eventuele vergunningaanvraag, omdat zij van mening zijn dat zij een zodanig zwaarwegend belang hebben bij de realisering daarvan dat daartegen, redelijkerwijs niet handhavend kan worden opgetreden. In de nadere onderbouwing van 19 mei 2026 gaan verzoekers in op het verweerschrift van het college en wijzen zij erop dat het de woonwijken zelf zijn waar de 70 bewoners van de opvanglocatie in terechtkomen als ze naar buiten gaan. Het akoestische klimaat in en rond het gemeentehuis is tamelijk slecht zodat te verwachten valt dat de bewoners overdag de opvanglocatie verlaten en elders een fijne(re) verblijfplaats zoeken. Daarmee komt de leefbaarheid direct onder druk te staan. Er zijn in de wijken geen openbare prullenbakken, bankjes, parken et cetera. De parkeerdruk is niet goed onderbouwd en kan leiden tot parkeeroverlast in de wijken van verzoekers. De effecten op het beschermde natuurgebied zijn nog niet onderzocht. De locatie ligt voorts direct naast de enige doorgaande fietsroute naar Hilversum die veel door schoolgaande en sportende jeugd werd gebruikt, omdat Loosdrecht nu eenmaal zeer georiënteerd is op Hilversum. Daar zijn de scholen en uitgaansgebieden. Inmiddels durven ouders hun kinderen niet meer alleen te laten gaan vanwege de grote onduidelijkheid over het veiligheidsplan. Tijdens de zitting hebben verzoekers vooral ook hun zorgen geuit over het ontbreken van een goed veiligheidsplan en hebben zij benadrukt hoeveel moeite zij hebben met de slechte communicatie vanuit de gemeente en het gebrek aan participatie met de omwonenden, terwijl dat bij de uitvraag vorig jaar wel was toegezegd.
Standpunt college
18. Het college heeft het verzoek om handhavend optreden afgewezen, omdat hij bereid is de door het COA gevraagde vergunning in beginsel te verlenen, omdat er sprake is van een zwaarwegend humanitair en maatschappelijk belang en het omgevingsplan in artikel 10.1 onder j, ruimte biedt voor het realiseren en daarmee wonen op de verdieping toe te staan. De benodigde brandveiligheidsvoorzieningen (onder andere dat de slaapkamers alsmede de vluchtroutes minstens 30 minuten brandwerend moeten zijn en dat er voldoende en adequate vluchtroutes zijn als er brand uitbreekt) worden voor de ingebruikname gerealiseerd. Om zorgen over de mogelijke overlast en de sociale veiligheid in de directe omgeving van de tijdelijke noodopvanglocatie weg te nemen is het “Veiligheids- en leefbaarheidsplan Noodopvang [adres] Wijdemeren” van 30 april 2026 opgesteld door het COA en de gemeente met als hoofddoel de veiligheid en leefbaarheid in- en rondom de opvanglocatie (directe nabijheid en openbare ruimte) voor iedereen in Wijdemeren te borgen. Het college is van mening dat door de maatregelen en afspraken uit dit plan voldoende rekening is gehouden met de zorgen over de sociale veiligheid en dat er geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Gezien de dringende en acute maatschappelijke behoefte, de tijdelijke aard van de noodopvang en de geringe impact op de omgeving, is het college van mening dat het belang van het COA zwaarder weegt dan het belang van handhavend optreden tegen het gebruiken van de eerste etage van het gemeentehuis als tijdelijke noodopvang, zodat handhavend optreden onevenredig is. In het verweerschrift is het college nog verder ingegaan op deze factoren. In zijn laatste reactie van 20 mei 2026 benadrukt het college dat niet is gebleken van bijzondere belangen van verzoekers die zodanig zwaar zijn dat daaraan een zwaarder gewicht had moeten worden toegekend dan aan het dringende maatschappelijke en humanitaire belang bij noodopvang.
Bevoegdheid tot handhavend optreden
19. Partijen zijn het er over eens dat het gebruik van het gemeentehuis voor noodopvang van asielzoekers en het realiseren van tijdelijke bouwwerken op het achtergelegen parkeerterrein is in strijd met het omgevingsplan. Beide activiteiten mogen niet zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd. Het COA heeft weliswaar een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend, maar deze vergunning is nog niet verleend. Daarmee staat vast dat sprake is van overtredingen. Het college heeft dit ook niet betwist.
20. Dat betekent dat het college bevoegd is om handhavend op te treden. Als uitgangspunt geldt dan dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Bijzondere omstandigheden - concreet zicht op legalisatie
21. Concreet zicht op legalisatie is in een zaak zoals deze aan de orde als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend en het college bereid is om die vergunning te verlenen, tenzij op voorhand duidelijk is dat de omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. De voorzieningenrechter stelt vast dat op het moment dat het college het bestreden besluit nam, er nog geen aanvraag om een omgevingsvergunning was ingediend.
De conclusie van het college over concreet zicht op legalisatie was in dat opzicht te voorbarig. De voorzieningenrechter zal daaraan geen consequenties verbinden, omdat de aanvraag er inmiddels wel ligt en het college dit in de beslissing op bezwaar kan meenemen. Het college heeft verder verklaard in beginsel bereid te zijn de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, zodat ook dit niet in de weg staat aan het aannemen van concreet zicht op legalisatie. Tijdens de zitting hebben verzoekers hiertegen ingebracht dat de verklaring van het college geen stand kan houden, omdat de gemeenteraad in de omgevingsvergunningprocedure een bindend adviesrecht heeft. Als de gemeenteraad negatief adviseert, is het volgens verzoekers niet mogelijk de omgevingsvergunning te verlenen. Dit argument slaagt echter niet omdat er op dit moment geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de gemeenteraad een negatief advies zal uitbrengen. Het college heeft op 17 april 2026 de gemeenteraad geïnformeerd met een raadsinformatiebrief over de tijdelijke noodopvang en niet is gebleken dat de gemeenteraad daar afwijzend tegenover stond of staat. In zijn verweerschrift heeft het college verder toegelicht waarom hij na een eerste beoordeling van de aanvraag geen ruimtelijke, planologische of milieukundige belemmeringen ziet die aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staan. In wat verzoekers hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand al duidelijk is dat de gevraagde vergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Daarbij laat zij meespelen dat in een handhavingszaak geen inhoudelijke gronden tegen de (te verlenen) omgevingsvergunning aangevoerd kunnen worden en dat ook niet is vereist dat al volledig inzicht bestaat in de te maken ruimtelijke afweging. Het deel van de argumenten van verzoekers dat ziet op gebreken in de ruimtelijke onderbouwing laat zij dan ook buiten beschouwing. Voor zover verzoekers erop hebben gewezen dat geen sprake is van een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning, overweegt de voorzieningenrechter dat zij het college kan volgen in zijn toelichting dat voldoende gegevens beschikbaar zijn voor een eerste beoordeling en dat het ontbreken van bijvoorbeeld tekeningen van de bestaande en toekomstige situatie daar niet aan in de weg staan. Dit alles brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat concreet zicht op legalisatie aanwezig is.
22. Uit de door verzoekers genoemde uitspraken volgt dat het college, ook als sprake is van concreet zicht op legalisatie, toch gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden. Het college zal immers nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij hij rekening moet houden met de omstandigheden van het concrete geval. De voorzieningenrechter vindt dat het college in het bestreden besluit voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe hij de betrokken belangen heeft afgewogen en waarom hij het belang om de opvanglocatie in gebruik te kunnen nemen zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van verzoekers om dit te voorkomen. Zo heeft het college overwogen dat het gaat om een opvang voor een beperkte duur van maximaal zes maanden, met een beperkte omvang van 70 asielzoekers en met waarborgen zoals een Veiligheids- en leefbaarheidsplan. Gezien de dringende en acute maatschappelijke behoefte aan opvangplekken, de tijdelijke aard van de noodopvang en de geringe fysieke impact op de omgeving, heeft het college het algemeen belang zwaarder laten wegen dan het belang van handhavend optreden. Voor zover verzoekers hebben gewezen op vooringenomenheid en willekeur aan de kant van het college, overweegt de voorzieningenrechter dat zij hiervoor te weinig concrete aanknopingspunten ziet. Het college mag dan wellicht overhaast hebben gereageerd, waardoor verzoekers zicht terecht overvallen hebben gevoeld, maar dat betekent niet dat het college vooringenomen was of opzettelijk procedures heeft willen omzeilen. De vereiste omgevingsvergunningaanvraag is op uitdrukkelijk verzoek van het college inmiddels ook ingediend, maar de nood aan opvangplekken is zo hoog dat vergunningverlening niet kan worden afgewacht en er een gedoogbeschikking is afgegeven Het mag daarbij als algemeen bekend worden verondersteld dat er een enorme behoefte bestaat aan opvanglocaties op korte termijn, zodat denkbaar is dat het college snel heeft willen handelen. Het college kan hierop in de te nemen beslissing op de bezwaren nog nader ingaan. De voorzieningenrechter begrijpt goed dat verzoekers de gang van zaken rondom de noodopvang en de communicatie vanuit de gemeente daarover als onzorgvuldig bestempelen. Ook het college heeft erkend dat dit niet goed is gegaan, zo blijkt uit het verweerschrift, de excuses van de burgemeester en de informatie op de website van de gemeente. Verder onderschrijft de voorzieningenrechter het betoog van verzoekers dat mag worden verwacht dat juist een bestuursorgaan de regels en procedures rondom bouwen en strijdig gebruik naleeft. Aan de andere kant ziet zij ook dat het college heeft geworsteld met de brandbrief van de minister en het dringende verzoek van het COA en juist met het afgeven van de gedoogbeschikking duidelijkheid heeft willen geven over zijn intenties. Het college heeft toegelicht het als zijn maatschappelijke taak te zien om een bijdrage aan de opvang van asielzoekers te leveren, juist nu het tekort aan opvangplekken onverminderd groot is en de gemeente Wijdemeren tot nog toe nog geen asielzoekers opving. Onder die omstandigheden is voorstelbaar dat men op zo kort mogelijke termijn de opvang heeft willen realiseren, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat het college met het Veiligheids- en leefbaarheidsplan Noodopvang [adres] Wijdemeren” zo goed mogelijk rekening heeft gehouden met de woon- en leefomgeving van omwonenden. De verklaring van het college dat de “bestuursopdracht asielopvang Wijdemeren” niet is geschreven voor een tijdelijke noodoplossing als hier aan de orde kan de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande ook volgen. Dat geldt ook voor de door verzoekers genoemde bestuursovereenkomst tussen de gemeente Wijdemeren en het COA van 15 april 2026. Over de door verzoekers gevreesde precedentwerking heeft het college opgemerkt dat dit niet aan de orde is. Er is sprake van een uitzonderlijk geval waarbij onvoldoende tijd beschikbaar was om een vergunningprocedure te doorlopen en met het afgeven van de gedoogbeschikkingen heeft het college juist willen aantonen dat hij het handelen zonder omgevingsvergunning niet lichtvaardig opvat. De voorzieningenrechter kan dit volgen.
23. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat sprake is van concreet zicht op legalisatie en dat het college voldoende heeft onderbouwd dat geen sprake is van zwaarwegende belangen op grond waarvan hij toch handhavend moet optreden. Aan een bespreking van andere bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien komt de voorzieningenrechter daarom niet toe. De voorzieningenrechter is van oordeel dat naar verwachting de bezwaargronden niet slagen en het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar in stand zal blijven. Dat betekent dat er minder ruimte is voor de belangen van verzoekers.
Belangenafweging voorzieningenrechter
24. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van het college en het COA bij het in stand laten van het besluit om nu niet tot handhaving over te gaan, zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekers bij het treffen van een voorziening die in zou houden dat de tijdelijke opvang van de asielzoekers gestaakt moet worden. Het COA en de gemeente hebben in het licht van de huidige opvangcrisis een groot belang om de tijdelijke noodopvanglocatie te kunnen blijven gebruiken, zeker nu de gemeente Wijdemeren tot nog toe nog geen asielzoekers opving. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoekers dat het college eerst de benodigde vergunning(en) moet verlenen, maar acht het maatschappelijk belang bij het opvangen van 70 asielzoekers in de gemeente zwaarwegender. Daarbij speelt ook een rol dat de noodopvang tijdelijk is met als einddatum van 31 oktober 2026 en dat op het moment dat een omgevingsvergunning wordt verleend geen sprake meer is van een overtreding. Bovendien is niet gebleken dat er onomkeerbare gevolgen zijn als niet wordt gehandhaafd. De door verzoekers genoemde vrees voor criminele activiteiten van de asielzoekers en de onrust die in Loosdrecht door de tijdelijke noodopvang van asielzoekers is ontstaan, zijn geen rechtstreeks gevolg, maar een indirect gevolg van het niet handhaven van het omgevingsplan door het college. Beide aspecten houden geen verband houden met de overtreding van het omgevingsplan, maar zien op het handhaven van de openbare orde en dat valt buiten het beoordelingskader van deze procedure.
Conclusie en gevolgen
25. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent concreet dat het college nu niet handhavend op hoeft te treden tegen het gebruik van het gemeentehuis als tijdelijke noodopvanglocatie voor 70 asielzoekers tot uiterlijk 1 november 2026.
26. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: