RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11790076 \ LC EXPL 25-1482
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam],
te [plaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,
tegen
1. [gedaagde sub 1] .,
te [plaats] ,
en haar (voormalige) vennoten2. [gedaagde sub 2] ,
in [plaats] , en3. [gedaagde sub 3] ,
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
allen procederend in persoon.
Partijen zullen hierna respectievelijk [eiser] , de [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] en (zo begrijpt de kantonrechter) de [gedaagde sub 1] ,- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 3] ,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 2] en (zo begrijpt de kantonrechter) de [gedaagde sub 1] ,- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 3] ,- de akte van [eiser] .
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
Volgens [eiser] heeft hij werkzaamheden uitgevoerd voor de [gedaagde sub 1] en heeft hij daarvoor drie facturen gestuurd. Eén daarvan (zo concludeert de kantonrechter uit het betoog van [eiser] ) heeft de [gedaagde sub 1] volgens [eiser] niet betaald, namelijk de factuur van 6 september 2022 voor € 6.509,80. [eiser] vordert betaling van € 6.518,80 in hoofdsom, plus nevenvorderingen. De gedaagde partijen zijn het daarmee niet eens. Volgens alle gedaagde partijen is de factuur ongegrond. Volgens de [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn bovendien de bedragen op de factuur onjuist, zijn de daar gestelde prijzen niet overeengekomen en ook niet redelijk, en heeft [eiser] het werk niet afgerond dan wel is het wel geleverde werk van slechte kwaliteit. [gedaagde sub 3] voert aan dat zij niets met een eventuele opdracht aan [eiser] te maken heeft en daar niet aansprakelijk voor kan zijn. Voor zover er al sprake is van een opdracht, moet deze volgens [gedaagde sub 3] betrekking hebben op een overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] in privé. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] af.
3. De beoordeling
[eiser] heeft zijn vordering onvoldoende nader onderbouwd
Gezien de betwisting van de juistheid van de factuur die [eiser] vordert, had het op zijn weg gelegen om duidelijk en concreet te vertellen waarom die factuur wel klopt. Dat doet [eiser] niet of onvoldoende. [eiser] verwijst zonder nadere toelichting alleen naar een WhatsAppbericht van hem aan (kennelijk) [gedaagde sub 2] , waaruit een en ander zou moeten blijken. Maar de in dat bericht genoemde bedragen tellen niet op tot het bedrag op de factuur en de omschrijvingen die [eiser] aan de bedragen geeft komen ook niet met de factuur overeen. De kantonrechter kan geen chocola maken van dat bericht. Omdat [eiser] op geen enkele manier uitlegt hoe dat bericht dan wel gelezen zou moeten worden, heeft [eiser] zijn vordering voor de hoofdsom onvoldoende nader onderbouwd.
Het voorgaande betekent op zichzelf al dat de vordering voor de hoofdsom wordt afgewezen. Alle overige verweren die de gedaagde partijen hebben aangevoerd, hoeft de kantonrechter daarom niet te beoordelen.
Vordering in reconventie?
De [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben bij de conclusie van dupliek nog verzocht dat de kantonrechter bepaalt dat de aanbetaling van € 1.500,00 en een reparatienota van een auto van (zo stellen de [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) van [eiser] van € 2.500,00 moet worden terugontvangen. Dat verzoek is een eis in reconventie, maar daarmee zijn de [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te laat. Eisen in reconventie moeten direct bij het antwoord worden ingediend. De kantonrechter zal het verzoek niet beoordelen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat de procedure uitsluitend schriftelijk is verlopen en de gedaagde partijen geen gemachtigde hebben ingeschakeld voor het proces, worden de proceskosten van de gedaagde partijen begroot op nihil.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de gedaagde partijen, tot op heen begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
RW1368